Dominique Meeùs
Dernière modification le   
retour à la table des matièresau dossier marxisme

222.
Nieuwe productiemethodes

Up: 22. De patronale aanwending van de nieuwe technologie Previous: 221. Crisis en nieuwe technologie Next: 223. Nieuwe technologie en nieuwe organisatievormen

De nieuwe technologie wordt door het patronaat vooral benut om nieuwe, meer rendabele productiemethodes te ontwikkelen.

De nieuwe technologie, in het bijzonder de aanwending van de computer in de productie, brengt nieuwe vormen van productiebeheer en arbeidsorganisatie mee. De informatisering en automatisering laat veel flexibeler productiemethodes toe, die wat betreft efficiëntie het klassieke taylorisme voorbijsteken.

Het taylorisme (ook de wetenschappelijke organisatie van de arbeid genoemd) is sinds het begin van deze eeuw de heersende productiemethode en omvat drie grote principes.

p. 85

1o Het taylorsysteem ontbindt het complexe productieproces in eenvoudige, herhaalbare en controleerbare handelingen. Zo wordt het werk van de hooggekwalificeerde, artisanale arbeiders in stukjes gekapt en overgedragen aan niet-gekwalificeerd personeel. Grote massa’s ongeschoolde arbeidskrachten kunnen worden ingeschakeld in de productie.3

2o Conceptie en uitvoering van taken wordt helemaal ontkoppeld. Er is een strikte opdeling tussen intellectuele arbeid (productieconcept, -planning en -beheer) en de manuele uitvoeringstaken.

3o De verschillende onderdelen van het productieproces worden aan een tijdmeting onderworpen.

Deze arbeidsdeling wordt tot een hoogtepunt gebracht met het fordisme: de productie wordt georganiseerd aan de lopende band. Door het taylorisme en het fordisme wordt de intensiteit van de arbeid en de productiviteit geweldig opgedreven en wordt de accumulatie van kapitaal versneld. Hooggekwalificeerde arbeid wordt vervangen door afstompend handwerk. De monopolies ontsluiten en veroveren de markten van massagoederen (de Ford T). Het kapitalisme is rijp voor een periode van intensieve accumulatie, van massaproductie en -consumptie. Er moet op gewezen worden dat dit geen ‘gunst’ is van het kapitalisme, zoals het fordisme met zijn hogere lonen dikwijls wordt voorgesteld. Ford werd verplicht tot het uitbetalen van hogere lonen om het massale verloop van arbeidskracht te stoppen. Door het veeleisende handwerk was er in het eerste jaar (1913) een turnover van 390 % in de Fordfabrieken. Dit betekent dat het volledige personeel bijna vier maal per jaar vervangen werd.4

Het fordisme is echter meer dan handwerk. Het betekent dat door de gestegen productiviteit, zich een nieuw ‘evenwicht’ instelt in de kapitalistische landen waarbij de reële koopkracht verhoogt (het aantal producten en diensten dat men zich kan aanschaffen) zonder dat daarom de uitbuitingsgraad afneemt (de meerwaardevoet — zie 222 bis).

Het taylorisme/fordisme als productiesysteem vertoont echter een aantal nadelen voor de kapitalisten die door de toenmalige technologische middelen niet verholpen konden worden.

Het is een bijzonder rigide systeem, ontworpen voor massaproductie, waarvan de rentabiliteit vooral ligt in de schaalvoordelen. Dit brengt bevriezing mee van grote massa’s ‘dood’ kapitaal in stockeringsfases. Toevoerproducten en afgewerkte producten moeten in grote hoeveelheden en soms gedurende lange tijd worden opgeslagen Het overschakelen naar nieuwe producten of productievarianten vraagt een omslachtige ombouwing van de productieketen. Er is met andere woorden een groot verlies van rendement op het constant en het circulerende kapitaal.

Het taylorisme/fordisme is bovendien bron van demotivatie bij de arbeiders, hoog absenteïsme en veel conflicten. Het zijn de twee terreinen waarop de nieuwe productiemethodes, zonder te raken aan de productieverhoudingen, een antwoord proberen te bieden. Het hoofdkenmerk van het productiesysteem wordt haar flexibiliteit.

p. 86

222 bis.
Meerwaarde, meerwaardemassa, meerwaardevoet, absolute en relatieve meerwaarde

De meerwaarde.

Bezitters van kapitaal kopen de arbeidskracht van de arbeiders in ruil voor een bepaald bedrag waarvan de waarde kleiner is dan de waarde die door de arbeidskracht wordt voortgebracht. Het verschil is de meerwaarde en wordt door de kapitalist (als klasse) op zak gestoken. Hij kan het gebruiken voor consumptie, belegging of herinvestering. In dit laatste geval is er kapitaalaccumulatie.

Voor de kapitalist is zowel de meerwaardemassa als de meerwaardevoet van belang. De kapitalistenklasse als geheel is vooral geïnteresseerd in de meerwaardemassa, de individuele kapitalist in de meerwaardevoet.

De meerwaardemassa is de globale som van geproduceerde meerwaarde. De meerwaardemassa kan op twee wijzen verhoogd worden:

1o Door extensieve uitbreiding of accumulatie: door expansie van de productieschaal en door uitbreiding van het aantal loonarbeiders. Schematisch kunnen we stellen dat in de meeste kapitalistische landen tussen de eerste industriële revolutie en de Eerste Wereldoorlog het kapitalisme hoofdzakelijk is gegroeid door extensieve accumulatie. In het begin van de twintigste eeuw waren er 80 à 90 miljoen loonarbeiders, vandaag zijn er 500 miljoen in de kapitalistische landen (vóór de ineenstorting van de Oostblokregimes).

2o Door intensieve aanwending van de techniek of intensieve accumulatie: door opdrijving van de productiviteit en door een hogere kapitaalintensiteit in het bestaande uitbuitingsveld. Opdat hierdoor een grotere meerwaardemassa zou tot stand komen, moet de meerwaardevoet stijgen.

De meerwaardevoet is de verhouding tussen de geproduceerde meerwaarde en de uitbetaalde lonen. Hij geeft dus de verhouding aan tussen het deel van de dag dat de arbeider gratis voor de kapitalist werkt en het deel dat hij voor zijn loon werkt. De meerwaardevoet bepaalt met andere woorden de uitbuitingsgraad.

De meerwaardevoet kan op twee manieren verhoogd worden:

1o Door het deel van de meerwaarde te doen stijgen, dit is door verhoging van de absolute meerwaarde. Dit kan door verlenging van de arbeidsdag bij gelijkblijvend loon. Dit is op dit ogenblik p. 87alleen een theoretische mogelijkheid. Maar hetzelfde effect wordt bereikt door intensere arbeid of meer complexe arbeid te laten verrichten zonder een proportionele aanpassing van het loon. Dit gebeurt op grote schaal in de nieuwe productiemethodes.

2o Door het relatieve aandeel van het loon te doen dalen, dit is door verhoging van de relatieve meerwaarde. Dit kan door een opdrijving van de productiviteit. Door invoering van meer productieve arbeidsmethodes in de sector van de consumptiegoederen, daalt de waarde van de arbeidskracht (de arbeidstijd die nodig is om het equivalent van de levensnoodzakelijke goederen en diensten te produceren) en stijgt de relatieve meerwaarde. De arbeidstijd kan op die manier verkorten, terwijl de relatieve meerwaarde gelijk blijft of toeneemt (het deel van de dag dat de arbeider gratis voor de kapitalist werkt).

De wetenschappelijk-technologische revolutie betekent voor het monopoliekapitaal een intensievere uitbuiting en een uitbuiting van gekwalificeerde arbeidskracht. Door een hoog arbeidstempo en een stijging van het aandeel van complexe arbeid wordt er een grotere massa waarde en dus meerwaarde geschapen. De massa meerwaarde en de meerwaardevoet stijgen, want de inzet van variabel kapitaal stijgt niet in dezelfde mate als de mogelijkheid om door complexe arbeid meer waarde te creëren.

Notes
3.
De syndicale macht van deze hooggekwalificeerde arbeidskrachten (waaraan een nijpend tekort bestond) werd daardoor gebroken. Grote massa’s laaggeschoolde immigranten uit West- en Oost-Europa konden in de productie worden ingeschakeld. Tussen 1860 en 1920 emigreerden 28,5 miljoen personen naar de VS, evenveel als de totale bevolking in 1850.
4.
John Bellamy Foster, “Le fordisme: Mythes et réalités”, in Problèmes économiques, 5 oktober 1988. (“The Fetish of Fordism”, Monthly Review, vol. 39, nr. 10 (maart 1988), pp. 14-33.)
Up: 22. De patronale aanwending van de nieuwe technologie Previous: 221. Crisis en nieuwe technologie Next: 223. Nieuwe technologie en nieuwe organisatievormen