Dominique Meeùs
Dernière modification le   
retour à la table des matièresau dossier marxisme

333.
De farce van het ‘sociale Europa’

Up: 33. Vakbond en internationalisering Previous: 332. Export van het overlegmodel

Door de Europese blokvorming (1992) zijn de syndicale structuren onder een enorme druk komen te staan. Het initiatief van de eenheidsmarkt heeft verstrekkende gevolgen op het vlak van industriële herstructurering, p. 154staatstussenkomst in de economie, sociale wetgeving, werkgelegenheid, enz. De ‘weldaden’ van de overlegeconomie werden eerst zwaar afgeknot door de crisispolitiek en worden nu verder uitgehold onder de internationale concurrentiedruk van Europa 93.

De vakbondsleidingen worden volledig overrompeld door de onstuimige ontwikkeling van dit kapitalistische offensief. Daarvan getuigt ook de zwakheid van de Europese vakbondsorganisatie. Het EVV werd opgericht in 1973 en groepeert de niet-WVV vakbonden uit 18 Europese landen (het Franse en Portugese CGT, noch de Spaanse Commissiones Obreras maken er deel van uit). Met 1992 voor de deur probeert men het Europese Vakverbond nieuw leven in te blazen en over te schakelen van een bureaucratische structuur zonder enig vat op de basisvakbonden, naar een effectief opererende actieorganisatie. Niet zonder moeite en onenigheid.21 Op het congres van Stockholm (1988) werd het eerste programma goedgekeurd en de eerste schuchtere pogingen tot ‘actie’ gingen de mist in.

Dat de vakbondsstructuren hopeloos achteroplopen bij de gebeurtenissen heeft in de eerste plaats te maken met hun vervlechting met de nationale ‘overlegeconomieën’. De vakbondsleidingen zijn sinds lang gewonnen voor klassensamenwerking op nationaal vlak en hebben op deze compromissenpraktijk het grootste deel van hun ‘medezeggenschap’ gebouwd. Die nationale vervlechting heeft het internationale klassebewustzijn meestal ver naar de achtergrond gedrongen.

Maar het achteroplopen heeft ook met andere strategische opties van het EVV en van nationale vakbondsinstanties te maken. De vakbonden zullen steeds achter het patronaat aanlopen als zij geen correcte klassepositie innemen tegenover het Europa (en straks het Groot-Europa?) in wording. Het EVV en de meeste Europese vakbondsleidingen staan positief tegenover het motief van de eenmaking. Zij scharen zich achter de patronale doelstellingen van de eenheidsmarkt: de concurrentiepositie tegenover Japan en de VS verbeteren en de ‘eigen’ markt beter controleren om sterker te staan op de wereldmarkten. Een extreem voorbeeld van deze lotsverbondenheid vindt men in de geschriften van de LBC-maritieme sector en buitenlandse handel: “Wil men zich economisch handhaven op wereldvlak, is het dringend nodig dat men werk maakt van een echt verenigd Europa. […] Het is immers de bedoeling om met het verenigde Europa van 1992 een economisch tegengewicht te vormen tegen Japan en de Verenigde Staten. Anderzijds wil men zich wapenen om andere wereldmarkten te veroveren zoals onder meer China, Australië, Nieuw-Zeeland.”22

Sommige vakbondsleiders (ACV-congres 1990) lopen klakkeloos mee in de patronale beloftes van grotere welvaart en meer werkgelegenheid, zoals die onder meer door het Cecchini-rapport werden beloofd. “Het is logisch en verantwoord dat wij hier de meest optimistische benadering volgen’, gaat de LBC-brochure verder, “Wij kunnen het slechts herhalen: als kapitaal en arbeid vanuit een sociale ingesteldheid bereid worden gevonden tot samenwerking is enig optimisme gewaarborgd.” Anderen p. 155(CMB-congres 1990) leggen een grotere nadruk op de gevaren voor de werkers. Voor allen is het strategische objectief, het inperken van ‘de eenzijdig liberale aanpak’ van de eenmaking en het ‘toevoegen’ van een ‘sociaal Europa’ om zo de ‘misbruiken’ van de markteconomie in te tomen.

Als men ervan uitgaat dat het patronaat hoe dan ook moet gesteund worden in zijn marktoffensief, dan zit men onherroepelijk al met problemen om radicaal de sociale vernielingen van de eenheidsmarkt te stoppen.

Een laatste reden waarom de vakbondsleidingen achteroplopen, is hun bureaucratische aanpak van de internationale eenmaking. Tegenover de transnationals en de internationalisering heeft de vakbondsleiding een uitgesproken bureaucratische reflex.

Op dit ogenblik heeft de Europese Commissie geen enkele bevoegdheid op sociaal vlak; de sociale wetgevingen behoren tot de strikt nationale materies. De vakbondsleidingen dromen ervan om op internationaal niveau dezelfde weg te volgen als deze die ze gedurende een eeuw op nationaal niveau hebben opgehemeld: de weg van de ‘economische democratie’. Deze ‘economische democratie’ zal gebouwd worden op dezelfde assen als op nationaal niveau, dat wil zeggen enerzijds de tussenkomst van een supranationale staat en van supranationale instellingen, en anderzijds de vakbondsaanwezigheid in supranationale overleg- en controleorganen. Dit alles zal gerealiseerd worden door zachte druk en dankzij de verbonden politieke partijen. Tegenover het Europa van het grootkapitaal, wordt een bureaucratische ‘tegenmacht’ gesteld. Alle nationale illusies van ‘controle’, ‘staatstussenkomst en -bescherming’ moeten op Europees vlak worden overgedaan. Ze smeken het patronaat om hun verantwoordelijkheidszin op nationaal niveau niet te vergeten en hen op internationaal vlak even ernstig ie nemen als op nationaal vlak.

Ze richten hun hoop op het tot stand komen van een ‘Europees overleg’, van Europese kaderakkoorden en op een ‘sokkel van sociale minimumrechten’ (het ‘Sociale Charter’).

Bij de bourgeoisie zijn twee stromingen aanwezig ten opzichte van het ‘sociale Europa’. De liberale zijde wil de sociale bescherming tot het strikte minimum beperken en de concurrentie en de neerwaartse nivellering zolang mogelijk de vrije loop laten. De sociaaldemocratische strekking vreest dat op deze manier in Europa de klassenstrijd wordt aangewakkerd De twee strekkingen zijn vertegenwoordigd bij het patronaat. De vakbondsleiding waarschuwt de burgerij dat de werkers nooit ‘warm gemaakt kunnen worden’ voor een Europa dat hen alleen maar achteruitgang brengt. En dat zij uiteindelijk meer zullen betalen voor de sociale onrust dan voor enkele minimumakkoorden.

Zo probeert de vakbondsleiding op dit ogenblik haar plaats aan de top te veroveren als verantwoordelijk gesprekspartner. De concrete inzet zijn enkele holle en eerder symbolische gevechten. Het voorstel van een ‘sociaal charter’, overeengekomen tussen de Europese ‘sociale partners’ is p. 156een goed voorbeeld van een verklaring zonder precieze inhoud die de poorten wijd openlaat voor bijna alle sociale vernietiging. Het goedgekeurde charter is een herhaling van wat al in 1961 door de Raad van Europa werd goedgekeurd en ook reeds in vele andere, algemene beginselverklaringen (UNO, IAO, OESO …) werd opgenomen: recht op sociale bescherming, op ‘billijke’ vergoeding, op ‘behoorlijke’ levensvoorwaarden, op gelijke behandeling van man en vrouw, op participatie van de werknemers, enz.

Een van de grote vakbondsverwachtingen is dat in de toekomst conventies getekend kunnen worden met het patronaat op Europees vlak, waardoor een harmonisering van de sociale werkomstandigheden mogelijk zou worden. Het Europese patronaat (UNICE) laat zich geenszins door deze bede vermurwen en beseft goed genoeg welk voordeel ze kan halen uit een sociale dumping.

Tenslotte hoopt het EVV dat er een ‘statuut van de Europese onderneming’ komt waaraan een of andere vorm van verplichte participatie is gekoppeld. Het statuut van de Europese NV is een patronale verzuchting, die het mogelijk zou maken om aan de wirwar van nationale statuten te ontsnappen en zo grensoverschrijdende samenwerking, controles en fusies gemakkelijker zou maken. Het Commissie wil de keuze laten tussen een van de drie participatievormen die in de Europese gemeenschap gangbaar zijn: medebeheer met toezichtraad (Duitsland), ondernemingsraad (België, Frankrijk, Italië) of participatie langs een bedrijfsconventie (Denemarken). Het EVV dringt hierbij aan op het heropnemen van de Vredeling-richtlijn (Ve-directieve), die voor het laatst in 1980 werd verworpen door de Europese Commissie. De Vredeling-richtlijn voorzag verplichte informatie vanwege transnationale ondernemingen over cruciale kwesties, de mogelijkheid om zich rechtstreeks tot het moederbedrijf te wenden en andere elementaire democratische verplichtingen voor de ondernemingen.

Notes
21.
Het EVV heeft ongeveer zoveel middelen als een gemiddeld ACV-Verbond (gewest) in België.
22.
LBC-maritieme sectoren buitenlandse handel, 1992 — De uitdaging, 1988, pp. 7 en 16.
Up: 33. Vakbond en internationalisering Previous: 332. Export van het overlegmodel