Dominique Meeùs

Dernière modification le   

retour à la table des matièresau dossier marxisme

134.
Steun aan het ‘dynamische kapitalisme’

Een ander bezwaar van de vakbondsleiders tegen een concurrentienorm is dat structurele elementen, zoals de aard van de producten, de technologie en innovatie, de kwaliteit van het management … veel zwaarder doorwegen op de markten dan de andere factoren. Met andere woorden: de vakbondsleiding verwijt het patronaat een fundamenteel gebrek aan dynamisme. De vakbondsleiding meent dat het Belgische kapitalisme te veel op zijn lauweren rust, te weinig investeert in onderzoek en nieuwe technologie, gemakkelijk profijt nastreeft door geldbelegging en speculatie in plaats van risico te nemen. Het verwijt is sinds de crisis in alle scherpte naar voor gekomen maar is niet nieuw. In 1954-1956 was het de hoofdteneur van de ABVV-congressen over structuurhervormingen. De veroudering van de Belgische industrie, haar gebrek aan productiviteit en haar gebrek aan specialisering in de hoogtechnologische sectoren, wordt toegeschreven aan de financiële oriëntatie van de controlerende holdings (de Generale Maatschappij in het bijzonder). De kritiek wordt in alle hevigheid hernomen wanneer de staal- en scheepsbouwcrisis toeslaat vanaf 1975-1977. De holdings zijn niet dynamisch, zijn alleen uit op direct rendement en niet op toekomstgerichte investeringen luidt het. De holdings hebben geen industriële politiek maar zijn alleen geïnteresseerd in de dividenden. De holdings laten de streek vallen om naar interessantere gewesten te trekken.

Wanneer De Benedetti begin 1988 opduikt, is de verwachting bij vele vakbondsleiders dan ook hoog gespannen. Eindelijk een dynamische kapitalist die het Belgische establishment wakker schudt. De posities die ingenomen worden, variëren van ‘het kan nooit slechter zijn’ tot nauwelijks verholen enthousiasme. Voor Jean Gayetot (secretaris Waalse Intergewestelijke) is Carlo De Benedetti “ongetwijfeld het symbool van een geëngageerder kapitalisme, een dynamischer kapitalisme” en heeft hij een “niet te verwaarlozen pluspunt”.35 In een gemeenschappelijke verklaring p. 66van ACV en ABVV wordt officieel geen kamp gekozen maar wordt aan beide partijen gevraagd een ‘gedurfd industrieel kapitalisme’ aan de dag te leggen.

Heel veel van de federalistische ijver van de vakbondsleiding (vooral in Wallonië) wordt eveneens vanuit deze optiek bepaald. De eigen regionale industrie zou veel dynamischer zijn dan de vermolmde nationale holdings. Of een dynamische politiek van de gewestelijke instellingen zou nieuw leven inblazen in de plaatselijke kmo’s. De analyse gaat zover dat vele vakbondsleiders een structurele opsplitsing gaan maken tussen financieel en industrieel kapitaal. Financieel kapitaal zou van nature het kortetermijnrendement zoeken en parasitair zijn, terwijl het industrieel kapitaal op lange termijn denkt en ondersteund moet worden. De vakbondsleiding kiest dus tussen ‘goede’ en ‘slechte’ patroons. De industriële politiek van nationale en gewestregering moet dan voordelen toekennen aan de ‘goede’ patroons.

Notes
35.
Radiokroniek RTBF, 9 februari 1988.