Dominique Meeùs

Dernière modification le   

retour à la table des matièresau dossier marxisme

523.
Corporatisme in opgang?

De laatste jaren is een duidelijke opleving vast te stellen van buiten-syndicale of ‘niet-politiek gebonden’ groeperingen die op het syndicale vlak actief zijn. Er werden onafhankelijke comités, coördinaties, zelfs nieuwe vakbonden opgericht bij het spoor (ontstaan uit LOCO), bij de ambtenaren, bij de Franstalige leraars, enz. De grote stakingen in Frankrijk van p. 197het ziekenhuispersoneel werden geleid door de ‘Coordinations’. Is dit een factor van verdeeldheid of van vernieuwd vakbondsélan? Is het een terugplooien op corporatistische belangen of een positieve aansporing voor de ‘grote’ vakbonden’?

Het is niet eenvoudig hierop te antwoorden omdat oorsprong, samenstelling en posities duidelijk uiteenlopen. Toch zijn er enkele duidelijke constanten.

1o De eerste verantwoordelijkheid ligt bij de leiding van de grote bonden. De jarenlange inleveringspolitiek en de slaafse houding van vele vakbondsleiders tegenover de patronale eisen, heeft de ontgoocheling van de vakbondsbasis vaak doen omslaan in antisyndicale reacties. Daardoor is een basis geschapen voor dergelijke nieuwe groeperingen, waarop het patronaat (in het geval van de openbare diensten, de ministeries) proberen in te spelen.

2o Het zijn vaak radicale krachten die een alternatief zoeken voor de laksheid van hun eigen organisatie, die aansluiten bij nieuwe bonden. In al deze comités en coördinaties zijn zeer strijdbare krachten aanwezig, op zoek naar contactstructuren die zij niet (meer) vinden binnen de traditionele vakbonden.

3o De tendens om zich terug te plooien op strikte beroepseisen en zich niet met de algemene belangen in te laten, is ook vaak aanwezig in dergelijke nieuwe organisaties. Het corporatisme, in de zin van enge beroepsorganisatie, is een verderfelijke ideologie, die het klassebewustzijn doodt en uiteindelijk bereid is om de belangen van de hele werkende klasse op te offeren voor het inwilligen van de eigen strikt materiële beroepsbelangen. De ‘verkoop’ van het stakingsrecht bij het spoor voor enkele toegevingen op de lonen is hiervan een goed voorbeeld. Hetzelfde geldt voor het mee heulen met de flexibiliteitsgedachte in ruil voor loonsverhoging.

4o Dit corporatisme is nochtans niet het monopolie van dergelijke nieuwe organisaties en zijn de waarschuwende vingers van de grote vakbonden dikwijls erg hypocriet. Het reformisme neemt het traditioneel niet zo nauw met de fundamentele belangen van de werkers, als het op akkoordjes met het patronaat kan gegooid worden. Is het niet een gewoonte om de sociale vrede te verkopen voor enkele kruimels? Waren het niet de syndicale organisaties zelf die maaltijdcheques hebben voorgesteld als een alternatief voor loonsverhoging in het Franstalige onderwijs en daarna in de openbare diensten?

5o Er is corporatisme en corporatisme. Naast de ideologie van de ‘enge beroepseisen’ bestaat er ook de ideologie van het fascistisch corporatisme, dit wil zeggen, de geest van totale klassensamenwerking. De vakbondsleiders van ACV en ABVV spreiden soms de meest verregaande p. 198klassensamenwerking ten toon, terwijl zij waarschuwen tegen corporatisme. Het akkoord dat in het geheim met de GM-directie werd afgesloten voor participatief management (1989) staat niet zover af van het fascistische corporatiemodel, waarin patroons en vakbonden in gezamenlijke corporatiestructuren samenwerken. (Zie 227.)

6o Het is waar dat de ‘apolitieke’, ‘onafhankelijke’ en antisyndicale richting van deze nieuwe organisaties vaak een ideale ruimte schept voor liberale en extreemrechtse ontsporing. Het is evenmin uitgesloten dat sommige van die comités bewust worden opgezet door fascistische krachten (zoals de Vriendenkring Zwartberg). In elk geval is de grootste waakzaamheid geboden tegenover extreemrechtse manipulaties.

De vakbondsleiding kan niet ontsnappen aan de vaststelling dat zij meer en meer greep verliest op de basis. De belangrijkste reden daarvan is haar gematigde, propatronale opstelling. Het verloren vertrouwen kan alleen herwonnen worden en de syndicale eenheid kan alleen hersteld worden door een antikapitalistische koerswending. Wil men de vakbond versterken en niet langer laten ontmantelen, dan is dat de enige valabele conclusie.