Dominique Meeùs
Dernière modification le   
retour à la table des matièresau dossier marxisme

232.
Een uitweg uit de crisis?

Up: 23. Vakbond en nieuwe technologie Previous: 231. ‘We kunnen de vooruitgang niet tegenhouden’ Next: 233. Het einde van het taylorisme?

Vele vakbondsleiders zijn er rotsvast van overtuigd dat de nieuwe technologie de enige uitweg is uit het moeras van crisis en werkloosheid. Een analyse van de syndicale teksten en standpunten levert twee argumenten voor dit geloof, beide ontleend aan de patronale opiniemakers.

1o Vooreerst is er de ‘vulgaire versie’, die zonder meer het hoofdargument in het patronale betoog, de concurrentiekracht, tot het zijne maakt. Het managerssyndicalisme kijkt niet verder dan dit patronale concurrentiekader en verwacht alle heil van het verslaan van de concurrenten. ‘Ons’ p. 105patronaat mag de trein niet missen. Deze syndicale ‘managers’ willen de patroons voorbijsteken op hun eigen terrein en toezien of er wel genoeg en tijdig gerationaliseerd wordt.

2o Sommigen proberen deze uitgangspositie wat steviger te onderbouwen en verwijzen naar de theorieën van Schumpeter. Volgens deze burgerlijke economist worden de structurele crisissen van het kapitalisme enkel veroorzaakt door ‘uitputting’ van de technologische evolutie. De nieuwe technologische revolutie zou aldus de basis vormen voor een nieuwe lange periode van hoge groei. Voor sommige vakbondsleiders is het perspectief dan ook zeer eenvoudig: samen met het (‘dynamische’) patronaat de nieuwe technologie bespoedigen. Helpen saneren, verouderde industrieën afbouwen en alle staatsmiddelen naar de spitstechnologie draineren. In 1983, op een dieptepunt van de crisis, kon men op het CMB-congres van Charleroi volgende redenering lezen10:

“Stellen dat het kapitalisme crisis voortbrengt helpt ons niets vooruit. We moeten a-priori’s en gescleroseerde denkbeelden overboord gooien en met nieuwe blik de toekomst onderzoeken. De crisis komt voort uit een ineenstorting van de productiviteitswinst. Dit is het gevolg van de uitputting van de technologie. Schumpeter toonde aan dat de grote golven van het kapitalisme gelijklopen met de innovatiegolven (pakketten nieuwe technologie). Aangezien de investeringen zeer hoog zijn in deze sectoren, riskeert de huidige golf aan onze neus voorbij te gaan als de Waalse regio niet alles op alles zet om de nieuwe technologie te lanceren. Daarom moet Charleroi een attractieve investeringspool worden. Vroeger waren stakingen nodig omdat de arbeiders 12 uur per dag werkten. Het werk onderbreken was de enige manier om te kunnen militeren, om problemen te bespreken. Vandaag, met werkdagen van soms zes uur gaat dat argument niet meer op. Staken speelt vaak in de kaart van het patronaat dat met overproductie wordt geconfronteerd. Bovendien worden stakingen dikwijls door de pers toegeschreven aan anarchisten, gauchisten met grote messen. De vakbeweging moet daarom zeer voorzichtig zijn in het hanteren van het stakingswapen.”

De hooggeleerde theorie laat geen enkele twijfel over de inzet van het debat: het moet gedaan zijn met de klassenstrijd. Alles moet wijken voor de nieuwe technologie.

In Luik en in Charleroi zetelen zowel ACV- als ABVV-leiders in plaatselijke organen van klassensamenwerking, verenigd rond bovenstaande visies. In Luik heet dat de ‘Groupe Japon’, in Charleroi de ‘CAAEC’. Begin 1988 werd in Wallonië in acht economische sectoren een ‘Concertation stratégique’ opgestart. De werkgroepen zoeken gezamenlijk naar nieuwe pistes voor de bedrijven. Bedoeling is de “syndicale beweging en het geheel van haar délégués naar het economische vlak te trekken en ze op dat vlak een rol van analist en acteur te doen spelen”11

Ook in Vlaanderen en Brussel is de nieuwe technologie het bindmiddel p. 106voor de ‘nieuwe klassensamenwerking’. De Sociaal-Economische Raden, de Stichting Technologie Vlaanderen en de Reconversiemaatschappijen vervullen er een gelijkaardige rol, beheerd door patroons en vakbondsleiders samen.

Sommige vakbondsleiders zijn permanent in de weer alsof zij zaakgelastigden of handelsreizigers zijn van het patronaat. Dit ‘managerssyndicalisme’ ondermijnt de bestaansreden zelf van de vakbond. Behalve het feit dat het patronaat een aantal onbetaalde werkkrachten bij heeft lost het maar weinig van de problemen op die men beweert aan te pakken.

Werkgelegenheid? Ofwel helpt men nieuwe bedrijven te creëren in de spitstechnologie en dan gaat het meestal om zeer kapitaalsintensieve bedrijven met zeer weinig werkkrachten. Ofwel helpt men bestaande bedrijven om te schakelen naar hoogtechnologische productiemethodes en dan betaalt men met rationalisaties, hogere uitbuiting en meestal verlies van werkplaatsen. (Dit wordt goed aangetoond door het voorbeeld van Caterpillar, zie 226.) Bovendien betaalt men een prijs voor de klassensamenwerking, namelijk de vernietiging van de autonomie van de vakbond.

De crisis oplossen? Het is uiterst naïef te geloven dat men bijdraagt tot de oplossing van de acute crisisproblemen door de patroons ter wille te zijn. Een oplossing voor de crisis betekent trouwens helemaal niet hetzelfde voor de patroons als voor de arbeiders. Voor de patroon is de crisis opgelost als hij zijn winst heeft hersteld en zijn concurrenten eronder heeft gewalst. Als men al aan iets bijdraagt, dan is het aan de concurrentieoorlog en aan de verdeling van de arbeiders. Wat eruit volgt is een veel productiever productieapparaat dat nog scherper zal botsen op de grenzen van de koopkracht van de werkers. Met een nieuwe, scherpere crisis van overproductie tot gevolg Kortom die hoogtechnologische klassensamenwerking brengt niets op en is uiterst vernietigend voor de vakbond.

Notes
10.
Samengevat naar: “Quel syndicalisme pour demain?”, Congres CMB-Charleroi, 22 oktober 1983.
11.
Tussenrapport Jean Fostier, “Les Concertations Stratégiques”, maart 1989, p. 5.
Up: 23. Vakbond en nieuwe technologie Previous: 231. ‘We kunnen de vooruitgang niet tegenhouden’ Next: 233. Het einde van het taylorisme?