Dominique Meeùs
Dernière modification le   
retour à la table des matièresau dossier marxisme

533.
Het anarchosyndicalisme in de Belgische arbeidersbeweging

Up: 53. Syndicale onafhankelijkheid Previous: 532. Het anarchosyndicalisme als historische stroming Next: 534. De basisstellingen van het anarchosyndicalisme

Een uitgesproken anarchosyndicalistische stroming ontstond er tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, binnen de socialistische beweging. Inspirator en leider van deze stroming was de Luikse vakbondsleider André Renard. Het renardisme is naast de syndicale lijn van de Belgische KP, een van de meest uitgewerkte stromingen waar de linkervleugel van de p. 204socialistische vakbond zich heeft aan vastgeklampt. Na de oorlog kampten ze samen tegen de rechtervleugel van de socialistische vakbond, vertegenwoordigd door Louis Major en zijn openlijke klassensamenwerking. Maar de strijd draaide in 1948 (bij het begin van de koude oorlog) uit op een gezamenlijk front van Major en Renard tegen de communisten. Het renardisme is nog altijd op georganiseerde wijze vertegenwoordigd in Wallonië, zij het fel afgezwakt. Indien we er zoveel aandacht aan besteden is het om twee redenen. Ten eerste, sluiten de ideeën van het anarchosyndicalisme nauw aan bij spontane ideeën die bij vele syndicalisten, zowel in het ACV als in het ABVV, ruim verspreid zijn. Ten tweede, laat het ons toe voor syndicalisten de keuze scherp te stellen tussen een links-reformistische en een revolutionaire doctrine.

Net zoals dit het geval was voor het Franse revolutionaire syndicalisme in het begin van de eeuw, ontstond ook deze stroming als kritiek op het verraad van de reformistische leiders aan het hoofd van de BWP. De socialistische vakbeweging stond in België samen met de coöperatieve beweging, de mutualiteiten en een aantal socialistische intellectuelen aan de wieg van de Belgische Werklieden Partij. Zij was dus van meet af aan erg partijgebonden. Tot 1937 was de socialistische vakbond een organisch deel van de partij. De leiding van de ‘Syndicale Commissie’ was een deel van de partijleiding; een vakbondslid werd automatisch partijlid indien zijn centrale aansloot bij de BWP. Binnen dit socialistische conglomeraat werd er van in het begin een soort van taakverdeling doorgevoerd. De partij was er voor de politiek (al zeer snel begrepen in een enge ‘parlementaire’ zin); de vakbond voor de verdediging van de directe economische belangen. Dit sloot aan bij de syndicalistische apolitieke stroming, die in de vakbond overheersend was. Traditioneel heeft de Belgische vakbeweging zich nooit erg met de politieke strijd ingelaten.

De BWP maakte tijdens de Eerste Wereldoorlog haar definitieve bocht naar een prokapitalistische opstelling. Zij maakte daarna deel uit van de meeste regeringen en hielp mee de bourgeoisie door de zware crisis van de jaren 30. Ze was als zodanig medeverantwoordelijk voor het doorvoeren van loonsverlagingen en andere antisociale maatregelen. De enge verbondenheid met de partij maakte dat ook de vakbondsleiders het verzet probeerden in te dijken en oog in oog kwamen te staan met, bijvoorbeeld, de arbeidersrevolte van 1932. Dit leidde tot veel misnoegdheid aan de basis. Onder het duo De Man en Spaak ging de BWP meer en meer de rechtse en uiteindelijk de extreemrechtse toer op. Bij de inval van de Duitse troepen, roept Henri De Man, voorzitter van de BWP, op tot samenwerking met de nazi’s, ontbindt hij de partij en werkt hij mee aan de oprichting van een nieuwe fascistische vakbond (de Bond van Hand- en Geestesarbeiders). Deze extreme degeneratie schept een klimaat van argwaan tegenover de (reformistische) politieke leiders en creëert een gunstige voedingsbodem voor het anarchosyndicalisme. De afkeer van het reformisme vertaalt zich in een afkeer van elke politiek en elke partij, met inbegrip van de communistische. De vakbond is de belangrijkste organisatie, de vakbond moet onafhankelijk zijn van om het p. 205even welke partij, de economische strijd is de belangrijkste strijd, de algemene staking de hoogste strijdvorm, enz. Deze stellingen hebben ook de beginselverklaring van het ABVV (opgesteld door Renard) sterk beïnvloed. Tijdens het fusiecongres van 1945 voeren communisten en renardisten samen strijd om de formele ‘onafhankelijkheid’ en de cumul van mandaten te laten bekrachtigen in de statuten van de eenheidsvakbond.

Maar de onafhankelijkheid tegenover het reformistische partij — op zich een goede zaak — bleef een formele organisatorische onafhankelijkheid; zij was niet inhoudelijk. De weigering om zich te laten leiden door een revolutionaire politiek, de onderschatting en zelfs het verzet tegen een revolutionaire partij maakten het renardisme — net zoals zijn Franse voorlopers — politiek onmachtig tegenover het reformisme. Het Belgische naoorlogse anarchosyndicalisme doorbrak politiek dan ook nooit het reformistische kader. Het economische programma van het renardisme bleek in 1954-1956 grotendeels geïnspireerd op het ‘Plan De Man’ en vertrok vanuit dezelfde zorg om het kapitalisme nieuw leven in te blazen, productiever te maken. De politieke strategie was parlementair en reformistisch, ook al had Renard het in zijn geschriften overvloedig over zijn ‘revolutionaire’ actie. Tijdens de algemene staking van ’60-’61 ‘bekeerde’ André Renard zich tot het federalisme, een logisch uitvloeisel van dit reformistische denkkader. Vermits de nationale staat onze ‘socialistische’ structuurhervormingen in de weg staat, eisen we meer autonomie voor Wallonië. Twintig jaar later kon de Parti socialiste — zelf een federalistische partij geworden — deze stroming grotendeels recupereren, net zoals dit met het Franse ‘revolutionaire syndicalisme’ het geval was bij het begin van de Eerste Wereldoorlog.

Up: 53. Syndicale onafhankelijkheid Previous: 532. Het anarchosyndicalisme als historische stroming Next: 534. De basisstellingen van het anarchosyndicalisme