Bibliographie générale

Liste de références

Affichage de 1 - 2 de 2 (Bibliographie: Bibliographie WIKINDX globale)
Ordonner par:

Croissant
Décroissant
Utiliser tout ce qui est coché 
Utiliser tout ce qui est affiché 
Utiliser tous les items 
Blondeau, R. A. (1991). Wetenschap in de taal der vlamingen: Vanaf jacob van maerlant tot de stichting van de akademiën. Gand: Reinaert — Het Volk n.v.  
Ajoutée par : Dominique Meeùs 2020-09-30 18:53:20 Pop. 0%
      In 1582 liet Stevin zijn Tafelen van Interest, Midtsgaders De Constructie derselver, ghecalculeert Door Simon Stevin Brugghelinck, verschijnen bij meester-drukker Christoffel Plantijn te Antwerpen. Ten behoeve van een ruim publiek was dit in de volkstaal opgesteld. Een werkje dat ongetwijfeld sukses heeft gekend, want interestberekening gebeurde voordien altijd in het geheim en behoorde tot de moeilijke merkantiele problemen waarvoor geen officiële opleiding bestond. Zelfs in de, op de universiteit gedoceerde matematika, was er van interestberekening geen sprake, niet alleen wegens de afstand tussen handel en wetenschap, maar omdat interest onder het woekerverbod van de Kerk viel en tot de praktijken van Joden en Lombarden behoorde. Hoewel Stevin de principes van de interestberekening gevonden had in het werk van de Franse rekenmeester Jean Trenchant (zes uitgaven van 1558 tot 1578) was hij bij het samenstellen van zijn tabellen volledig op zichzelf aangewezen, waardoor er meerdere fouten waren ingeslopen‚ die hij achteraf in de Franse vertaling rektificeerde.
     De stad Leiden was ter beloning van haar heldhaftige verdediging tegen de Spanjaarden, in 1575 begiftigd met een Universiteit, die moest voorzien in de vervanging van de katolieke universiteiten van Leuven en Parijs, waarmee het kontakt was verbroken. In deze nieuwe instelling van hoger onderwijs, die niet doortrokken was van de scholastieke traditie van de oude centra van geleerdheid, kreeg het onderzoek en het experiment een unieke plaats. Daar liet Simon Stevin zich op 16 februari 1583 als student inschrijven. Hij was toen 35 jaar !
     Wat Stevin daar heeft gestudeerd of gepresteerd weten we niet, maar uit zijn publikaties van de volgende jaren blijkt dat hij er hard heeft gewerkt, al moest hij in zijn onderhoud voorzien door het bijhouden van koopmansboeken.
     Wel moet hij, nog vóór hij aan de universiteit ging studeren, zich terdege op wiskunde hebben toegelegd, want nog in 1583 verscheen van hem een origineel in het Latijn gesteld traktaat over ingewikkelde meetkundige vraagstukken, dat alleszins geen amateurswerk was, Problematum Geometricorum. Twee jaar later (1585) publiceerde hij De Thiende Leerende door onghehoorde lichticheyt allen rekeningen onder den Menschen noodich vallende, afveerdighen door heele ghetalen sonder ghebrokenen, een baanbrekende verhandeling, die tegelijkertijd in het Nederlands en het Frans (La disme) verscheen, waarin het rekenen met tiendelige breuken werd aanbevolen en volledig was uitgewerkt. Weliswaar was hij niet de uitvinder van de tiendelige breuken — het principe was reeds ontworpen in de 15e eeuw door Regiomontanus (Johan Müller uit Koningsbergen) — maar met zijn boekje heeft Stevin ze in rekenkundige bewerkingen leren gebruiken en toepassen, al was zijn voorstelling niet deze met het aanbrengen van een komma, zoals dat nu het geval is. Tevens verdedigde hij de invoering van een decimaal stelsel van maten en gewichten ter vervanging van de bestaande verscheidenheid die een hinder vormde voor handel en nijverheid. Maar het zou nog twee eeuwen duren vooraleer deze opvatting, met het metriek stelsel, geleidelijk in de praktijk haar toepassing zou vinden. Stevin schreef bovendien, in het Frans, een Arithmétique (1585), waarin voornamelijk de algebra hernieuwd en vereenvoudigd werd, door het gebruik van een nauwkeuriger taal en het invoeren van nieuwe tekens, die de huidige algebraïsche schrijfwijze zeer benaderde.
Mireaux, É. (1954). La vie quotidienne au temps d’homère. Paris: Librairie Hachette.  
Dernièrement modifiée par : Dominique Meeùs 2011-05-28 20:50:49 Pop. 0%
      Une évolution analogue se dessine dans le domaine de la métallurgie et dans celui de la poterie, mais elle s’effectue dans un sens un peu différent. Les deux corporations anciennes ne sont pas absorbées par le capitalisme nouveau. Mais, à côté de l’artisanat traditionnel, grandit rapidement la concurrence de plus en plus puissante d’exploitations plus vastes qui travaillent en grande série. Les raisons de la transformation sont ici d’ordre commercial.
     Dans la métallurgie du bronze, l’approvisionnement en matières premières devient de plus en plus précaire, au fur et à mesure que les besoins se développent. Les filons des mines de cuivre locales s’épuisent, en Eubée notamment. La presque totalité du cuivre nécessaire est désormais importée de Chypre, de Thrace, de Chalcidique. L’étain, lui, est toujours venu de l’extérieur. Au 10e, au 9e siècle, il arrivait encore par terre en suivant les pistes de l’Asie Mineure. Mais la consommation se développe et les besoins grandissent ; l’étain n’est plus seulement employé comme métal d’alliage pour la fabrication du bronze, mais aussi comme motif de décoration. On ne peut plus attendre passivement sa venue. Il faut devancer la concurrence et aller le chercher au loin, par voie de mer, à sa source même.
     Dès la première moitié du 8e siècle, des convois maritimes s’organisent à cet effet. Les uns cinglent vers le Caucase, par l’Hellespont, le Bosphore et le long de la côte méridionale du Pont-Euxin, les autres vers l’Étrurie par le détroit de Messine et les traverses de l’Italie méridionale. […] Le grand fait qui nous intéresse ici, c’est que l’approvisionnement en matières premières de l’industrie du bronze et par incidence cette industrie elle-même se trouvent placés désormais dans la dépendance directe des armateurs des grandes cités maritimes.
     Cette aristocratie commerçante devient du même coup une aristocratie industrielle. Elle crée la fabrication en série dans des ateliers relativement vastes, peuplés d’esclaves dont elle fait aussi le commerce. Une bonne partie de sa production est exportée au loin, dans les colonies nouvelles, et jusqu’en Égypte où les premiers Pharaons de la 26e dynastie luttent contre la domination assyrienne avec des troupes de mercenaires équipées à la grecque.
     Même transformation dans l’industrie de la poterie. À côté de l’exportation des armes et des articles de métal s’organise, en effet, celle du vin et de l’huile. Celle-ci exige un abondant matériel d’amphores, qu’il faut fabriquer en série dans des ateliers que les riches armateurs sont seuls en mesure de fonder. Ces ateliers se consacrent naturellement bien vite aussi à la fabrication en masse de la poterie d’exportation qui se répand sur tous les marchés de la Méditerranée, de l’Égypte à l’Étrurie.
     Notons, incidemment, que la vieille industrie familiale du textile commence à évoluer, à son tour, dans les mêmes conditions. De véritables ateliers de tissage sont créés au sein des manoirs seigneuriaux. La vieille Hécube dirige à Troie, dans le palais de Priam, un atelier de voiles brodés où travaille une équipe d’esclaves sidoniennes que Pâris a amenées de Phénicie.
     Quoi qu’il en soit, le vieil artisanat des démiurges de la forge et de la poterie se trouve progressivement relégué à l’arrière-plan dans l’ordre économique et social. Il ne faut pas s’étonner si vers le milieu du 7e siècle il finit par se révolter, par donner son appui aux jeunes tyrannies d’allure démocratique qui se dressent contre la toute-puissance de l’aristocratie et de la richesse. Cypsélos et ses successeurs interdiront à Corinthe l’introduction de nouveaux esclaves pour le protéger contre la concurrence des ateliers capitalistes.
wikindx 6.2.0 ©2003-2020 | Total des références : 1310 | Identifiant: -- | Bibliographie : Bibliographie WIKINDX globale | Style : American Psychological Association (APA) | Requêtes métadonnées : 21 | DB exécution : 0,01427 secs | Exécution de script : 0,04417 secs