Dominique Meeùs

Dernière modification le   

retour à la table des matièresau dossier marxisme

011.
De economische democratie als einddoel

De basisopstelling die doorheen de geschiedenis de beide vakbondsprogramma’s bepaalt, is de volgende: “De politieke democratie is verworven, de sociale democratie moet nog worden verbeterd, de economische democratie moet nog worden afgedwongen. Vooral dit laatste is een voorwaarde om tot een ‘echte’ democratie te komen.”

De beide vakbondsprogramma’s zien de verwezenlijking van het einddoel als een langzame, constante groei van sociale gelijkheid en economische medezeggenschap, binnen het bestaande kapitalistische systeem. Het is een kwestie van kwantiteit, van hoeveelheid, die door constante druk en overleg opgelost kan worden. ACV- en ABVV-programma hebben daarbij hun eigen nuances en gevoeligheden.

Sinds haar ontstaan heeft het ACV het socialisme als einddoel bestreden en tot op vandaag blijft de ‘geleide planeconomie’ voor de ACV-leiding het ‘ergste kwaad’, veel erger dan de ‘gebreken en tekortkomingen’ van de markteconomie. Het maatschappijmodel waarvoor de ACV-leiding opkomt, bestaat dan ook uit een soort ‘bijgestuurd’ kapitalisme dat in zijn meest recente versie werd gedefinieerd als een ‘gemengde markteconomie op basis van zelfbeheer’. (Een economie in dienst van mens en samenleving, 1980) De ‘bijsturing’ van de algemene marktmechanismen gebeurt vanuit de staat, vandaar ‘gemengd’. Op bedrijfsniveau is er tegelijk een toenaderingsproces tussen kapitaal en arbeid, dat moet uitmonden in zelfbeheer van al wie bij de productie betrokken is. De vakbond treedt op als drukkingsgroep die de staat op zijn plichten wijst en de arbeiderspool van het zelfbeheer uitbouwt.

Het ABVV heeft zich altijd ingeschreven in het perspectief van het socialisme en beweert de markteconomie te verwerpen. Maar vanaf haar ontstaan kreeg dit een reformistische inhoud die het kader van de burgerlijke democratie als limiet stelt. De volksdemocratie, de Sovjetstaat, de centrale planeconomie en de revolutie worden verworpen als ‘totalitair, ondemocratisch’. Het principe van één man of vrouw, één stem moet van het politiek domein worden ‘uitgebreid’ naar het economische domein. (Holdings en economische democratie, 1956). Voor het ABVV moet deze langzame omvorming leiden tot een ‘democratisch zelfbeherend socialisme’ (Arbeiderscontrole, 1971). De ABVV-leiding besteedt traditioneel meer aandacht aan de ‘controle’ vanuit de staat dan de ACV-leiding.

Uiteindelijk hebben beide doctrines dezelfde kern: de politieke democratie wordt als voltooid beschouwd, voor de sociale democratie zijn er goede en slechte tijden en de economische democratie realiseren blijft de grote doelstelling: kapitaal en arbeid op gelijke voet. We zullen aantonen dat uit deze licht variërende doctrines meer en meer gelijklopende conclusies volgen, dat de praktische opstellingen naar elkaar toegroeien.