Bibliographie générale

WIKINDX Resources

Blondeau, R. A. (1991). Wetenschap in de taal der vlamingen: Vanaf jacob van maerlant tot de stichting van de akademiën. Gand: Reinaert — Het Volk n.v. 
Added by: Dominique Meeùs (2012-05-01 22:23:15)   
Resource type: Book
ID no. (ISBN etc.): ISBN : 90-6334-385-X
BibTeX citation key: Blondeau1991
View all bibliographic details
Categories: Histoire, Sciences
Keywords: néerlandais, Stevin, Yperman
Creators: Blondeau
Publisher: Reinaert — Het Volk n.v. (Gand)
Views: 3/1912
Views index: 58%
Popularity index: 14.5%
Notes
On écrit aujourd’hui cultuur et didactiek, par exemple. De 1954 à 1996, il y avait pour certains mots en néerlandais une orthographe préférentielle (voorkeurspelling) et une orthographe alternative, surtout quant à l’usage de c et de k.
Added by: Dominique Meeùs  Last edited by: Dominique Meeùs
Quotes
p.18   Die geschriften in de taal van het volk, zijn ontstaan uit de kultuurbehoeften van het nakende „Herfsttij der Middeleeuwen”. Op sociaal-ekonomisch vlak hadden we toen eigenlijk al de middeleeuwen verlaten. Dank zij onze ligging tussen Frankrijk, Engeland en Duitsland werden onze gewesten het grootste pakhuis voor het intenser wordende handelsverkeer in het noordelijke deel van West-Europa. De ridderstand die eeuwenlang de bovenlaag van de maatschappij had gevormd, was verdrongen door de koopmansgeslachten, het z.g. patriciaat, met de ambachten en neringen als tweede stem in het kapittel. De burgerij had haar plaats ingenomen in het maatschappelijke bestel. Uit de feodaliteit waren nieuwe politieke entiteiten ontstaan. De idee van het ene universele rijk — de droom van eerzuchtige vorsten — was al lang verbleekt en had plaats gemaakt voor een groeiend nationaal bewustzijn. Vlaanderens strijd om zijn zelfstandigheid op het einde van de 13e en het begin van de 14e eeuw — met de Guldensporenslag als hoogtepunt — was hiervan de uiting.
     In de literatuur vond dat zijn uitdrukking in het gebruik van het vulgare, de volkstaal. Bestond de volkse literatuur aanvankelijk uit ridderromans, geestelijke verhalen en dierenverhalen, de burgerlijke geest was leergierig en de z.g. kunst van de didaktiek deed haar intrede.   Added by: Dominique Meeùs
Keywords:   bataille de la Toison d’Or bourgeoisie commerce Flandre marchand néerlandais
p.23   Rond de tijd dat Jacob van Maerlant zich te Damme kwam vestigen, kwam er een keerpunt in zijn literaire produktie. Waren zijn oudste werken hoofse ridderromans, waarvoor hij putte uit Franse werken, nu scheen hij genoeg te krijgen van de verzonnen avonturen en van die „scone walsche valsche poeten Die meer rimen dan si weten”. Hij zou voortaan schrijven voor de nuchtere burgerij, die „nutscap ende waer” op prijs stelde. Rond 1270 voltooide hij Der Naturen Bloeme‚ een berijmde encyklopedie in dertien delen met in totaal (de proloog inbegrepen) 16 667 versregels‚ grotendeels naar het Latijnse werk De Natura Rerum van de Brabantse dominikaan Thomas van Cantimpré (onderprior te Leuven)‚ al heeft hij wel meerdere handschriften geraadpleegd.   Added by: Dominique Meeùs
Keywords:   van Maerlant De Natura Rerum Der Naturen Bloeme encyclopédie Jacob van Maerlant néerlandais Thomas van Cantimpré
pp.29-33   In 1818 wist de Gentse kunstkenner, bibliofiel en toenmalige vaste sekretaris van de heropgerichte Akademie voor Wetenschappen en Letteren, Karel van Hulthem (1764-1832), uit de verzameling van de Londense boekenliefhebber Fìichard Heber, een in het Middelnederlands gestelde bundel handschriften op te kopen.

[…]

     Wat de inhoud betreft, zegt [Jan-Frans] Willems dat het een vrij volledige verzameling is van stukken die betrekking hebben op de natuur- en geneeskunde van ’s menschen lichaam, te beginnen met de invloed van sterren en planeten, om te eindigen met de anatomie en de heelkunst. Hij gaf de verzameling de titel Aloude belgische natuerkunde van den mensch, in de dertiende en veertiende eeuw.

     Beknopt samengevat bestaat de inhoud van deze bundel uit :
1.  Blad 1 recto tot 6 recto : Natuurkunde van het Geheel-al;
2.  Blad 6 verso tot blad 8 verso : Recepten van waters en oliën;
3.  Blad 9 recto tot 21 verso : Antidotarium Nicolai;
4.  Blad 22 recto tot 28 recto : Leering van Orinen;
5.  Blad 28 verso tot 45 verso : De Geneeskunde van Avicenna;
6.  Blad 46 recto tot 47 recto : Die nature ende maniere van alle lieden;
7.  Blad 47 verso en 48 recto : Gelaatkunde;
8.  Blad 48 recto tot 51 verso : Leering van Orinen (andere versie);
9.  Blad 52 recto tot 53 verso : De 24 tekenen des doods + Latijnse recepten;
10. Blad 54 recto tot 73 recto : Boec der Medicina van Jan Yperman; Blad 73 verso : blanco;
11. Blad 74 recto en 75 recto: Uittreksel uit Van Maerlants Hemelijchede der hemelijcheit;
12. Blad 75 verso tot 77 recto: Uittreksel uit Van Maerlants Naturenbloeme;
13. Blad 77 verso tot 85 recto : Heimelijcheit van Mannen en Vrouwen;
14. Blad 85 recto tot 88 verso : Chiromantie;
15. Blad 89 recto en verso : Gedicht van Geestelijke minne; Blad 90 recto en verso : blanco;
16. Blad 91 recto tot 107 recto : Herbarijs
17. Blad 107 recto tot 147 verso : Cyrurgie van Jan Yperman.   Added by: Dominique Meeùs
Keywords:   Jehan Yperman Avicenne Jan Yperman Jan-Frans Willems Karel van Hulthem manuscrit van Maerlant Yperman
pp.49-53   De Cyrurgie
     We hebben hierboven de Cyrurgie van Jehan Yperman omstreeks 1310 gedateerd. Absolute zekerheid hebben we daarover echter niet, we steunen alleen maar op een mededeling van een kopiïst, maar het kan ook van iets latere datum zijn. In elk geval is het van na 1305, want er wordt een werk in aangehaald van Bernardus van Gordon, Lilium medicinae, dat in of na 1305 geschreven werd.
     Dat Yperman een goede vorming had genoten en het Latijn machtig was blijkt uit de aanhef van de nog bestaande handschriften, waarin vermeld is dat het werk opgemaakt is aan de hand van Latijnse schrijvers en tevens steunt op eigen ervaring, uten latine ende uten syn selves verstandenisse. Yperman schreef dit werk in de volkstaal, niet om een revolutionaire of volksnationale daad te stellen, maar uitsluitend ten behoeve van zijn zoon.
     Dat dit werk in de volkstaal — in een tijd waarin wetenschap gepubliceerd en gekommentarieerd werd in het Latijn — bij de geleerde doctoren geen appreciatie ondervond is duidelijk. En omdat demokratizering leidde tot provincialisme, kreeg het ook geen grote verspreiding, maar dat was de bedoeling niet. Toch moet het werk meerdere malen afgeschreven zijn, anders zou men in de 19e eeuw er geen vier kopieën van weergevonden hebben. In acht genomen dat er tussen de oudste en jongste van die vier handschriften twee eeuwen liggen, mogen we gerust veronderstellen dat het werk gedurende lange tijd door niet in het Latijn geschoolde heelmeesters werd op prijs gesteld.
     Bovendien werden op diverse tijdstippen delen van de Cyrurgie in het Frans, het Duits en het Engels vertaald. Nog in 1969 kwam er een Italiaanse vertaling door Mario Tabanelli, zij het uiteraard niet meer om zijn huidige wetenschappelijke waarde, maar in een medisch-historische reeks, waarin bij voorkeur chirurgische geschriften uit de oudheid en de middeleeuwen worden uitgegeven.
     Niettegenstaande Yperman zich in zijn werk beroept op Avicenna, Galenos, Lanfranco van Milaan en Hugo van Lucca, en samengestelde recepten aanbeveelt die ontleend zijn aan Dioskorides, Galenos, ibn Mesuë, Nicolaas’ Antidotarium, Platearius’ Circa instans en het z.g. Macer Floridus — niemand is immers in staat wetenschap te systematizeren uitsluitend met eigen vindingen — is het toch geen kompilatiewerk, noch een boek dat alleen maar steunt op autoriteitsgeloof. Zonder de traditionele wetenschap over boord te gooien, legt het voornamelijk de nadruk op hetgene in de praktijk zijn deugdelijkheid had bewezen.
     Het is ook een heel ander boek dan dit van Jacob van Maerlant. Het is geen bellettrie en het is niet in verzen geschreven. Het is het oudst bekende technisch-wetenschappelijke werk in onze taal, meer bepaald in het Westvlaams‚ met uitgesproken pedagogische eigenschappen. Het brengt een direkte medische scholing.
     Dat het een werk was van veel hoger wetenschappelijke waarde dan Der Naturen Bloeme heeft Jan-Frans Willems, die Ypermans boek het eerst onder ogen had, waarschijnlijk niet gezien, maar Carolus, die het werk als medicus had bestudeerd, heeft dit wel opgemerkt. Hij vond er namelijk metoden beschreven, die hij van veel jongere datum waande, zoals het toesnoeren van bloedvaten. Ook werd er een wijze van wondbehandeling aanbevolen, die men nooit in de middeleeuwen zou hebben vermoed, terwijl er operaties werden beschreven, die men meende tot de moderne heelkundige technieken te moeten rekenen. Zo kwam het dat Carolus — en waarschijnlijk niet ten onrechte — meende dat met Yperman de evolutie van de heelkunde pas goed bij ons op gang was gekomen en daarom noemde hij hem, gezien de taal waarin hij schreef : „de vader van de Vlaamse heelkunde”.
     Yperman streefde er naar de heelkunde uit de handen van onbevoegden te halen, om haar de plaats te geven die haar toekwam, in een tijd waarin de geleerde doctoren de uitoefening ervan beneden hun waardigheid achtten. Hij verkondigde de overtuiging dat alleen een grondige kennis van de natuur tot hogere medische inzichten kon leiden en verzette zich tegen charlatanerie en bijgeloof. Hij geeft diëtische en hygiënische voorschriften die grotendeels door de medici worden onderschreven en zijn apoteek bevatte zeer efficiënte middelen.
     Toch was Yperman een kind van zijn tijd. Hij was de leer van de humoren toegedaan en we vinden veel bij hem terug wat aan de Grieken en de Arabieren herinnert, terwijl ook nog het omnivalente aderlaten en de drekterapie bij hem een voorname rol speelden.
     Yperman was tenslotte van mening dat een chirurgijn, een heelkundige, ook een goede geneeskundige moet zijn, die inzicht heeft in de interne geneeskunde.

De Medicina
     Dat hij zelf een integrale arts was heeft hij bewezen door een tweede medisch-pedagogisch werk te schrijven over de interne geneeskunde : Medicina, dat de tiende verhandeling is van de Van Hulthemse bundel.
     In 1867 werd, zoals we gezien hebben, deze verhandeling, voorafge- gaan van kommentaar, gepubliceerd door C. Broeckx onder de titel : Traité de Médecine Pratique de Maître Jehan Yperman, Médecin Belge (XIIIe-XIVe siècle) publié pour la première fois d’après la copie flamande de la Bibliothèque Royale de Bruxelles. Maar we hebben ook gezegd dat Snellaert, die zelf medicus was en kenner van het Middelnederlands hierover niet tevreden was, omdat hij weer kon wijzen op een groot aantal fouten. ln 1972 werd een nieuwe tekstuitgave verzorgd door prof. Leo Elaut.
     De Medicina, een werk van dezelfde stijl en woordkeuze als de Cyrurgie, is ongetwijfeld met dezelfde bedoeling geschreven, tot voorlichting van zijn zoon, die waarschijnlijk minder onderlegd was in het Latijn dan zijn vader — bij het aan belang winnen van de volkstaal verminderde inderdaad de kennis van het Latijn — en die hij een geschreven praktische begeleiding wilde ter hand stellen.
     Dit tweede werk van Yperman is een verzameling ziektesyndromen, waarmee de arts in de praktijk werd gekonfronteerd. Het handelt over koorts, waterzucht, de verkoudheid, geelzucht, longtering, zenuwsyndromen, waanzin, beroerte, epilepsie, hoofdpijn, neusbloeding, pijnlijke keel, hoest, ademnood, longzwering, bloedspuwing, etterspuwing, geeuwhonger, braken, maag- en darmkrampen, darmwormen, diarree en buikloop, het leverabces, harde milt, nierpijn, het nierabces, bloedwateren, urineverlies, urineretentie‚ graveel en zaadvloeiing.
     Hieromtrent worden geen nieuwe teorieën verkondigd. Het werk geeft slechts een gedeeltelijke, zij het persoonlijke visie op deze ziekten. Wat hij aan anderen ontleent vermeldt hij met de naam van de auteur, al laat hij niet na er soms zijn persoonlijke mening tegenover te plaatsen.
     Waren er in Vlaanderen nog andere heelkundigen met dezelfde bevoegdheid als Jehan Yperman ? Misschien wel ! Maar Yperman heeft een handschrift nagelaten waarin van zijn kennis is blijk gegeven. Was hetgene Yperman overdroeg aan zijn zoon de normale wetenschap van de geschoolde heelkundige uit die tijd ? Of was hij werkelijk een uitblinker en verdient hij terecht de titel van „vader van de Vlaamse heelkunde” ? Uit de vergelijking met een ander handschrift van een 14e eeuws chirurgijn, Thomas Scellinck van Tienen, zijn we geneigd de vraag bevestigend te beantwoorden.   Added by: Dominique Meeùs
Keywords:   Cyrurgie Galien Jan-Frans Willems Jehan Yperman médecine expérimentale saignée Thomas Scellinck van Tienen Yperman
p.108   Simon Stevin van Brugge
     Adolphe Quetelet (1796-1874), de stichter en eerste direkteur van de Belgische sterrenwacht te Brussel‚ vertelde in zijn Belges illustres (1844), hoe hij de grote Franse astronoom Francois Arago, bij diens terugkeer van een vakantieverblijf aan de boorden van de Rijn, in september 1837, begeleidde bij een bezoek aan de aula van de Gentse universiteit. Arago sprak er zijn ontgoocheling over uit dat die schone zaal niet versierd was met de beelden van Belgische beroemdheden op het gebied van kunsten en wetenschappen. Als Quetelet de vraag stelde welke Belg de wiskundige wetenschappen zou kunnen vertegenwoordigen, antwoordde Arago zonder aarzelen : „Simon Stevin, de ware grondlegger van een van de schoonste ontdekkingen, die gewoonlijk aan Pascal wordt toegeschreven !”   Added by: Dominique Meeùs
Keywords:   Adolphe Quetelet Arago Francois Arago Pascal Quetelet Simon Stevin Stevin
pp.110-111   In 1582 liet Stevin zijn Tafelen van Interest, Midtsgaders De Constructie derselver, ghecalculeert Door Simon Stevin Brugghelinck, verschijnen bij meester-drukker Christoffel Plantijn te Antwerpen. Ten behoeve van een ruim publiek was dit in de volkstaal opgesteld. Een werkje dat ongetwijfeld sukses heeft gekend, want interestberekening gebeurde voordien altijd in het geheim en behoorde tot de moeilijke merkantiele problemen waarvoor geen officiële opleiding bestond. Zelfs in de, op de universiteit gedoceerde matematika, was er van interestberekening geen sprake, niet alleen wegens de afstand tussen handel en weten- schap, maar omdat interest onder het woekerverbod van de Kerk viel en tot de praktijken van joden en Lombarden behoorde. Hoewel Stevin de principes van de interestberekening gevonden had in het werk van de Franse rekenmeester Jean Trenchant (zes uitgaven van 1558 tot 1578) was hij bij het samenstellen van zijn tabellen volledig op zichzelf aangewezen, waardoor er meerdere fouten waren ingeslopen‚ die hij achteraf in de Franse vertaling rektificeerde.
     De stad Leiden was ter beloning van haar heldhaftige verdediging tegen de Spanjaarden, in 1575 begiftigd met een Universiteit, die moest voorzien in de vervanging van de katolieke universiteiten van Leuven en Parijs, waarmee het kontakt was verbroken. In deze nieuwe instelling van hoger onderwijs, die niet doortrokken was van de scholastieke traditie van de oude centra van geleerdheid, kreeg het onderzoek en het experiment een unieke plaats. Daar liet Simon Stevin zich op 16 februari 1583 als student inschrijven. Hij was toen 35 jaar !
     Wat Stevin daar heeft gestudeerd of gepresteerd weten we niet, maar uit zijn publikaties van de volgende jaren blijkt dat hij er hard heeft gewerkt, al moest hij in zijn onderhoud voorzien door het bijhouden van koopmansboeken.
     Wel moet hij, nog vóór hij aan de universiteit ging studeren, zich terdege op wiskunde hebben toegelegd, want nog in 1583 verscheen van hem een origineel in het Latijn gesteld traktaat over ingewikkelde meetkundige vraagstukken, dat alleszins geen amateurswerk was, Problematum Geometricorum. Twee jaar later (1585) publiceerde hij De Thiende Leerende door onghehoorde lichticheyt allen rekeningen onder den Menschen noodich vallende, afveerdighen door heele ghetalen sonder ghebrokenen, een baanbrekende verhandeling, die tegelijkertijd in het Nederlands en het Frans (La disme) verscheen, waarin het rekenen met tiendelige breuken werd aanbevolen en volledig was uitgewerkt. Weliswaar was hij niet de uitvinder van de tiendelige breuken — het principe was reeds ontworpen in de 15e eeuw door Regiomontanus (Johan Müller uit Koningsbergen) — maar met zijn boekje heeft Stevin ze in rekenkundige bewerkingen leren gebruiken en toepassen, al was zijn voorstelling niet deze met het aanbrengen van een komma, zoals dat nu het geval is. Tevens verdedigde hij de invoering van een decimaal stelsel van maten en gewichten ter vervanging van de bestaande verscheidenheid die een hinder vormde voor handel en nijverheid. Maar het zou nog twee eeuwen duren vooraleer deze opvatting, met het metriek stelsel, geleidelijk in de praktijk haar toepassing zou vinden. Stevin schreef bovendien, in het Frans, een Arithmétique (1585), waarin voornamelijk de algebra hernieuwd en vereenvoudigd werd, door het gebruik van een nauwkeuriger taal en het invoeren van nieuwe tekens, die de huidige algebraïsche schrijfwijze zeer benaderde.   Added by: Dominique Meeùs
Keywords:   commerce industrie système métrique Johan Müller Regiomontanus décimale fraction décimale Leiden université de Leiden recherche scientifique science expérimentale Christoffel Plantijn langue vulgaire néerlandais Plantin Simon Stevin Stevin
pp.111-113   Wonder en is gheen wonder
     De belangrijkste ontdekkingen van Stevin liggen niet op het gebied van de wiskunde, maar op dat van de mechanika, waarover hij in 1586 drie kleine deeltjes publiceerde te Leiden „Inde Druckerye van Christoffel Plantijn, By François van Raphelingen” :
     De Beghinselen der Weeghconst
     De Weeghdaet
     De Beghinselen des Waterwichts.
     Het zijn boekjes die de grondslag vormen van de moderne statika en hydrostatika, waaraan sedert Archimedes niets meer was toegevoegd, en die in 1608, samen met andere verhandelingen gebundeld zijn in Wisconstige Gedachtenissen. Hetzelfde jaar nog verscheen er een Latijnse vertaling van, Hypomnemata Mathematica, door Willebrordus Snellius en een Franse van Jean Tuning.
     ln de eerste twee delen behandelde hij de statika : het evenwicht van de lichamen, speciaal het evenwicht op het hellend vlak ; het zwaartepunt bij vlakke figuren en vaste lichamen; de hefboom en de balans. Bij de studie van het hellend vlak ontdekte hij het beroemd krachtenparallellogram. Zijn oplossing van het vraagstuk van de samenstelling van de krachten was zo behendig en eenvoudig afgeleid van het evenwicht op het hellend vlak, dat hij voortaan als een soort wapenschild boven zijn werk, de „clootkrans” op een hellend vlak, liet prijken en er volgende spreuk aan toevoegde : Wonder en is gheen wonder, bijna als blijk van zijn verbazing omdat de wonderen van de natuur binnen het menselijke begripsvermogen liggen.
     In het derde deel besprak hij de hydrostatika en formuleerde er, ten eerste : de hydrostatische paradoks, die zegt dat de druk op de bodem van een vat niet afhangt van de vorm van het vat, wat op het eerste zicht inderdaad paradoksaal voorkomt; ten tweede, het beginsel van de gelijkmatigheid van de druk in alle richtingen, meestal aangeduid als „beginsel van Pascal”, maar dat eigenlijk voor het eerst door Stevin werd ontdekt, al moeten we eraan toevoegen dat het Pascal was die in zijn Traité de l’équilibre des liqueurs (1663), deze fundamentele principes in de systematizering van de hydrostatika verwerkte.
     Hoewel zijn werkjes over mechanika niet handelen over dynamika, heeft Stevin zich toch toegelegd op de studie van de beweging. Omstreeks 1585, zou hij met J.C. de Groot, burgemeester van Delft, aldaar op een gebouw geklommen zijn, dertig voet hoog, en van daaruit lieten zij tegelijkertijd twee loden bollen van zeer onderscheiden grootte en gewicht naar beneden ploffen, op een plank aan de voet van het gebouw. Uit de vaststelling dat zij slechts één plof hoorden was af te leiden dat de snelheid bij vallende voorwerpen niet evenredig was met de massa, wat Aristoteles nochtans had geleerd, en wat men eeuwenlang op zijn gezag had aangenomen.
     Op het gebied van de teoretische natuurkunde heeft Stevin ook wel een en ander gepresteerd, b.v. inzake optika en perspektief, maar van 1586 af is hij voornamelijk de weg opgegaan van de toegepaste wetenschap. Toch dienen nog zijn verhandelingen over kosmografie en geografie vermeld, wegens enkele merkwaardigheden. Stevin was nl. een verdediger van het heliocentrische wereldstelsel van Copernicus, dat toen door vele geleerden als een absurditeit werd beschouwd, en dat stelsel heeft hij zelfs gedeeltelijk verbeterd. ln zijn geografie formuleerde hij de teorie van ebbe en vloed en dacht hierbij aan de invloed van de maan, terwijl hij tevens een praktische metode verstrekte voor plaatsbepaling op zee.
     Reeds in 1586 verkreeg hij een oktrooi voor een verbeterd type watermolen waarvan hij er achteraf in overheidsopdracht een aantal heeft gebouwd, terwijl in 1589 de Staten-Generaal hem negen brevetten toekende voor allerlei mechanische werktuigen.
     Tijdens zijn verblijf aan de universiteit te Leiden had Stevin er de jonge prins Maurits, zoon van de Zwijger, leren kennen. Naar men vermoedt zou de prins soms beroep op hem gedaan hebben bij bepaalde moeilijkheden inzake matematika. Toen Maurits stadhouder van Holland en Zeeland was geworden, zou hij volledig beslag leggen op het vernuft en de werkkracht van Stevin ten behoeve van ’s lands waterstaat, de defensie en ook voor het beheer van de prinselijke domeinen. Vanaf 1593 voerde Stevin dan ook geregeld opdrachten uit voor het leger, en in 1603 kreeg hij de officiële titel van kwartiermeester.
     Lange tijd is Stevin bijna uitsluitend bekend gebleven als de schepper van de wonderbaarlijke en populaire zeilwagen, die op bevel van prins Maurits, waarschijnlijk einde 1600 of begin 1601, werd vervaardigd en die beladen met achtentwintig adellijke heren van Maurits’ hofhouding, in twee uren van Scheveningen naar Petten, 80 km ver, op het Noordzeestrand zeilde. Deze demonstratie maakte dusdanige ophef dat de Franse geleerde Nicolas Claude Fabri de Peiresc, toen die in 1606 Nederland bezocht, speciaal naar Scheveningen trok om die zeilwagen te zien.
     Stevin, die zijn carrière als boekhouder was begonnen, schreef meerdere verhandelingen over het bijhouden van koopmansboeken, maar hij schreef ook Vorstelicke Bouckhouding op Italiaensche Wijse, die in het Frans vertaald, opgenomen werd in de Memoires Mathématiques (Stevin-Tuning, 1608), onder de titel, Livre De Compte De Prince À la manière D’Italie. Het is een soort handboek voor de staatsboekhouding, steunende op de toen in zwang komende dubbele koopmansboekhouding, die van Venetiaanse oorsprong zou zijn. De hertog van Sully, minister van financiën van Hendrik IV, kreeg van Stevin een Franse uitgave, met een opdracht. Voorzeker heeft Sully hiervan gebruik kunnen maken om de koninklijke financiën te ordenen, die nogal gehavend waren tengevolge van wanbeheer en oorlogsuitgaven.
     Stevin die nog bedrijvig was op het gebied van de vestingbouw, stedenbouwkunde en urbanizatie, is op bijna zestigjarige leeftijd, in het huwelijk getreden met de veel jongere Catharina Krai, die na zijn dood in 1620, overbleef met vier jonge kinderen.   Added by: Dominique Meeùs
Keywords:   fortification urbanisme Sully comptabilité en partie double comptabilité Fabri de Peiresc Nicolas Claude Fabri de Peiresc position en mer détermination de la position en mer mesure de la position en mer moulin à eau char à voiles centre de gravité Christoffel Plantijn chute des corps Copernic cosmographie dynamique géographie héliocentrisme hydrostatique intelligibilté de la nature mécanique optique parallélogramme des forces Plantin pression principe de Pascal Simon Stevin statique Stevin théorie des marées
pp.115-117   Weerdicheyt der Duytsche Tael
     Stevin is niet uit principiële overtuiging een voorstander en een onvermoeibare verdediger geweest van zijn moedertaal, maar dit is geleidelijk tot stand gekomen omdat hij als man van de toegepaste wetenschap, meer te doen had met Latijn- en Grieksonkundigen, met mensen uit de praktijk, dan met geschoolde denkers.
     Hoewel zijn eerste werkje, Tafelen van Interest (1582), reeds in de volkstaal werd geschreven — omdat handelaars en rekenplichtigen geen wetenschapsmensen waren —, toch maakte hij hier nog overvloedig gebruik van vreemde woorden, voorzeker omdat hij dacht dat bepaalde termen die konden afgeleid worden uit de volkstaal, minder zouden begrepen worden, ofwel omdat hij hiervoor nog onvoldoende was gemotiveerd. Zijn volgend werk, Problematum Geometricorum (1583), was bovendien volledig in het Latijn geschreven. Op dit gebied moet er zich echter in de volgende jaren een ommekeer voltrokken hebben.
     Op aandringen van „vrienden en landgenoten”, en omdat hij vastgesteld had dat velen door het lezen van boeken zich wisten te bekwamen in de Arithmetika, de Algebra, de Geometrie en de Astronomie, maar dit niemand tot de Conste der Dialectiken had gebracht, en hij de oorzaak hiervan meende te vinden in het ontbreken van een werkje hierover in „onse Neerduytsche Tale”, zorgde hij zelf voor een dergelijke handleiding : Dialectike ofte Bewijs-const (1585), „een schoolse uiteenzetting van de redeneerkunst”. Daarin deed hij een bijzondere poging om zoveel als mogelijk termen uit de volkstaal te gebruiken, en hij stelde voor arithmetika te vervangen door telconst, geometrie door meetconst, musike door singconst, grammatika door letterconst, dialectike door bewijsconst, enz. Toch slaagde hij er niet in vreemde of bastaardwoorden volledig te weren, uit vrees niet begrepen te worden, maar aan het slot van de uiteenzetting gaf hij een lijst van zeven bladzijden, waarin zijn Nederlandse vertaling naast de Latijnse termen kwamen te staan.
     In dit werkje komt bij wijze van voorbeeld een „corte Dialectikelicke t’Samenspraeck” voor, tussen Jan en Pieter, waarin de bruikbaarheid van de Nederduytsche Tale bij de redeneerkunst wordt besproken. Het betoog was voornamelijk gesteund op het groot aantal eenlettergrepige woorden die veel samenstellingen toelieten.
     Nog hetzelfde jaar (1585) verscheen De Thiende, waarin hij een werk over sterrenkunde in het vooruitzicht stelt dat zal geschreven worden „in onse Duytsche Tale, dat is inde aldercierlicste alderrijckste, ende aldervolmaeckste Spraecke der Spraecken, van wiens groote besonderheydt wy cortelick noch al veel breeder ende seeckerder betooch verwachten, dan Pieter ende Ian daer af ghedaen hebben inde Bewijsconst ofte Dialectike onlancx uytghegheven”. Het „breeder en seeckerder betooch" inzake de „Duytsche Tale” verscheen reeds het jaar daarop als inleiding van het werkje Beghinselen der Weeghconst en draagt als titel Uytspraeck vande Weerdicheyt der Duytsche Tael. Daarin gaat hij grondig na waarom zijn moedertaal alle eer waard is. Ten eerste, wegens haar oudheid en ten tweede om haar bijzondere struktuur, en hier bedoelt hij weer de vele eenlettergrepige woorden die in de „Duytsche Tael” veel talrijker voorkomen dan in het Latijn en het Grieks. Wat hij aantoont met een lijst van de „duytsche” éénsillabige woorden, 742 werkwoorden en 1 428 naamwoorden, met de Latijnse en Franse vertaling er naast.
     Het belangrijkste is evenwel dat Stevin, toen er nog geen Nederlandse wetenschappelijke terminologie bestond, zelf woorden moest kreëren om de bastaardwoorden te weren. Vele van de door hem gevormde uitdrukkingen zijn naderhand in het Nederlandse taaleigen opgenomen, soms wel lichtelijk gewijzigd. Woorden zoals wiskunde, raaklijn, snijlijn, omtrek, middelpunt, evenwijdig, evenaar, evenredig, en vele andere, zijn van hem afkomstig.
     De pogingen die in Vlaanderen waren ondernomen om de eigen taal te verheffen, waren in het Noorden gevolgd, met mensen als de dichter Dirk V. Coornhert (1522-1590) en de bijdrage van Stevin is hier van uitzonderlijke betekenis geweest.
     Hoewel Stevin aan de Leidse universiteit had gestudeerd, en er meerdere professoren tot zijn vriendenkring behoorden ; hoewel men daar de beste krachten uit het meer gekultiveerde Zuiden trachtte binnen te halen, heeft hij toch nooit aan deze instelling een leeropdracht gekregen. Busken Huet (1826-1886) (75), dacht dat dit misschien te maken had met zijn beperkte kennis van het Latijn. Want al beweert men graag dat Leiden niet voortploeterde met de scholastieke gebruiken zoals Parijs en Leuven, het wist zich toch ook niet helemaal aan de tijdgeest te onttrekken en de mannen die er kwamen doceren, waren gevormd naar de oude traditie, waarin het Latijn domineerde. Maar ook aan de Leidse ingenieursschool, opgericht in 1600, waar nochtans geen Latijn vereist was, werd hij niet aangesteld. Sommigen menen dat dit te maken had met het feit dat hij een aanhanger was van Copernicus, die 65 jaar na de publikatie van zijn wereldstelsel, bij gebrek aan bewijzen nog altijd niet aanvaard was, noch in wetenschappelijke, noch in religieuze kringen.   Added by: Dominique Meeùs
Keywords:   Copernic dialectique grec héliocentrisme langue vulgaire latin Leiden monosyllabique néerlandais science appliquée
wikindx 6.2.0 ©2003-2020 | Total resources: 1310 | Username: -- | Bibliography: WIKINDX Master Bibliography | Style: American Psychological Association (APA) | Database queries: 73 | DB execution: 0.05893 secs | Script execution: 0.11052 secs