Dominique Meeùs
Dernière modification le   
retour à la table des matièresau dossier marxisme

512.
De vakbonden zijn en blijven de enige organisaties die de gehele werkende klasse omkaderen

Up: 51. Partij en massaorganisatie Previous: 511. De arbeiders en werkers hebben een eigen revolutionaire partij nodig Next: 513. De burgerij vecht ook voor haar visie in de vakbond

Er is de laatste jaren veel gepalaverd over de ineenstorting van de vakbonden. Maar sinds het ontstaan van de arbeidersbeweging hebben de arbeiders in België praktisch geen andere vorm van strijdorganisatie gekend dan de vakbonden. Ook al ontstond er soms een scherpe kloof tussen top en basis, ook al stond de vakbondsleiding soms haaks op de verwachtingen van de massa; de historische ervaring heeft aangetoond dat de werkers in moeilijke omstandigheden steeds weer op de vakbonden terugvallen. Die les werd in de jaren 30 ook al door de communistische voorman Dimitrov getrokken. Tegen hen die de vakbonden wilden verlaten, argumenteerde hij: “Vele kameraden hebben besloten deze taak te laten p. 191vallen omdat zij de aantrekkingskracht miskennen, die de vakbonden uitoefenen op de arbeiders en ook omdat ze capituleren voor de moeilijkheden van het werk binnen de reformistische vakbonden. Zij spreken onveranderd over de organisatiecrisis van de reformistische vakbonden, over de snelle uittocht van de arbeiders uit de vakbonden. Zij verliezen uit het oog dat, na een zekere val van de vakbonden bij het begin van de economische wereldcrisis, het ledenaantal daarna opnieuw is toegenomen. Het specifieke kenmerk van de syndicale beweging bestond er precies in dat het offensief tegen de syndicale rechten, de vermindering van de sociale uitkeringen, de afbraak van de lonen, de arbeiders verplichtte zich nog nauwer aaneen te sluiten rond de vakbonden, en dat, ondanks afwezigheid van verzet vanwege de reformistische syndicale leiders. De arbeiders wilden en willen in de vakbond de strijdbare vertegenwoordigers zien van hun meest dringende klassebelangen.”3

De massa winnen voor een revolutionaire politiek is daarom onverbrekelijk verbonden met het vakbondswerk. De vakbonden zijn de enige massaorganisaties van de werkende bevolking. Zij organiseren in België meer dan 90 % van de arbeiders en 50 % van de bedienden. De werkers worden omkaderd door syndicale délégués, die uit hun eigen rangen komen. De praktijk van alle stakingen toont aan dat een belangrijk deel van de werkers steeds kijkt naar wat de délégués doen. Of délégués zich in de goeie of in de kwaaie zin laten opmerken maakt een ontzettend groot verschil uit voor het klimaat en het zelfvertrouwen onder de massa. De strijd tegen de opeenvolgende Martens-conclaven heeft ook getoond hoe belangrijk het is of de vakbondsleiding steunt of saboteert, afremt of minstens passief laat ontwikkelen. Zonder Houthuys waren de Martens-plannen misschien al in 1984 en zeker in 1986 onder de voet gelopen. De ABVV-leiding liet echter evenzeer haar militanten en basis in de kou staan op de cruciale momenten. Een vakbondsmilitant kan dan afhaken op zo’n momenten of met verdubbelde ijver aan het werk gaan om de vakbond van binnenuit te vernieuwen. Het is duidelijk de laatste keuze die de goeie is. Vroeg of laat zullen zich dezelfde situaties opnieuw voordoen. Een consequent syndicalist trekt lessen en besluit het de volgende keer anders aan te pakken. Hij zal verse krachten rond zich verzamelen, hen vormen en voorbereiden op de komende klassenstrijd. De burgerij kent zeer goed de kracht van een georganiseerde en ideologisch geschoolde voorhoede. Tot wat bewuste, revolutionair gezinde syndicalisten in staat zijn, hoe zij binnen de vakbond en onder de massa onweerstaanbare krachten in beweging kunnen brengen, wordt aangetoond door de drie Limburgse mijnstakingen tussen 1986 en 1988.4 Militante délégués en vakbondskernen hadden hun les getrokken uit de eindeloze sluitingsgolf in de staalsector. Vanuit een verloren gewaande situatie, met vakbondsleiders die al hadden opgegeven, zijn ze teruggekomen, twee keer na elkaar hebben ze keihard teruggeslagen. Ze hebben niet gewonnen, maar ze hebben hun vel duur verkocht: ze hebben getoond dat men eervol verliest wanneer men vecht tot de laatste snik. Die trots zal men geen mijnwerker afnemen, ook al is hij zijn werk kwijt. En hij heeft bovendien p. 192iets geleerd: regering en patronaat zijn twee handen op een buik.

Notes
3.
Dimitrov, Eenheidsfront tegen het fascisme, 1935.
4.
Hugo Franssen (red.), De slag om de mijnen: Het syndicale werkboek van Jan Grauwels en Luc Cieters, EPO, 1988.
Up: 51. Partij en massaorganisatie Previous: 511. De arbeiders en werkers hebben een eigen revolutionaire partij nodig Next: 513. De burgerij vecht ook voor haar visie in de vakbond