Dominique Meeùs
Dernière modification le   
retour à la table des matièresau dossier marxisme

236.
De positieve flexibiliteit en de positieve kwaliteitszorg

Up: 23. Vakbond en nieuwe technologie Previous: 235. De wettelijke overlegorganen en de syndicale delegatie in het gedrang Next: 237. De syndicale opstelling en tactiek tegenover het PM

Zodra het duidelijk werd dat de flexibele werkorganisatie en arbeidstijden een hoofdstrategie was geworden van het patronaat, hebben sommigen zich vooral ingezet ‘om de patronale eisen ten goede te keren’. De redenering is aanlokkelijk: “Het patronaat wil flexibiliteit? Oké, laat ons praten over flexibiliteit maar dan over goede flexibiliteit, namelijk deze in het voordeel van de werkers.” Deze aanpak werd onder meer verdedigd door de werkgroep Polekar20 en snel overgenomen in de ACV-teksten. “Laten wij werkgeversflexibiliteit opeisen,” stelt het laatste ACV-congres (april 1990): “Ruimte maken voor tijdschema’s die beter aan de individuele werknemersvoorkeuren beantwoorden: glijdende werktijden, vrijwillige deeltijdse arbeid, vrije opname van verlof en inhaalrust, loopbaanonderbreking, uitgroeibanen, vierdaagse werkweek, flexibele arbeidsduur naar voorkeur, flexibele pensionering …” (P. 24.) Het CMB-congres (maart 1990) is voorzichtiger en stelt voorwaarden voor een dergelijk ‘syndicaal geïnspireerd flexibiliteitsoffensief: dat eerst de werkloosheid wordt verkleind, dat algemene akkoorden hierover worden afgesloten die geen ruimte laten p. 113voor patronale willekeur (gedwongen ‘vrijheid’) en dat de collectieve werkersbelangen hierdoor niet in het gedrang worden gebracht. (P. 47.) Daarmee werden de drie grote gevaren van een dergelijke tactiek correct aangeduid, maar ons inziens niet resoluut bezworen. Het is niet verboden om te dromen, als men maar tijdig beseft dat men in een klassenmaatschappij leeft. De patroon is baas en weet waar hij naar toe wil. Hij speelt in op de aantrekkingskracht van de ‘individuele keuze’ en probeert op die manier bressen te slaan in het afwijzingsfront. De individuele keuze zal zich hoe dan ook beperken tot wat het patronaat wil aanbieden. Het recht op ‘vrije vakantie’ wordt een afschaffing van het collectief verlof en een verplichting om het verlof op eender welk moment te nemen. De individuele vrijheid keert zich onvermijdelijk tegen de collectieve rechten. Deeltijdse arbeid bijvoorbeeld is hét patronale middel om de arbeidsduurverkorting met loonbehoud te counteren. Het recht op deeltijdse contracten wordt het recht voor de patroons om allen nog dit soort contracten aan te bieden (grootwarenhuizen bijv.).

Dit kan helemaal niet in de hand worden gehouden door een kader-cao, zoals het ACV voorstelt (naar analogie met CAO 42). De vakbond wordt machteloos omdat alles versnipperd wordt in onderhandelingen per bedrijf, in individuele keuzes. Men laat op die manier het individualisme en de ‘ieder voor zich’ mentaliteit vrij woekeren en ondermijnt de bestaansreden zelf van de vakbonden. Het ‘syndicale offensief draait volledig in het voordeel van het patronaat uit. Een gelijkaardige ervaring werd al opgedaan met de ‘offensieve inlevering’ die in dezelfde hoek werd uitgewerkt begin de jaren 80. De redenering was dezelfde: als het patronaat inlevering wil, laten we er dan tenminste werkgelegenheid aan koppelen. Arbeidsduurvermindering met loonverlies was dé oplossing. De idee werd een regeringsplan (de 5-3-3 operatie), het werd dus een ‘algemeen bindend akkoord’. Er werd inderdaad 3 % ingeleverd maar er kwamen geen 3 % arbeidsplaatsen. Elke patroon wist te melden dat hij door inlevering het verlies van arbeidsplaatsen had verminderd. Het eerste en beste antwoord op een patronaal offensief is nog altijd een klaar en vastberaden ‘neen’. Of zoals prof. Mateo Alaluf het uitdrukt. “Tegenover de patronale flexibiliteit moet de rigiditeit van het arbeidsreglement en de syndicale rechten worden geplaatst.”21 Daarnaast moeten collectieve eisen worden gesteld die voordelen bieden aan iedereen en de hele arbeidersklasse, privé en openbaar, werkend of werkloos, arbeiders en bedienden kunnen verenigen in een reëel tegenoffensief: zoals 32-urenweek met loonbehoud en aanwervingen. (Zie 236 bis.)

p. 114

236 bis.
Opiniepeiling over flexibiliteit

Zijn de werknemers zelf vragende partij inzake flexibiliteit? Patronale — en zelfs sommige syndicale — vertegenwoordigers antwoorden daar nogal gemakkelijk instemmend op. Maar hoe staan de zaken er in werkelijkheid voor? Het weekblad Solidair vroeg in de maanden maart tot mei 1990 de mening van 2535 werknemers (arbeiders en bedienden, mannen en vrouwen) uit uiteenlopende sectoren en uit de drie landstreken.1

Persoonlijke voorkeur

In een eerste reeks vragen werd gepeild naar de persoonlijke voorkeur van de ondervraagden. Waarvoor zou je kiezen indien je volledig vrij was? De resultaten zijn ronduit onthullend. Zo kiest 89 % van de ondervraagden voor werken tussen maandag en vrijdag, 8 % voor afwisselend werken in de week en tijdens de weekends en slechts 2 % voor vast weekendwerk. Opmerkelijk is dat 81 % van hen, die nu al geconfronteerd worden met weekendwerk de voorkeur geven aan werken tussen maandag en vrijdag.

Verder geeft 74 % van de ondervraagden de voorkeur aan werken in een vaste dag- of ochtendploeg. Slechts 9 % kiest vrijwillig voor een of andere vorm van nachtarbeid (2 % in een vaste nachtploeg, 7 % in een drieploegensysteem). Van de ondervraagden, die nu met nachtarbeid worden geconfronteerd zijn er slechts 23 %, die daar vrijwillig zouden voor kiezen.

In de automobielsector — een sector waar het patronaat hevig aandringt op uitbreiding van de productietijd naar de weekends en de nacht — kiest 95 % voor werken in de week en slechts 3 % zou vrijwillig kiezen voor nachtarbeid.

90 % van alle ondervraagden kiest vrijwillig voor vaste uurroosters en dit cijfer is 80 % bij hen, die nu geconfronteerd worden met variabele uurroosters. Wat de flexibele contracten betreft geeft 95 % de voorkeur aan contracten van onbeperkte duur. 84 % van de ondervraagden geeft de voorkeur aan een voltijds contract, 9 % kiest voor een 3/4de contract en 5 % voor halftime-werk.

Wat moeten de vakbonden eisen?

In een tweede deel werd gepeild naar de vakbondseisen. Wat blijkt?

72 % is van oordeel dat de vakbonden moeten opkomen voor een beperking van de arbeidsduur tot maximum 8 uur per dag en 40 per week. Slechts 17 % geeft steun aan de huidige vakbondsopstelling: maximum 11 uur per dag en 50 uur per week.

p. 115

Zoals blijkt uit de bijgevoegde tabel vindt 52 % van de ondervraagden dat de vakbonden een verbod moeten eisen op het zaterdagwerk in sectoren waar continuarbeid niet nodig is om sociale of technische redenen; 42 % eist ‘meer compensaties’. Wat betreft werk op zondag zijn die cijfers respectievelijk 62 % en 34 %. 43 % eist er een verbod op nachtarbeid voor mannen én vrouwen, 18 % enkel voor vrouwen en 33 % meer compensaties. 68 % van alle ondervraagden eist een verbod op variabele uurroosters.

58 % van de ondervraagden is voorstander van een verbod op tijdelijke contracten. En voor 66 % is de invoering van een 32-urenweek met loonbehoud het alternatief voor deeltijdse arbeid.

Krachtsverhoudingen

Er zijn dus belangrijke meerderheden, die opkomen voor een principiële afwijzing door de vakbonden van flexibele arbeidstijden. Daarnaast is er een groep van 30 tot 40 %, die persoonlijk niet zouden kiezen voor weekend- of nachtarbeid maar toch de voorkeur geven aan compensaties in plaats van een principieel verbod te eisen. (Zie tabel.) Het is deze groep, die door het patronaat bewerkt wordt om flexibiliteit aan alle werknemers op te leggen. Opmerkelijk is dat deze groep groter is in sectoren waar continuarbeid al bestaat (zoals de staal) dan in sectoren (zoals de automobiel) waar het niet bestaat en waar het patronaat het zou willen doorvoeren. Hij is kleiner bij vakbondsleden en bij mensen, die een antikapitalistische opstelling innemen. (Zie tabel.)

% dat vindt dat de
vakbonden moeten
opkomen voor:
Alle
ant-
woor-
den
Wil werken
in de
weekends
Ge-
syndiceerd
Vinden dat
“patroons
moeten
betalen”
neen ja ja neen ja neen
— verbod op
zaterdagwerk
52 55 20 54 42 64 44
— meer compensaties
voor zaterdagwerk
42 39 67 41 48 32 48
— verbod op
zondagwerk
62 66 21 64 53 72 56
— meer compensaties
voor zondagwerk
34 30 71 32 40 26 38
— verbod op nachtarbeid
voor vrouwen
18 19 12 18 18 16 20
— verbod op nachtarbeid
voor mannen en vrouwen
43 46 21 44 37 56 35
— meer compensaties
voor nachtwerk
33 30 61 32 37 25 38

Het is duidelijk dat deze mensen bij hun uiteindelijke beslissing niet alleen de persoonlijke voorkeur maar ook de krachtsverhoudingen laten meespelen. ‘Als wij het dan toch niet kunnen tegenhouden laten de patroons er dan maar meer voor betalen’, zo ongeveer luidt de redenering, die overigens door de nationale vakbondsinstanties zeer intens wordt gepromoot. Er bestaat geen twijfel over dat deze mensen een ander standpunt zouden innemen p. 116indien de vakbondsleiding een klare positie zou innemen tegen flexibiliteit en de werkers voor de strijd zou mobiliseren. Aan de strijdsyndicalisten om daarvoor op te komen binnen de bonden. Zij kunnen zich steunen op de cijfers van deze opiniepeiling.

1.
Solidair, 13 juni 1990. De volledige resultaten kunnen besteld worden op het redactieadres: Lemonnierlaan 171, 1000 Brussel.
Notes
20.
Polekar was in de jaren 80 een denkgroep van Vlaamse economisten, op zoek naar een neokeynesiaans alternatief voor de crisis. Een van de boegbeelden ervan, Frank Vandenbroucke, is nu voorzitter van de Socialistische Partij.
21.
Mateo Alaluf, Le temps du labeur, Institut de Sociologie, Éditions de l’ULB, 1986.
Up: 23. Vakbond en nieuwe technologie Previous: 235. De wettelijke overlegorganen en de syndicale delegatie in het gedrang Next: 237. De syndicale opstelling en tactiek tegenover het PM