Bibliographie générale

List Resources

Displaying 1 - 3 of 3 (Bibliography: WIKINDX Master Bibliography)
Order by:

Ascending
Descending
Use all checked: 
Use all displayed: 
Use all in list: 
Blondeau, R. A. (1991). Wetenschap in de taal der vlamingen: Vanaf jacob van maerlant tot de stichting van de akademiën. Gand: Reinaert — Het Volk n.v.  
Added by: Dominique Meeùs 2020-09-30 18:53:20 Pop. 0%
      Wonder en is gheen wonder
     De belangrijkste ontdekkingen van Stevin liggen niet op het gebied van de wiskunde, maar op dat van de mechanika, waarover hij in 1586 drie kleine deeltjes publiceerde te Leiden „Inde Druckerye van Christoffel Plantijn, By François van Raphelingen” :
     De Beghinselen der Weeghconst
     De Weeghdaet
     De Beghinselen des Waterwichts.
     Het zijn boekjes die de grondslag vormen van de moderne statika en hydrostatika, waaraan sedert Archimedes niets meer was toegevoegd, en die in 1608, samen met andere verhandelingen gebundeld zijn in Wisconstige Gedachtenissen. Hetzelfde jaar nog verscheen er een Latijnse vertaling van, Hypomnemata Mathematica, door Willebrordus Snellius en een Franse van Jean Tuning.
     ln de eerste twee delen behandelde hij de statika : het evenwicht van de lichamen, speciaal het evenwicht op het hellend vlak ; het zwaartepunt bij vlakke figuren en vaste lichamen; de hefboom en de balans. Bij de studie van het hellend vlak ontdekte hij het beroemd krachtenparallellogram. Zijn oplossing van het vraagstuk van de samenstelling van de krachten was zo behendig en eenvoudig afgeleid van het evenwicht op het hellend vlak, dat hij voortaan als een soort wapenschild boven zijn werk, de „clootkrans” op een hellend vlak, liet prijken en er volgende spreuk aan toevoegde : Wonder en is gheen wonder, bijna als blijk van zijn verbazing omdat de wonderen van de natuur binnen het menselijke begripsvermogen liggen.
     In het derde deel besprak hij de hydrostatika en formuleerde er, ten eerste : de hydrostatische paradoks, die zegt dat de druk op de bodem van een vat niet afhangt van de vorm van het vat, wat op het eerste zicht inderdaad paradoksaal voorkomt; ten tweede, het beginsel van de gelijkmatigheid van de druk in alle richtingen, meestal aangeduid als „beginsel van Pascal”, maar dat eigenlijk voor het eerst door Stevin werd ontdekt, al moeten we eraan toevoegen dat het Pascal was die in zijn Traité de l’équilibre des liqueurs (1663), deze fundamentele principes in de systematizering van de hydrostatika verwerkte.
     Hoewel zijn werkjes over mechanika niet handelen over dynamika, heeft Stevin zich toch toegelegd op de studie van de beweging. Omstreeks 1585, zou hij met J.C. de Groot, burgemeester van Delft, aldaar op een gebouw geklommen zijn, dertig voet hoog, en van daaruit lieten zij tegelijkertijd twee loden bollen van zeer onderscheiden grootte en gewicht naar beneden ploffen, op een plank aan de voet van het gebouw. Uit de vaststelling dat zij slechts één plof hoorden was af te leiden dat de snelheid bij vallende voorwerpen niet evenredig was met de massa, wat Aristoteles nochtans had geleerd, en wat men eeuwenlang op zijn gezag had aangenomen.
     Op het gebied van de teoretische natuurkunde heeft Stevin ook wel een en ander gepresteerd, b.v. inzake optika en perspektief, maar van 1586 af is hij voornamelijk de weg opgegaan van de toegepaste wetenschap. Toch dienen nog zijn verhandelingen over kosmografie en geografie vermeld, wegens enkele merkwaardigheden. Stevin was nl. een verdediger van het heliocentrische wereldstelsel van Copernicus, dat toen door vele geleerden als een absurditeit werd beschouwd, en dat stelsel heeft hij zelfs gedeeltelijk verbeterd. ln zijn geografie formuleerde hij de teorie van ebbe en vloed en dacht hierbij aan de invloed van de maan, terwijl hij tevens een praktische metode verstrekte voor plaatsbepaling op zee.
     Reeds in 1586 verkreeg hij een oktrooi voor een verbeterd type watermolen waarvan hij er achteraf in overheidsopdracht een aantal heeft gebouwd, terwijl in 1589 de Staten-Generaal hem negen brevetten toekende voor allerlei mechanische werktuigen.
     Tijdens zijn verblijf aan de universiteit te Leiden had Stevin er de jonge prins Maurits, zoon van de Zwijger, leren kennen. Naar men vermoedt zou de prins soms beroep op hem gedaan hebben bij bepaalde moeilijkheden inzake matematika. Toen Maurits stadhouder van Holland en Zeeland was geworden, zou hij volledig beslag leggen op het vernuft en de werkkracht van Stevin ten behoeve van ’s lands waterstaat, de defensie en ook voor het beheer van de prinselijke domeinen. Vanaf 1593 voerde Stevin dan ook geregeld opdrachten uit voor het leger, en in 1603 kreeg hij de officiële titel van kwartiermeester.
     Lange tijd is Stevin bijna uitsluitend bekend gebleven als de schepper van de wonderbaarlijke en populaire zeilwagen, die op bevel van prins Maurits, waarschijnlijk einde 1600 of begin 1601, werd vervaardigd en die beladen met achtentwintig adellijke heren van Maurits’ hofhouding, in twee uren van Scheveningen naar Petten, 80 km ver, op het Noordzeestrand zeilde. Deze demonstratie maakte dusdanige ophef dat de Franse geleerde Nicolas Claude Fabri de Peiresc, toen die in 1606 Nederland bezocht, speciaal naar Scheveningen trok om die zeilwagen te zien.
     Stevin, die zijn carrière als boekhouder was begonnen, schreef meerdere verhandelingen over het bijhouden van koopmansboeken, maar hij schreef ook Vorstelicke Bouckhouding op Italiaensche Wijse, die in het Frans vertaald, opgenomen werd in de Memoires Mathématiques (Stevin-Tuning, 1608), onder de titel, Livre De Compte De Prince À la manière D’Italie. Het is een soort handboek voor de staatsboekhouding, steunende op de toen in zwang komende dubbele koopmansboekhouding, die van Venetiaanse oorsprong zou zijn. De hertog van Sully, minister van financiën van Hendrik IV, kreeg van Stevin een Franse uitgave, met een opdracht. Voorzeker heeft Sully hiervan gebruik kunnen maken om de koninklijke financiën te ordenen, die nogal gehavend waren tengevolge van wanbeheer en oorlogsuitgaven.
     Stevin die nog bedrijvig was op het gebied van de vestingbouw, stedenbouwkunde en urbanizatie, is op bijna zestigjarige leeftijd, in het huwelijk getreden met de veel jongere Catharina Krai, die na zijn dood in 1620, overbleef met vier jonge kinderen.
      Weerdicheyt der Duytsche Tael
     Stevin is niet uit principiële overtuiging een voorstander en een onvermoeibare verdediger geweest van zijn moedertaal, maar dit is geleidelijk tot stand gekomen omdat hij als man van de toegepaste wetenschap, meer te doen had met Latijn- en Grieksonkundigen, met mensen uit de praktijk, dan met geschoolde denkers.
     Hoewel zijn eerste werkje, Tafelen van Interest (1582), reeds in de volkstaal werd geschreven — omdat handelaars en rekenplichtigen geen wetenschapsmensen waren —, toch maakte hij hier nog overvloedig gebruik van vreemde woorden, voorzeker omdat hij dacht dat bepaalde termen die konden afgeleid worden uit de volkstaal, minder zouden begrepen worden, ofwel omdat hij hiervoor nog onvoldoende was gemotiveerd. Zijn volgend werk, Problematum Geometricorum (1583), was bovendien volledig in het Latijn geschreven. Op dit gebied moet er zich echter in de volgende jaren een ommekeer voltrokken hebben.
     Op aandringen van „vrienden en landgenoten”, en omdat hij vastgesteld had dat velen door het lezen van boeken zich wisten te bekwamen in de Arithmetika, de Algebra, de Geometrie en de Astronomie, maar dit niemand tot de Conste der Dialectiken had gebracht, en hij de oorzaak hiervan meende te vinden in het ontbreken van een werkje hierover in „onse Neerduytsche Tale”, zorgde hij zelf voor een dergelijke handleiding : Dialectike ofte Bewijs-const (1585), „een schoolse uiteenzetting van de redeneerkunst”. Daarin deed hij een bijzondere poging om zoveel als mogelijk termen uit de volkstaal te gebruiken, en hij stelde voor arithmetika te vervangen door telconst, geometrie door meetconst, musike door singconst, grammatika door letterconst, dialectike door bewijsconst, enz. Toch slaagde hij er niet in vreemde of bastaardwoorden volledig te weren, uit vrees niet begrepen te worden, maar aan het slot van de uiteenzetting gaf hij een lijst van zeven bladzijden, waarin zijn Nederlandse vertaling naast de Latijnse termen kwamen te staan.
     In dit werkje komt bij wijze van voorbeeld een „corte Dialectikelicke t’Samenspraeck” voor, tussen Jan en Pieter, waarin de bruikbaarheid van de Nederduytsche Tale bij de redeneerkunst wordt besproken. Het betoog was voornamelijk gesteund op het groot aantal eenlettergrepige woorden die veel samenstellingen toelieten.
     Nog hetzelfde jaar (1585) verscheen De Thiende, waarin hij een werk over sterrenkunde in het vooruitzicht stelt dat zal geschreven worden „in onse Duytsche Tale, dat is inde aldercierlicste alderrijckste, ende aldervolmaeckste Spraecke der Spraecken, van wiens groote besonderheydt wy cortelick noch al veel breeder ende seeckerder betooch verwachten, dan Pieter ende Ian daer af ghedaen hebben inde Bewijsconst ofte Dialectike onlancx uytghegheven”. Het „breeder en seeckerder betooch" inzake de „Duytsche Tale” verscheen reeds het jaar daarop als inleiding van het werkje Beghinselen der Weeghconst en draagt als titel Uytspraeck vande Weerdicheyt der Duytsche Tael. Daarin gaat hij grondig na waarom zijn moedertaal alle eer waard is. Ten eerste, wegens haar oudheid en ten tweede om haar bijzondere struktuur, en hier bedoelt hij weer de vele eenlettergrepige woorden die in de „Duytsche Tael” veel talrijker voorkomen dan in het Latijn en het Grieks. Wat hij aantoont met een lijst van de „duytsche” éénsillabige woorden, 742 werkwoorden en 1 428 naamwoorden, met de Latijnse en Franse vertaling er naast.
     Het belangrijkste is evenwel dat Stevin, toen er nog geen Nederlandse wetenschappelijke terminologie bestond, zelf woorden moest kreëren om de bastaardwoorden te weren. Vele van de door hem gevormde uitdrukkingen zijn naderhand in het Nederlandse taaleigen opgenomen, soms wel lichtelijk gewijzigd. Woorden zoals wiskunde, raaklijn, snijlijn, omtrek, middelpunt, evenwijdig, evenaar, evenredig, en vele andere, zijn van hem afkomstig.
     De pogingen die in Vlaanderen waren ondernomen om de eigen taal te verheffen, waren in het Noorden gevolgd, met mensen als de dichter Dirk V. Coornhert (1522-1590) en de bijdrage van Stevin is hier van uitzonderlijke betekenis geweest.
     Hoewel Stevin aan de Leidse universiteit had gestudeerd, en er meerdere professoren tot zijn vriendenkring behoorden ; hoewel men daar de beste krachten uit het meer gekultiveerde Zuiden trachtte binnen te halen, heeft hij toch nooit aan deze instelling een leeropdracht gekregen. Busken Huet (1826-1886) (75), dacht dat dit misschien te maken had met zijn beperkte kennis van het Latijn. Want al beweert men graag dat Leiden niet voortploeterde met de scholastieke gebruiken zoals Parijs en Leuven, het wist zich toch ook niet helemaal aan de tijdgeest te onttrekken en de mannen die er kwamen doceren, waren gevormd naar de oude traditie, waarin het Latijn domineerde. Maar ook aan de Leidse ingenieursschool, opgericht in 1600, waar nochtans geen Latijn vereist was, werd hij niet aangesteld. Sommigen menen dat dit te maken had met het feit dat hij een aanhanger was van Copernicus, die 65 jaar na de publikatie van zijn wereldstelsel, bij gebrek aan bewijzen nog altijd niet aanvaard was, noch in wetenschappelijke, noch in religieuze kringen.
Cohen, I. B. (1962). Les origines de la physique moderne: De copernic à newton J. Métadier, Trans. Paris: Éditions Payot.  
Last edited by: Dominique Meeùs 2009-08-15 18:25:29 Pop. 0%
      L’année 1543 est souvent considérée comme l’année de la naissance de la science moderne. En cette année furent publiés deux livres d’importance capitale, qui conduisirent à des changements radicaux dans la conception de la nature et du monde : l’un de l’homme d’Église Nicolas Copernic, sur Les révolutions des sphères célestes, et l’autre du Flamand André Vésale, sur La contexture du corps humain.
      Un avantage décisif du système de Copernic était de donner une explication relativement facile du mouvement rétrograde des planètes, d’après leur position relative par rapport au Soleil. Ensuite, il avait aussi l’avantage de permettre de calculer les distances des planètes au Soleil et à la Terre.
Duhem, P. (1908). Σώζειν τὰ φαινόμενα (sauver les phénomènes): Essai sur la notion de théorie physique de platon à galilée. Paris: Librairie scientifique A. Hermann et fils.  
Last edited by: Dominique Meeùs 2009-12-01 00:15:39 Pop. 0%
      Au cours de l’Antiquité et du Moyen-Âge, la Physique nous présente deux parties si distinctes l’une de l’autre qu’elles sont, pour ainsi dire, opposées l’une à l’autre ; d’un côté se trouve la Physique des choses célestes et impérissables, de l’autre la Physique des choses sublunaires, soumises à la génération et à la corruption.
     Les êtres dont traite la première des deux Physiques sont réputés d’une nature infiniment plus élevée que ceux dont s’occupe la seconde ; on en conclut que la première est incomparablement plus difficile que la seconde ; Proclus enseigne que la Physique sublunaire est accessible à l’homme, tandis que la Physique céleste le passe et est réservée à l’intelligence divine ; Maïmonide partage cette opinion de Proclus ; la Physique céleste est, selon lui, pleine de mystères dont Dieu s’est réservé la connaissance, tandis que la Physique terrestre se trouve, tout organisée, en l’œuvre d’Aristote.
     Au contraire de ce que pensaient les hommes de l’Antiquité et du Moyen-Âge, la Physique céleste qu’ils avaient construite était singulièrement plus avancée que leur Physique terrestre.
     Dès l’époque de Platon et d’Aristote, la science des astres était organisée sur le plan que nous imposons aujourd’hui encore à l’étude de la Nature. D’une part, était l’Astronomie ; des géomètres, comme Eudoxe et Calippe, combinaient des théories mathématiques au moyen desquelles les mouvements célestes pouvaient être décrits et prévus, tandis que des observateurs appréciaient le degré de concordance entre les prévisions des calculs et les phénomènes naturels. D’autre part, était la Physique proprement dite ou, pour parler le langage moderne, la Cosmologie céleste ; des penseurs, comme Platon et Aristote, méditaient sur la nature des astres et sur la cause de leurs mouvements. […]
     Il s’en faut bien que la Physique des choses sublunaires soit parvenue d’aussi bonne heure à ce degré de différenciation et d’organisation. […]
     […] La Physique sublunaire ne connaissait guère les théories mathématiques. Deux chapitres de cette physique, l’Optique ou Perspective, et la Statique ou Scientia de ponderibus, avaient seuls revêtu cette forme […] Hors ces deux chapitres, l’analyse des lois qui président aux phénomènes demeurait peu précise, purement qualitative ; elle ne s’était pas encore dégagée de la Cosmologie.
     En la Dynamique, par exemple, les lois de la chute libre des graves, entrevues dès le 14e siècle, les lois du mouvement des projectiles, vaguement soupçonnées au 16e siècle, demeuraient impliquées dans les discussions métaphysiques sur le mouvement local, sur le mouvement naturel et le mouvement violent, sur la coexistence du moteur et du mobile. Au temps de Galilée seulement, nous voyons la partie théorique, en même temps que sa forme mathématique se précise, se dégager de la partie cosmologique. […]
     D’autre part, l’antique distinction entre la Physique des corps célestes et la Physique des choses sublunaires s’était graduellement effacée. Après Nicolas de Cues, après Léonard de Vinci, Copernic avait osé assimiler la Terre aux planètes. Par l’étude de l’étoile qui avait apparu, puis disparu en 1572, Tycho Brahé avait montré que les astres pouvaient, eux aussi, s’engendrer et périr. En découvrant les taches du Soleil et les montagnes de la Lune, Galilée avait achevé de réunir les deux Physiques en une seule science.
     Dès lors, lorsqu’un Copernic, lorsqu’un Képler, lorsqu’un Galilée déclarait que l’Astronomie doit prendre pour hypothèses des propositions dont la vérité soit établie par la Physique, cette affirmation, une en apparence, renfermait en réalité deux propositions bien distinctes.
     Une telle affirmation, en effet, pouvait signifier que les hypothèses de l’Astronomie étaient des jugements sur la nature des choses célestes et sur leurs mouvements réels ; elle pouvait signifier qu’en contrôlant la justesse de ces hypothèses, la méthode expérimentale allait enrichir nos connaissances cosmologiques de nouvelles vérités. Ce premier sens se trouvait, pour ainsi dire, à la surface même de l’affirmation ; il apparaissait tout d’abord ; c’est ce sens-là que les grands astronomes du 16e siècle et du 17e siècle voyaient clairement, c’est celui qu’ils énonçaient d’une manière formelle, c’est enfin celui qui ravissait leur adhésion. Or, prise avec cette signification, leur affirmation était fausse et nuisible ; Osiander, Bellarmin et Urbain VIII la regardaient, à juste titre, comme contraire à la Logique […]
     Sous ce premier sens illogique, mais apparent et séduisant, l’affirmation des astronomes de la Renaissance en contenait un autre ; en exigeant que les hypothèses de l’Astronomie fussent d’accord avec les enseignements de la Physique, on exigeait que la théorie des mouvements célestes reposât sur des bases capables de porter également la théorie des mouvements que nous observons ici-bas ; on exigeait que le cours des astres, le flux et le reflux de la mer, le mouvement des projectiles, la chute des graves fussent sauvés à l’aide d’un même ensemble de postulats, formulés en la langue des Mathématiques. Or ce sens-là restait profondément caché ; ni Copernic, ni Képler, ni Galilée ne l’apercevaient nettement ; il demeurait, cependant, dissimulé, mais fécond, au-dessous du sens clair, mais erroné et dangereux, que ces astronomes saisissaient seul. Et tandis que la signification fausse et illogique qu’ils attribuaient à leur principe engendrait des polémiques et des querelles, c’est la signification vraie, mais cachée, de ce même principe qui donnait naissance aux essais scientifiques de ces inventeurs ; alors qu’ils s’efforçaient de soutenir l’exactitude du premier sens, c’est à établir la justesse du second sens qu’ils tendaient sans le savoir ; […] ils croyaient prouver, l’un et l’autre, que les hypothèses copernicaines ont leur fondement en la nature des choses ; mais la vérité qu’ils introduisaient peu à peu dans la Science, c’est qu’une même Dynamique doit, en un ensemble unique de formules mathématiques, représenter les mouvements des astres, les oscillations de l’Océan, la chute des graves ; ils croyaient renouveler Aristote; ils préparaient Newton.
     En dépit de Képler et de Galilée, nous croyons aujourd’hui, avec Osiander et Bellarmin, que les hypothèses de la Physique ne sont que des artifices mathématiques destinés à sauver les phénomènes ; mais grâce à Képler et à Galilée, nous leur demandons de sauver à la fois tous les phénomènes de l’Univers inanimé.
wikindx 6.2.0 ©2003-2020 | Total resources: 1310 | Username: -- | Bibliography: WIKINDX Master Bibliography | Style: American Psychological Association (APA) | Database queries: 26 | DB execution: 0.00948 secs | Script execution: 0.07795 secs