Dominique Meeùs

Dernière modification le   

retour à la table des matièresau dossier marxisme

De tijd staat aan onze kant
Vakbondsmilitant in de jaren 90
Crisis, nieuwe technologieën, internationalisering
Jo Cottenier, Kris Hertogen
Uitgeverij EPO, vzw Lange Pastoorstraat 25-27, 2600 Berchem: 1991

Table of contents

Colofon van het boek van 1991

Omslagontwerp: Lieven Soete

Druk: Drukkerij-Zetterij EPO

© Uitgeverij EPO vzw, 1991
Lange Pastoorstraat 25-27
2600 Berchem
Tel.: +32 3 239 68 74
Fax.: +32 3 218 46 04

ISBN: 90-6445-568-6
D 1991/2204/14
NUGI 661
SISO 310
UDC 304

Verspreiding voor Nederland
Uitgeverij De Geus
Postbus 1878
4801 BW Breda
Tel.: +31 76 22 81 51

Over deze editie

Versie 1.11 van 7-8-2018

Ik heb eerst een vreemde PDF gekregen, puur beeld PDF (zonder tekst), en geen PDF van het boek zelf, getuige OCR-fouten. Ik had dus zichtbaar het resultaat van een OCR-behandeling … zonder tekst! Ik moest dus het OCR overdoen (optische tekenherkenning) met Tesseract.1 De tekst werd dan gecorrigeerd en de spelling gemoderniseerd.2 Verkorting van jaren werd behouden in uitdrukkingen als “de jaren 60” (zonder apostrof), maar niet voor een specifiek jaartal : “in ’71” bij voorbeeld werd als “in 1971” genormaliseerd. (Met uitzondering voor ‘eigennamen’ als ’60-’61 of ’68.) Verwijzingen werden gecontroleerd en verduidelijkt. Volgens huidige internationale normen werd spatie gebruikt voor een groep van drie cijfers. In het geval van Marx, Engels en Lenin is zoveel mogelijk verwezen naar het Marxistisch Internet-Archief.

Het resultaat werd met het boek vergeleken.

Paginanummers zijn in lichtgrijs gemarkeerd, op hun plaats in de tekst (maar zonder woorden te breken), om verwijzing naar het boek te vergemakkelijken.

De tekst werd in TEI XML gecodeerd (Text Encoding Initiative)3 en van daar met XSLT transformaties (door de TEI voorzien) in HTML pagina’s omgevormd.4 Grafieken in de vorm van een kromme (in 112 bis alleen) zijn uit het boek gekopieerd als een afbeelding. Alle andere grafieken werden in SVG gecodeerd.5 Wiskundige formules werden in MathML gecodeerd.6

Index van kaderstukken

111 bis. Drie wetmatigheden van het kapitalisme die tot crisis leiden

112 bis. Conjuncturele en structurele crisis

12 bis. Winstvoet en patronale strategieën

212 bis. Productiekrachten — productieverhoudingen — productiewijze

212 tris. De drie technologische revoluties onder het kapitalisme

222 bis. Meerwaarde, meerwaardemassa, meerwaardevoet, absolute en relatieve meerwaarde

224 bis. Een geschiedenis van de kwaliteitszorg

226 bis. Nieuwe technologie en winstvoet

227 bis. Het medebeheer bij General Motors — Antwerpen

235 bis. Wetgeving en controle op de invoering van nieuwe technologie

236 bis. Opiniepeiling over flexibiliteit

312 bis. De kapitaalcyclus

331 bis. Een korte geschiedenis van de vakbondsinternationales

41 bis. Wie produceert meerwaarde? Wie wordt uitgebuit?

534 bis. De drie samenstellende delen van het wetenschappelijke socialisme

711 bis. Klassen

p. 4

Dank

De hoofdthesissen van dit boek werden goedgekeurd op het derde partijcongres van de PVDA, in januari 1988.

Met dank aan Imelda Haesendonck, Jean Michaux en Jan Vandeputte die in vele discussies hebben bijgedragen tot de realisatie van dit boek.

p. 5

Inleiding
0.
De ideologische crisis in de vakbond

In mei 1973 verklaarde Jef Houthuys, de toenmalige voorzitter van het ACV: “Ik ben geen profeet, maar de jaren 70 moeten beslissend zijn voor het doorbreken van de economische democratie.” Enkele maanden later breekt een van de zwaarste en langste crisissen uit de geschiedenis van het wereldkapitalisme los. In september 1974 houdt Houthuys nog vast aan zijn geloof: “Ik blijf ervan overtuigd dat de zeventiger jaren beslissend zullen zijn om de economische democratie te realiseren.”1 Alle ‘zekerheden’ van de vakbondsdoctrines zijn sindsdien serieus onderuit gegaan. De crisis heeft veel illusies de kop ingeslagen: zoals de langzame ononderbroken groei naar de ‘welvaartsstaat’, zoals de langzame verovering van economische macht door ‘economische democratie’, zoals de toenemende inperking van de kapitalistische willekeur via de ‘overlegeconomie’. Sinds het midden van de jaren 70 is het inlevering, afbraak en soberheid. De overlegmotor, de trots van België’s politieke systeem, sputtert en valt stil.

p. 6

01.
De vakbondsleiding vóór en bij het uitbreken van de crisis

011.
De economische democratie als einddoel

De basisopstelling die doorheen de geschiedenis de beide vakbondsprogramma’s bepaalt, is de volgende: “De politieke democratie is verworven, de sociale democratie moet nog worden verbeterd, de economische democratie moet nog worden afgedwongen. Vooral dit laatste is een voorwaarde om tot een ‘echte’ democratie te komen.”

De beide vakbondsprogramma’s zien de verwezenlijking van het einddoel als een langzame, constante groei van sociale gelijkheid en economische medezeggenschap, binnen het bestaande kapitalistische systeem. Het is een kwestie van kwantiteit, van hoeveelheid, die door constante druk en overleg opgelost kan worden. ACV- en ABVV-programma hebben daarbij hun eigen nuances en gevoeligheden.

Sinds haar ontstaan heeft het ACV het socialisme als einddoel bestreden en tot op vandaag blijft de ‘geleide planeconomie’ voor de ACV-leiding het ‘ergste kwaad’, veel erger dan de ‘gebreken en tekortkomingen’ van de markteconomie. Het maatschappijmodel waarvoor de ACV-leiding opkomt, bestaat dan ook uit een soort ‘bijgestuurd’ kapitalisme dat in zijn meest recente versie werd gedefinieerd als een ‘gemengde markteconomie op basis van zelfbeheer’. (Een economie in dienst van mens en samenleving, 1980) De ‘bijsturing’ van de algemene marktmechanismen gebeurt vanuit de staat, vandaar ‘gemengd’. Op bedrijfsniveau is er tegelijk een toenaderingsproces tussen kapitaal en arbeid, dat moet uitmonden in zelfbeheer van al wie bij de productie betrokken is. De vakbond treedt op als drukkingsgroep die de staat op zijn plichten wijst en de arbeiderspool van het zelfbeheer uitbouwt.

Het ABVV heeft zich altijd ingeschreven in het perspectief van het socialisme en beweert de markteconomie te verwerpen. Maar vanaf haar ontstaan kreeg dit een reformistische inhoud die het kader van de burgerlijke democratie als limiet stelt. De volksdemocratie, de Sovjetstaat, de centrale planeconomie en de revolutie worden verworpen als ‘totalitair, ondemocratisch’. Het principe van één man of vrouw, één stem moet van het politiek domein worden ‘uitgebreid’ naar het economische domein. (Holdings en economische democratie, 1956). Voor het ABVV moet deze langzame omvorming leiden tot een ‘democratisch zelfbeherend socialisme’ (Arbeiderscontrole, 1971). De ABVV-leiding besteedt traditioneel meer aandacht aan de ‘controle’ vanuit de staat dan de ACV-leiding.

Uiteindelijk hebben beide doctrines dezelfde kern: de politieke democratie wordt als voltooid beschouwd, voor de sociale democratie zijn er goede en slechte tijden en de economische democratie realiseren blijft de grote doelstelling: kapitaal en arbeid op gelijke voet. We zullen aantonen dat uit deze licht variërende doctrines meer en meer gelijklopende conclusies volgen, dat de praktische opstellingen naar elkaar toegroeien.

p. 7

012.
Staatstussenkomst en overleg vormen de pijlers

Na de tweede wereldoorlog kende het westerse kapitalisme een lange periode van hoge en relatief stabiele groei. De Amerikaanse supermacht nam het voorheft in de neokoloniale uitbuiting, de internationale vrijhandel, de uitzaaiing van de multinationale ondernemingen en de militarisering van de economie (de Koreaanse en Vietnamese oorlog). De economische wereldorde werd verder aangezwengeld door toenemende staatstussenkomst, door een flink gestegen productiviteit en door een markt van massagoederen.

De snelle economische groei en de hogere productiviteit lieten het patronaat toe om meer kruimels te verdelen; toegevingen te doen om de sociale vrede te bewaren. De grotere koopkracht geeft voedsel aan de illusie van meer sociale en economische democratie. Jef Houthuys spreekt in beate termen over het ‘aards paradijs van de jaren 60’. Sommige socialistische vakbondsleiders zien reeds de definitieve verdwijning van het salariaat aan de horizon. Omdat de arbeiders voortaan een min of meer ‘rechtmatig’ loon krijgen, zou het marxisme, dat de arbeidskracht beschouwt als een koopwaar en de productie als een uitbuitingsproces, definitief achterhaald zijn. Het kapitalisme is niet langer een uitbuitingseconomie maar een ‘welvaartseconomie’. Bewijs: de ‘sociale welstand’ van de arbeidersklasse.

Elke tussenkomst van de staat in de economie wordt door de vakbondsleidingen beschouwd als een overwinning van de ‘belangen van de gemeenschap’ op de ‘privébelangen van het kapitaal’. Met andere woorden als een stap naar meer ‘economische democratie’. Vooral de ABVV-leiding toont zich zeer ‘vooruitstrevend’ in het ontwerpen van staatsinterventies die echter uitdraaien op reusachtige steunprojecten voor het grootkapitaal. Zo staat bijvoorbeeld het feitelijke resultaat van het structuurhervormingsplan van 1954-1956 in schril contrast met de ‘antikapitalistische’ taal die errond geweven werd.2 De ‘economische democratie’ wordt als een opgeblazen ballon: lucht van binnen en klaar om te barsten.

Dit is de achtergrond waartegen ‘de overlegeconomie’ tot bloei komt. Dit overleg is vaak voorgesteld als de bron van grote sociale verwezenlijkingen. In feite is het een spel van geven en nemen: het patronaat doet geen enkele toegeving die niet met een minstens even belangrijke toegeving van de andere zijde wordt betaald. De basis wordt gelegd door het Sociaal Pact dat nog tijdens de oorlog (1944) wordt afgesloten. Op dat ogenblik is de hoofdzorg van het patronaat zonder meer het behouden van de politieke en economische macht. Wat zij toekent (de sociale zekerheid) is niet een verovering van het ‘overleg’, maar is een toegeving uit schrik voor de revolutie en de klassenstrijd. De vakbondsleidingen verkopen deze reële verovering echter voor sociale vrede. De vakbondsleiding belooft een dam op te werpen tegen de revolutie en mee te werken om het systeem van burgerlijke democratie en economische uitbuiting te herstellen. Een gelijkaardig compromis werd na de eerste wereldoorlog beloond met de officiële erkenning van de vakbonden door het patronaat p. 8(paritaire commissies) en met de achturendag. Dit keer wordt het beloond met het officieel bekrachtigen van het overlegsysteem. Er worden overlegorganen opgericht op nationaal, sectorieel en bedrijfsvlak, voor economische en sociale materies. Het overleg en de sociale programmatie dragen in de ogen van het patronaat bij tot de economische stabiliteit en tot de sociale rust. Dit wordt kort daarna op de meest treffende wijze beaamd door het afsluiten van de Productiviteitsverklaring van 1954. De patroons erkennen het bestaan van de vakbonden en de vakbonden erkennen het gezag van het patronaat over de onderneming. De vakbonden zullen meehelpen om de productiviteit op te voeren en de patroons willen praten over de verdeling van de koek. Volgens de vakbondsleiding was dit overlegsysteem tot hiertoe de grootste doorbraak in de geschiedenis van de ‘economische democratie’. De vakbondsleiding klampt zich vast aan de illusie dat zij ‘mee kan beslissen’.

013.
Toenemende integratie

De zogenaamde verwezenlijking van de ‘economische democratie’ leidt in werkelijkheid naar toenemende integratie in het systeem. De vakbondsleiding stemt zich steeds meer af op de kapitalistische noden, onder het ordewoord ‘grotere taart, grotere stukken’. Maar het is niet omdat de taart iets groter wordt en dus ook de stukken dat het iets verandert aan het wezen van het systeem.

Er verandert niets aan de uitbuiting. De hoogte van het loon bepaalt niet of er uitbuiting is of niet. De uitbuiting ligt in het bezit van de productiemiddelen en de privé toe-eigening van de geproduceerde waarde en meerwaarde. Verder wordt de ‘graad’ van uitbuiting niet bepaald door de hoogte van het loon, maar door de ‘verhouding’ tussen loon en meerwaarde, tussen wat de arbeider krijgt en wat naar de kapitalist stroomt. Burgerlijke studies wijzen uit dat de uitbuitingsgraad ook in de jaren 60 praktisch ongewijzigd is gebleven. En dan hebben we nog niet over de uitbuitingsgraad van de derde wereld.

Er verandert evenmin iets aan het karakter van de staatsmacht. De ontwikkeling van het kapitalisme vereist dat de Staat, als ‘collectieve kapitalist’, steeds meer economische taken gaat opnemen voor het monopoliekapitaal. Er is een toenemende versmelting tussen staat en monopolies.

Een gelijklopende analyse zal later ook schoorvoetend gemaakt worden door een aantal vakbondsverantwoordelijken, zelfs in het ACV. We citeren Robert D’Hondt, algemeen secretaris, uit een toespraak in 1981: “Iedereen aanvaardt nu de idee dat men niet meer moet hopen om te leven zoals voordien, dat wil zeggen in de euforie van de gouden jaren, van het decennium van de jaren 60. Maar is het werkelijk zo wenselijk om terug te keren naar een leefmodel dat te vergelijken is met dat van de jaren 60 tot 70? Wat is voor ons werkers het bilan van deze westerse economische maatschappij in failliet? Het Belgische syndicalisme heeft het spel p. 9gespeeld van de groei van het BNP (bruto nationaal product). Het heeft het kapitalisme gevoed om, van de vergrote taart, een groter stuk te krijgen voor de werkers. Kortom, we hebben de draak gevoed, we hebben op het terrein van de andere gespeeld, want er is niets wezenlijks veranderd. Het positieve resultaat is dat België, meer dan elders, de problemen van sociale rechtvaardigheid heeft opgelost. Het negatieve resultaat is dat we liefdadigheidswerk hebben gedaan tegenover de arbeidersklasse. Maar we zijn er niet in geslaagd noch toe bekwaam geweest om op voldoende betekenisvolle wijze haar economisch, sociaal en cultureel leven in handen te nemen. We hebben er absoluut niets bij te winnen, om dit model dat ons wordt opgelegd door de heersende klasse te blijven volgen, want de ongelijkheden nemen toe […], de arbeidsomstandigheden worden hoe langer hoe pijnlijker, de levensomstandigheden zijn ook hoe langer hoe pijnlijker en worden afgeleid van hun sociale doelstellingen. Anderzijds wordt door onze culturele conditionering het succes, het individualisme en het opportunisme opgehemeld. Dat alles is het resultaat van de overheersing van het kapitalistische model.”3 Let wel, deze toespraak werd gehouden nog voor de grote batterij van sociale afbraak en inlevering er aan kwam.

014.
Het medebeheer afgedaan?

Brede lagen binnen de arbeidersklasse en onder de progressieve intellectuelen hadden al veel eerder de welvaartsschijn, de glitter van de golden sixties doorprikt. De realiteit van de uitbuiting enerzijds en de integratie van de vakbondsleiding in het systeem anderzijds, zorgden voor een groeiende kloof tussen top en vakbondsbasis. Het imperialistisch offensief in Vietnam, de Culturele Revolutie in China en de autoritaire onderwijsstructuren in dienst van het kapitaal bepaalden het klimaat voor een algemeen studentenprotest, dat uitgroeide tot de revoltes van 1968.

De progressieve studentenbeweging verdiepte haar analyses en werd een antikapitalistische beweging die Marx en Lenin herontdekte. Tijdens de wilde stakingsgolf van 1970 wordt de PVDA (toen ‘Alle Macht aan de Arbeiders’ — AMADA) geboren. De vakbondsleidingen zijn erg ongerust. Dat uit zich onder meer in de ijver waarmee ze een ‘ideologische herbronning’ starten.

De ACV-doctrine schakelt over van medebeheer op ‘zelfbeheer’ (Democratisering van de onderneming, 1971). Voor een groot deel van de top dekt die nieuwe, radicaler klinkende benaming precies dezelfde inhoud. Dit is niet het geval voor de linkse stromingen in de christelijke arbeidersbeweging die zich eveneens kristalliseren rond de zelfbeheer-idee. Bij groepen als MAP-GPTC houdt dit een radicale kritiek in van de bestaande kapitalistische orde, tot en met een verwerping van de kapitalistische markteconomie en een ontmaskering van de klasserol van de staat.

De ACV-leiding zit helemaal niet op die golflengte en gebruikt handig de zelfbeheer-idee om een mistgordijn op te trekken. Het gordijn hangt p. 10er vandaag nog en zo kan men het meemaken dat de organen van klassensamenwerking zoals de kwaliteitscirkels en het participatief management tot stappen in de richting van het zelfbeheer worden gedeclareerd. (Zie hoofdstuk 2.)

Ongeveer gelijktijdig schakelt de ABVV-doctrine over van medebeheer op ‘arbeiderscontrole’ (1971). Na de oorlog geloofde ook de ABVV-leiding dat de weg naar economische democratie langs medebeheer zou lopen (letterlijk: delen van de macht). De nieuwe lijn van arbeiderscontrole (al in 1958 door Renard verdedigd) bevat twee aspecten. In essentie blijft ze de reformistische illusie van de langzaam groeiende deling van de macht met het kapitaal nastreven. Het tweede aspect is dat arbeiderscontrole zich duidelijk afzet tegen de integratie in het systeem. In die betekenis wordt de lijn verdedigd door de linkervleugel van het apparaat, die afstand wil nemen van sommige verregaande integratiepraktijken. Een versterking dus van de linkervleugel aan de top, binnen het kader van een globaal reformistische strategie. Vele délégués hebben de arbeiderscontrole gebruikt en gebruiken ze nog steeds om hun autonome klasseopstelling te verdedigen. De vele dubbelzinnigheden maken echter dat ook de hardste verdedigers van de overlegeconomie voortaan hun activiteiten als arbeiderscontrole kunnen verkopen. Rechtse ABVV-leiders kun je vandaag horen vertellen dat zij het participatief management enthousiast steunen om arbeiderscontrole toe te passen.

015.
Hoe maak je communisten onschadelijk?

De revolutionairen die zich na Mei 68 organiseren en zich verbinden met de arbeidersklasse, worden door beide vakbondsleidingen als avonturiers en verdelers bestempeld. In het bewuste interview waarin Jef Houthuys de spoedige komst van de economische democratie aankondigt, trekt hij van leer tegen de nieuwe vijand: “Je ontkomt uiteraard niet aan de vaststelling dat er een ‘nouvelle vague marxiste’ ontstaan is na 1968. Waardoor de onvrede wordt uitgebuit door mensen die niet de arbeiders maar hun eigen politieke belangen op het oog hebben: AMADA. RAL en dat soort groepjes. Wij waarschuwen de arbeiders tegen die bewegingen Ze willen geen geluk brengen, maar anarchie.”4 Een nieuw communistisch spook waart over Europa en het moet met alle kracht worden bekampt en uit de organisatie gestoten. De heksenjacht bereikt een hoogtepunt met de ontbinding van de militantenkern op de Boelscheepswerf in Temse en de uitsluiting van hoofddélégué Jan Cap en de militanten die hem trouw zijn, in 1982.

De rechtervleugel van de ABVV-leiding bekampt met evenveel energie het toelaten van communisten in de vakbond. John Vanden Eynde van de PMB-Antwerpen, een van de weinige vakbondsleiders die zijn functie nota bene cumuleert met een politiek mandaat als SP-senator, bouwt zich de grootste reputatie op als AMADA-koppensneller. Maar over het algemeen heeft de ABVV-leiding veel meer ervaring met het onschadelijk maken van communisten. Na de oorlog zag de gevluchte en versplinterde p. 11ABVV-leiding zich verplicht de Eenheidsvakbond met communisten en renardisten op te richten om haar verloren invloed te herwinnen. In het nieuwe ABVV sloten alle reformistische fracties een front om de communisten te neutraliseren en ze uiteindelijk uit alle leidende posten te verwijderen. Algemeen ABVV-secretaris Georges Debunne verwijst hiernaar bij zijn afscheid: “Ik geloof dat het ABVV in zijn rangen steeds extremen heeft gekend, maar dat de organisatie die altijd democratisch heeft kunnen aanvaarden, dat er steeds gemene delers zijn gevonden. Het ACV heeft eigenlijk de periode van de verhitte discussies, enkele jaren na de oorlog, tussen andersdenkenden binnen de eigen organisatie niet meegemaakt. Bij het ACV is het moeilijker om binnenin de extremen te aanvaarden. De ondemocratische beslissingen over de Boeldelegatie wijzen mijns inziens daar ook op. De democratie vereist toch wel dat men zelfs voor een minderheid respect opbrengt.”5 Debunne stelt de ABVV-leiding hier wel overdreven tolerant voor. Voor vele reformistische vakbondsleiders was de opname van de communistische vakbond slechts een tactiek om het communisme onschadelijk te kunnen maken. De reformistische ontwikkeling van de KP maakte de ideologische recuperatie bovendien gemakkelijker. Ook nu rekenen de ‘verstandige’ ABVV-leiders op een snelle recuperatie van de revolutionairen. Men ziet dan ook meer en meer dat — na enige aarzeling — de generatie van ’68 wordt toegelaten en op gecontroleerde wijze déléguéfuncties mag opnemen. Maar het zwaard van Damocles blijft boven hun hoofd hangen, zoals boven dat van te strijdbare krachten.

016.
Er valt een crisis uit de lucht

Niemand in de vakbondsapparaten gelooft op dat ogenblik in een terugkeer van een grote wereldcrisis zoals die van de jaren 30. Dit geloof in de crisisvrije ontwikkeling is gefundeerd op de burgerlijke economische theorie van Keynes. Volgens die theorie kan de Staat de conjunctuurschommelingen nivelleren en kan de sociale zekerheid als buffer werken tegen een ineenstorting van de koopkracht. Vraag en aanbod zouden op die manier in evenwicht worden gehouden en zware economische crisissen voorgoed uitgeschakeld De sociaaldemocratie, die over de hele wereld de theorie van Keynes aanhangt, werpt zich op als de beste bestuurder van het kapitalisme.

Nochtans zijn sinds het eind van de jaren 60 de voortekenen van een grote ineenstorting merkbaar. Het Amerikaanse imperialisme raakt in serieuze problemen, de productiviteit daalt, de inflatie neemt toe en er ontstaat een monetaire wanorde. Wanneer in 1974-1975 de wereldrecessie optreedt, wordt dit door de vakbondsleiding — zoals door de burgerij — als een voorbijgaande conjunctuurinzinking beoordeeld, veroorzaakt door een ‘externe’ factor, namelijk de stijging van de petroleumprijzen. Tot 1978 wordt getwijfeld aan de lange duur en aan het structurele karakter van de crisis. Zelfs wanneer de werkelijkheid tot hen doordringt, wordt er over het algemeen weinig aandacht besteed aan de vraag naar de p. 12oorzaken.

Voor de rechtervleugel in het ACV en het ABVV is de schuldvraag overbodig. Iedereen is schuldig en het komt erop aan om ‘samen’ oplossingen te vinden. Anderen zoeken in de richting van allerlei technische of externe factoren (technologische uitputting, dure dollar, petroleumprijzen, verkeerde patronale strategie …) maar zelden of nooit wordt de oorzaak gezocht in het systeem zelf.

Diegenen die het systeem verantwoordelijk stellen voor de crisis, zijn een kleine minderheid in beide vakbondsapparaten.

017.
Een globale verrechtsing

“Er zijn twee manieren om te reageren,” stelt Jef Houthuys in 1978. “Ofwel oordeelt men dat alles verloren is en dat men moet komaf maken met het kapitalisme, ofwel wordt men bewust van die nieuwe realiteit en probeert men bij te dragen tot de maatschappijverandering die aan de gang is.”6 De overgrote meerderheid kiest niet voor een radicale omwenteling van het systeem maar voor ‘aanpassing van het syndicalisme aan de nieuwe toestand’. Maar voor wie de kapitalistische logica respecteert, biedt de nieuwe toestand steeds minder manoeuvreerruimte. De zoektocht naar ‘het nieuwe syndicalisme’ brengt globaal een proces van verrechtsing op gang. Steeds meer vakbondsleiders vereenzelvigen zich met de problemen van het kapitalisme, werken aan ‘alternatieve inlevering’ of ‘rechtvaardig gespreide matiging’. Dat leunt aan bij de politiek die door de socialistische partijen verdedigd wordt. Deze verrechtsing gaat gepaard met een pleidooi voor meer ‘realisme’ en voor ‘andere actievormen’ dan de staking.

De linkervleugel van de vakbonden heeft globaal langer weerstand geboden tegen de aanvallen van het kapitaal (lonen, sociale zekerheid, afdankingen), maar haar belangrijkste zwakte is de afwezigheid van een radicaal antikapitalistisch alternatief. Een kleine minderheid in het apparaat houdt vol dat de crisis het moment bij uitstek is om antikapitalistische structuurhervormingen door te voeren maar men vindt ze meestal op plaatsen die niet het beleid bepalen.7

018.
Heimwee naar het sociaal overleg

Vooral het afspringen van het sociaal overleg wordt door vele vakbondsleiders zwaar betreurd. Voor de meest rechtse krachten is dit het enige wat telt: zij willen als verantwoordelijke partners beschouwd worden en willen meezoeken naar oplossingen. “Vroeger konden onze voorgangers Gust Cool en Louis Major op de moeilijke momenten over de sociale zekerheid, de productiviteit of de sociale programmatie akkoorden met de werkgevers maken”, betreurt Houthuys, en “Het is juist in deze periode van sociale omwenteling dat men de ideologische obstakels zou moeten overwinnen. […] Hoezeer wij ook op ideologisch vlak verdeeld zijn, wij zullen de crisis slechts kunnen overwinnen door een consensus, niet door p. 13klassenstrijd of doctrinaire stellingen.”8

Het kapotgaan van het sociaal overleg beschouwen ze als het grootste gevaar voor de vakbeweging. Om dit overleg te herstellen, om tot een nieuw sociaal pact te komen zijn ze bereid om op de knieën te kruipen. Ze smeken om interprofessionele akkoorden en zijn tevreden met de minste schijn van toegeving.

De links reformistische vleugel hoopt eveneens op het herstel van het overleg, maar legt de verantwoordelijkheid voor het afbreken ervan bij het patronaat en de regering. Georges Debunne: “Het is waar dat de sociale relaties moeilijker geworden zijn. Waarom? Als alles goed gaat, als de te verdelen taart groter wordt, heeft iedereen de indruk dat ook zijn stuk groeit, zelfs als het proportioneel hetzelfde blijft. Als we op dat ogenblik met structuurhervormingen afkomen, als we onze ongerustheid over de toekomst uitdrukken zegt men ons: ‘Kom nou! Zie hoe goed alles gaat, hoe tevreden iedereen is. Waarom veranderen wat goed is?’ Men bekijkt ons als onheilsprofeten. Maar als niets nog gaat, zoals vandaag het geval is, zegt men ons: ‘Opgepast! We zitten allen in dezelfde boot. Laat ons allemaal solidair zijn, laten we samen een inspanning doen. En matig uw eisen. Spreek vooral niet over hervormingen! Het is niet het juiste moment, we zullen daarover spreken als het beter gaat.’ En tegelijk voert het patronaat een aanval tegen de koopkracht van de zwaksten. Hoe kan men dan verwonderd zijn dat de sociale relaties moeilijker zijn geworden?”9

Deze linkervleugel is niet bereid mee te werken aan de afbraakpolitiek om kost wat kost het overleg te doen slagen. Het ABVV wijst een interprofessioneel akkoord af in 1982 en 1984 en weigert elk overleg over de index in 1981-1982. Het is duidelijk dat niet alle vakbondsverantwoordelijken op dezelfde golflengte zitten.

02.
Het patronale offensief

021.
De liberale stormram

De klassieke liberale economische theorie (Smith, 1776) stelt dat het privékapitalisme, aan zichzelf overgelaten, een ‘natuurlijk evenwicht’ bereikt dank zij de vrije concurrentie. De ‘onzichtbare hand’ van de markt trekt alles recht wat krom is en laat op die wijze toe om individueel (privéwinst) en collectief belang (welvaart) te verzoenen. Wordt dit evenwicht door externe oorzaken verstoord, dan kan alleen het vrijemarktmechanisme deze onevenwichten herstellen. Toegepast op de huidige situatie luidt het dat buitensporige lonen, overdreven sociale zekerheid en een alomtegenwoordige staat de vrijemarktmechanismen hebben verstoord en de crisis hebben uitgelokt. De vakbondsmacht moet gebroken worden om op al die terreinen de klok terug te draaien. Thatcher zet als eerste het offensief in, hierin spoedig bijgesprongen door Reagan (1980). Vanaf dat ogenblik verovert de afbraakspiraal de hele westerse wereld. Om te ontsnappen aan de crisis moet elk land de concurrenten voor zijn in de p. 14afbraak van lonen en sociale verworvenheden.

Op 21 november 1981 lanceren een resem topfiguren uit de Belgische bank- en industriewereld een ‘Oproep tot alle burgers van dit land’, ondertiteld ‘voor een echte regering’.10 Zij vragen hierin een sterke hand die de patronale wensen doorzet, die stand houdt tegen elk verzet in (‘onafhankelijk van drukkingsgroepen’, maar niet van patronale groepen). Enkele dagen later zit Martens V in het zadel, met volmachten.

022.
De internationale sociaaldemocratie schuift mee op naar rechts

De sociaaldemocratie heeft sinds de jaren 30 de theorieën van de burgerlijke economist Keynes als theoretisch houvast aangenomen. Volgens Keynes neigt het systeem niet automatisch naar een evenwicht, maar moet het bijgestuurd worden door staatstussenkomst. Door een efficiënte staatsingreep kunnen zware crisissen worden vermeden.

Zoals de crisis van de jaren 30 een zware klap betekende voor de klassieke liberale denkbeelden, zo krijgen de theorieën van Keynes een zware klap door de crisis van de jaren 70. Het failliet van een ‘gepland, gecontroleerd kapitalisme met staatsregulering’ dwingt de sociaaldemocratie in het defensief tegenover de agressieve verdedigers van de vrije markt. Ze zoeken wanhopig naar een nieuw keynesiaans recept voor een welvarend kapitalisme en vinden het niet. Aangezien de sociaaldemocratie zich sinds lang verzoend heeft met de markteconomie en zijn grondvesten (het privébezit van de productiemiddelen) kan haar ‘alternatief’ niet voorbij aan de patronale klachten. De sleutelwoorden van de socialistische alternatieven zijn: ‘verdediging van de concurrentiepositie’, ‘vernieuwd industrieel beleid’ en ‘selectieve relance’. De concurrentiepositie kan alleen hersteld worden door een imitatie van het liberale beleid en laat zeker geen ruimte voor enige maatregel tegen de holdings, de banken en de monopolies. Ook de Belgische tenoren laten hierover niet de minste twijfel bestaan. Volgens Willy Claes “is het een foutieve legende dat de socialisten geen begrip kunnen opbrengen voor de rol van de bedrijven en het belang van hun concurrentievermogen”.11 Dat zal hij trouwens bewijzen zodra hij terug minister van Economische Zaken wordt, door als eerste maatregel de ‘wet ter vrijwaring van de concurrentiepositie’ te laten stemmen, die de regering volmacht geeft om in de lonen in te grijpen (1989). En ook Guy Spitaels heeft geen enkel probleem met de massale inkomensoverdracht naar de bedrijven die door de Martens V regering tot stand werd gebracht: “De voorzitter van de PS is niet beschaamd te stellen dat hij geenszins kritiseert dat de bedrijven geld zat hebben. Ik geef toe dat hun bloei een noodzakelijke voorwaarde is voor de voorspoed van het land.”12

Om de negatieve invloed van de inkomenspolitiek te verzachten, stelt de sociaaldemocratie de ‘selectieve relance’ voor. Deze aanwakkering van de investeringen langs staatsbestellingen en staatssteun botst dan weer met de toestand van de schatkist. Zodra de sociaaldemocratie in de regering komt heeft ze de keus: ofwel haar beloftes laten vallen, ofwel p. 15geld zoeken om ze te realiseren, door nog harder te snoeien in de sociale staatsuitgaven. Om deze politiek te voeren rekent de sociaaldemocratie op de sociale consensus. En dat is wellicht het enige waarin ze zich nog wezenlijk onderscheidt van de liberale tegenvoeters. Haar sterkste handelsmerk is dat ze beter de sociale vrede kan verzekeren dan de liberalen. Dat heeft ze in elk geval gedurende de hele oppositiekuur (1981-1988) proberen duidelijk te maken, door de syndicale beweging zoveel mogelijk af te remmen in haar verzet tegen de regeringspolitiek. Ook dat is nieuw. Een historische les ongetwijfeld uit ’60-’61; in de maanden vooraf voerde de BSP toen een harde agitatiecampagne vanuit de oppositie. Na de staking voerde de BSP als regeringspartij praktisch alle maatregelen van de Eenheidswet uit, wat haar later zwaar zou opbreken onder haar arbeiderskiezers. Dit risico wilden SP en PS dit keer niet lopen. Aan ieder die het horen wilde, waarschuwde Spitaels: “Er is plaats voor een andere politiek, maar niet voor een verschil van dag en nacht.”13 “Wij moeten inderdaad het risico op een fameuze kater bij onze basis, zoals in Frankrijk, na het aan de macht komen van Mitterrand, op voorhand in onze tactiek inbouwen”, valt Willy Claes hem bij.14

03.
De patronale tactiek tegenover de vakbondsleiding

031.
Beter met de vakbondsleiding dan zonder

Tot het algemene klimaat van verrechtsing behoort ook de agressieve patronale opstelling tegenover de vakbonden. De aanvallen op de verworven rechten, het levensniveau, de sociale zekerheid, de werkvoorwaarden, de openbare diensten en de democratische rechten kunnen maar doorgevoerd worden als de vakbondsweerstand wordt gebroken. De arbeidersklasse, maar ook de meeste vakbondsleiders waren niet zomaar bereid om de verworvenheden uit de periode van hoge groei terug in te leveren. Het patronaat heeft daarom een stapsgewijze tactiek ontwikkeld om hen ideologisch te winnen. Die tactiek speelt in op de opstelling van het grootste deel van de vakbondsleiders en houdt rekening met de tegenstellingen binnen de vakbondsstructuren.

De algemene strategie van het patronaat streeft ernaar om de vakbondsmacht te ontmantelen en om de vakbonden weerloos te maken door ze volledig in te kapselen in de kapitalistische logica. Het patronaat wil vakbonden die loyaal met hen samenwerken en die de arbeidersklasse en de klassenstrijd onder controle houden. De geschiedenis toont dat de kapitalistenklasse daarvoor in normale omstandigheden rekent op de ideologische verovering van de bestaande vakbonden en niet op de oprichting van nieuwe vakbonden. Slechts een keer werd in het verleden een poging ondernomen om een corporatistische vakbond op te richten, namelijk door de Duitse bezetter (De Unie voor Hand- en Geestesarbeiders). Slechts in uitzonderlijke omstandigheden (fascisme) worden de officiële p. 16vakbonden opzij gezet voor de creatie van nieuwe corporatistische structuren en bonden. Indien het patronaat vandaag inspeelt op het ontstaan van corporatistische vakbonden (syndicats-maison) dan maakt dit deel uit van de globale strategie om de vakbondsmacht te ontmantelen. Zij worden gebruikt om de vakbondseenheid te ondermijnen en om de ideologische druk op de traditionele vakbonden te vergroten. Het patronaat weet immers zeer goed dat het reformisme open staat voor klassensamenwerking en dat vrijwillig aanvaard corporatisme meer succes garandeert dan opgelegd corporatisme.

032.
Weerbarstige vakbondsleiders kraken

In een eerste periode (1977-1981) heeft het patronaat een campagne van intimidatie en ideologische chantage gevoerd tegenover de vakbondstop. Deze campagne probeert de rechtervleugel in de vakbonden te versterken, de linkervleugel te isoleren en te doen capituleren. Zo moeten de laatste haarden van principiële weerstand tegen de crisispolitiek opgerold worden. Het patronaat gebruikt harde taal tegenover de vakbondsleiders en viseert zeer in het bijzonder Georges Debunne. De campagne verloopt rond drie thema’s:

1o In België zijn de vakbonden baas. Het patronaat spreekt over een totaal onevenwicht in de machtsverhoudingen tussen patroons en vakbonden. Dit vindt zijn uitdrukking in de ‘voorzieningsstaat’, met een onredelijke uitbouw van allerlei sociale voorzieningen (l’État providence).

2o Vakbondsleiders die zich weigeren ‘aan te passen’ aan de crisissituatie worden als ‘avonturiers’, ‘onverantwoordelijke elementen’, ‘revolutionaire saboteurs’ bestempeld. De patronale pers heeft het over ‘rode terreur’. Het syndicalisme dat vertrekt van de klassebelangen en de klassenstrijd wordt aangevallen als ‘overleefd’, ‘dogmatisch’, ‘uit een ander tijdperk’.

Vooral Debunne, en met hem alle linkse krachten in beide vakbonden, worden hiermee op de korrel genomen. Jacques De Staercke, voorzitter van Fabrimetal: “De meeste vakbondsleiders zeggen dat de tijd van de matiging aangebroken is, indien niet in het openbaar dan toch in privé. Slechts enkelen, die in het spoor blijven van enkele min of meer utopische revolutionairen, weigeren de werkelijkheid te zien en pogen ondanks alles hun droom voor te zetten van een schepping die zowel gelijk als vooruitstrevend zou zijn.”15 Waarop De Standaard, de André Leysen-krant, als een echo herhaalt: “Het ABVV volgt dezelfde weg als de revolutionairen van de PVDA in eenzelfde sabotagemanoeuvre … Wie in die zin handelt, leidt het land naar de zelfvernietiging.”

3o Het patronaat beweert dat er een grote kloof bestaat tussen de vakbondstop, die vasthoudt aan verouderde denkbeelden, en de redelijke basis, die bereid is tot inlevering, die begrip heeft voor het algemeen belang. Deze boodschap richt zich vooral tot de rechtervleugel in de vakbondsapparaten p. 17en spoort hen aan om de ‘stem van de zwijgende meerderheid’ te laten horen.

Om haar campagne kracht bij te zetten stelt het patronaat zich onverzoenlijk op in het sociaal overleg, zodat de meeste mechanismen van de overlegeconomie (tijdelijk) worden opgebroken. Het patronaat vertrouwt op de regering om haar politiek met wetten en volmachten op te leggen, in afwachting dat de vakbondsleiding tot ‘rede’ is gebracht en vrijwillig de matiging ondergaat. De rechtse krachten zijn steeds bereid geweest om kost wat kost dit overleg te hervatten. Dit werd bijzonder duidelijk rond de indexslag.

Het patronaat voerde een campagne tegen de indexkoppeling van de lonen sinds begin 1975. Op 22 maart 1981 wordt door een uiterst beperkt ministerscomité van Martens IV (waarin ook de socialistische vicepremiers Claes en Mathot zetelen!) beslist “… dat er ten behoeve van het bedrijfsleven zou gesleuteld worden aan het indexsysteem”.16 Martens toetst de vakbondsleiders over een ‘noodplan’ en onmiddellijk worden de eerste breuken in het vakbondsfront duidelijk. Houthuys aanvaardt, Debunne weigert. De breuklijn loopt niet tussen maar doorheen de twee vakbonden; binnen de twee vakbonden zijn er voor- en tegenstanders. Op de ACV-persconferentie van 9 september 1981 verdedigt Houthuys de indexaantasting terwijl Robert D’Hondt en Armand Hengchen (Openbare Diensten) ze kort daarop resoluut afwijzen. Ook de ACV-Raad kant zich herhaaldelijk (27 oktober 1981 en 19 februari 1982) tegen een indexmanipulatie. Houthuys, Maris, Fruru in het ACV en John Vanden Eynde in het ABVV pleiten voor ‘overleg’ over de loonkost en nemen afstand van de ‘heilige koeien’. John Vanden Eynde en Meulendijks (ACV-Antwerpen) vechten samen met het patronaat voor loonvermindering in Cockerill Yards Hoboken, een precedent dat snel navolging zal krijgen in andere ‘nationale sectoren’. Op de Heizelconcentratie begin 1982 bekampt Debunne openlijk deze stromingen, onder stormachtige bijval van de 5 000 aanwezige militanten. Debunne verklaart zich bereid om tot de algemene staking over te gaan voor de verdediging van de index. In een ultieme bijeenkomst met de regering wijst Debunne een indexaantasting af, tot grote ergernis van Houthuys.

In het weekend van 21-22 februari slaat de regering toe, devalueert de frank met 8,5 % en neemt ‘begeleidende maatregelen’ waaronder een indexopschorting. Debunne gaat door de knieën voor de ‘overmacht’ van de devaluatie en de eerste grote ‘coup’ van Martens V. Tot grote ontgoocheling van zijn basis laat hij zijn dreiging vallen en pleit hij voor ‘het doen slagen van de devaluatie’. Na deze finale capitulatie is het hek van de dam. Debunne wordt kort daarop vervangen door André Vanden Broucke die pleit voor een ‘realistisch syndicalisme’, tegen het ‘dogmatisch syndicalisme’ en voor andere strijdvormen dan de staking. In de Franstalige vleugel van het ACV (die zich meestal radicaler opstelt) wordt eind 1981 door Robert D’Hondt een ‘bezinning over de doeltreffendheid van de vakbondswerking’ op gang gebracht. Le syndicalisme des années 80-90, p. 18een programmaverklaring die eind 1985 goedgekeurd wordt, wil eveneens de klassieke syndicale terreinen en methodes veranderen en pleit voor meer realistische doelstellingen.

De oproep van het patronaat om de verouderde dogma’s op te bergen en een nieuw sociaal pact te sluiten op basis van de beginselen van ‘concurrentiepositie, sociale matiging en sociale deregulering’ dringt langzaam maar zeker door in de vakbondsprogramma’s en in hun optreden.

Toch is de strijdwil van de basis niet gebroken. In de periode van de rooms-liberale regeringen hebben zich vier kansen voorgedaan om de sociale afbraakpolitiek een halt toe te roepen door een algemene staking en om een antikapitalistisch alternatief te bevechten: maart-april 1982 (staking Mons-Borinage, deelstakingen tegen regeringsplan), september 1983 (algemene staking openbare diensten), de lente van 1984 (strijdbeweging tegen het meerjarige saneringsplan) en april-mei 1986 (mijnstaking, spoorstaking, staking openbaar vervoer, Brussel en Wallonië, 24- en 48-urenstakingen in het hele land).

Maar die (meestal spontane) bewegingen stoten op een toenemende sabotage vanuit de vakbondstop, niet alleen in het ACV, maar ook in het ABVV. Waar de ACV-leiding zich meestal openlijk vijandig opstelt, ‘ondersteunt’ de ABVV-leiding hen met de bedoeling om ze niet te laten ontsporen en ze zo vlug mogelijk te beëindigen. Erg typerend daarvoor is de ABVV-‘mobilisatiecampagne’ in 1986: terwijl de beweging groeit en uitbreidt, weigert de ABVV-leiding voor te gaan en leidt ze alles af naar één betoging, die als bliksemafleider en orgelpunt moet dienen (31 mei). Bij zijn afscheid zal André Vanden Broucke over deze betoging met 200 000 deelnemers de volgende merkwaardige uitspraak doen: “Het is alleen jammer dat er geen duidelijke ordewoorden waren. Er was geen duidelijk perspectief, geen klaar stakingsbevel. […] Het is het privilege van de voorzitter om zijn organisatie te vertegenwoordigen. Dat wil zeggen: wat de voorzitter vertelt is datgene wat het Bureau hem vertelt. Maar … wat zijn Bureau niet vertelt, kan hij niet vertellen. En het Bureau had hem op dat ogenblik niet gezegd dat hij kon oproepen er met zijn allen tegenaan te gaan. En dus stond ik daar, voor al die mensen, zonder hen een duidelijk ordewoord te kunnen geven. Een moeilijk moment was dat. Dat is wat ik noem een gemiste kans.”17

033.
De belangrijkste weerstandshaarden liquideren

In de tweede periode past de patronale tactiek zich aan bij de nieuwe toestand. Ze is er nu vooral op gericht de weerstandshaarden aan de basis van de vakbonden te breken. Daartoe rekent het patronaat in de eerste plaats op de vakbondsleiders zelf.

In juli 1984 richt de nieuwe VBO-voorzitter André Leysen een oproep tot de vakbondsleidingen om mee de ‘anarchie’ te bekampen: “We hebben sterke vakbonden nodig, want er bestaat in onze democratie, een bekoring tot anarchie. Als de vakbonden gedesorganiseerd zouden raken, dan zouden p. 19we er snel zijn, in de anarchie! Denk niet dat ik hen onvoorwaardelijk goedkeur, maar ze zijn onze partners.”18 De boodschap kan niet misverstaan worden. Het VBO wil dat de vakbondsleiders de interne discipline versterken om ‘anarchistische’ spontane bewegingen zoals in 1982, 1983 en 1984 onmogelijk te maken. Het VBO wil dat de voortrekkers van die bewegingen, de meest linkse en de revolutionaire kernen binnen de vakbonden worden uitgezuiverd.

Bijna tegelijk met de patronale richtlijn, starten de rechtervleugels van de vakbonden een offensief voor de uitzuivering van de vakbonden en voor de hereniging rond een ‘realistisch syndicalisme’. De campagne werd ingezet met de uitsluiting van Jan Cap en de ACV-militantenkern van Boel, de schrapping van Hugo De Bruyne (Cockerill Yards) en Hugo Franssen (Bosal). Vervolgens werd Pablo Demoor geweerd als délégué op Volkswagen. Na de stakingsbeweging van 1986 werden de zuiveringen hernomen in de mijnen (de poging tot afzetting en uitsluiting van vier ABVV-délégués wordt verhinderd) en in de spoorsector (afzetting van twee ABVV-délégués en twee ACV-délégués in Luik). Meest recent is de uitsluiting van Gaston Van Dijck als ABVV-délégué (juni 1988) in De Beukelaer, gevolgd door zijn afdanking (1989). Na vrije déléguésverkiezing op Sidmar stelt het Fabrimetal-patronaat zich bijzonder hard op en worden vier van de nieuwe délégués afgedankt (januari 1988). In vele gevallen lijkt afdanking van délégués te gebeuren met goedkeuring van de vakbondsleiding zoals in het geval van Terence Harvey (ACV-GM) eind 1987 en van Arthur Stilmant (ABVV-Kraft) op Kerstmis 1988.

Aan deze periode van ‘toenaderingstactiek’ van het patronaat tegenover de vakbondsleidingen, beantwoordt de lokroep om gezamenlijk de sanering van de staatsfinanciën en de flexibiliteit door te voeren. VBO-voorzitter Leysen lanceert de oproep om de gemeenschappelijke vijand, de Staat, te bekampen. We zijn beide slachtoffer van de staat beweert Leysen, we betalen alle twee te veel belastingen. “Werknemers en werkgevers hebben een gemeenschappelijk probleem, namelijk een meer en meer inefficiënte Staat waar de verspillingsmechanismen de bovenhand nemen.”19 In feite wil hij dat de vakbondsleiders hun verzet tegen de besnoeiingen in de sociale sector opgeven. Het patronaat rekent hiervoor op de toenemende corporatistische reacties bij een deel van de vakbondstop en op het ‘realisme’ bij een ander deel.

Dat de vakbondsleiders meer en meer over de brug komen, blijkt bij het afsluiten van een collectief akkoord in de Nationale Arbeidsraad over de invoering van de flexibiliteit (nachtwerk, twaalfurendag, weekendwerk). Het is een doorbraak van ‘het nieuwe sociaal overleg’. De befaamde CAO 42 (1987) is een tastbare bekroning van het patronale offensief. In het verlengde daarvan wordt voor het eerst sinds lang opnieuw een interprofessioneel raamakkoord getekend (november 1986), helemaal op model van het patronaat, barstend van matiging.

p. 20

034.
De syndicale macht breken

De capitulatie van de vakbondsleiding opent de weg voor een nieuwe etappe in de ontmanteling van de vakbondsmacht, voor het structurele afbraakwerk. De patronale aandacht gaat hierbij vooral naar een beknotting van de syndicale rechten en de syndicale machtsposities. Het patronaat streeft dit na langs verschillende wegen.

Vooreerst langs wettelijke weg. Het ‘werkdocument’ van het VBO, door Solidair uitgebracht eind 1984, geeft alle grote doelstellingen aan. De “monopoliepositie van de werknemers en hun organisaties, zowel op het vlak van de bedrijven als op het vlak van het staatsgebeuren, moet fundamenteel in vraag gesteld worden.” Daartoe moeten rechtsnormen opgelegd worden aan de vakbonden. Het patronaat droomt van:

— rechtspersoonlijkheid voor de vakbonden, zodat ‘inbreuken’ financieel gesanctioneerd kunnen worden;

— wettelijke vrijwaring van het recht op arbeid, zodat stakingspiketten verboden en vervolgd kunnen worden;

— wettelijke vastlegging van geoorloofde en ongeoorloofde stakingen, zodat elke staking die niet strikt om beroepsbelangen gaat, of die niet de verzoeningsprocedures volgt, of die de leefbaarheid van de onderneming in gevaar brengt, verboden kan worden en niet erkend mag worden;

— wettelijke verplichting tot referendum;

— persoonlijke verantwoordelijkheid van de délégués voor elke overtreding, zodat de délégués vervolgd kunnen worden en bestraft met afdanking;

— financiële sancties voor alle arbeiders die deelnemen aan een onwettige staking;

— verplichte continuïteit van de openbare dienstverlening, zodat het stakingsrecht in de openbare sector opgeheven wordt;

— vrijheid tot lock-out en tot het beschermen van het recht op arbeid voor de patroons.

Deze stellingen worden in grote lijnen hernomen in een VBO-besluit van 1988, alhoewel het VBO hierbij onderstreept dat de overlegstructuur en de ‘afgesproken mechanismen’ de basis moeten blijven om de sociale vrede te waarborgen. De ‘geloofwaardigheid’ van dit systeem moet echter versterkt worden, aldus het VBO, vermits “vastgesteld wordt dat ondanks de daling in het aantal stakingen het overgrote deel van de stakingen wild zijn, waar precies de afgesproken regels niet worden nageleefd.”20

De afdanking van délégués bij Monsanto, Uniroyal, Cuivre et Zinc, Boel, Bosal en Sidmar zijn testgevallen voor het patronaat om de rechten van de délégués de facto en de jure af te breken. Het patronaat voert tegelijk een offensief bij de rechtbanken om stakingspiketten, bezettingen … te verbieden (Orban-Bois, Carlam …).

Daarnaast werken patronaat en regering aan nieuwe instrumenten om de p. 21syndicale basisstructuren lam te leggen. Het patronaat wil hierbij vooral de macht van de syndicale delegaties ontmantelen, door het lanceren van parallelle organen voor werkoverleg. Het ‘participatief management’ wil de arbeiders rechtstreeks betrekken in het bespreken en organiseren van de productie. De stormachtige bloei van ‘kwaliteitscirkels’ en andere gelijkaardige initiatieven is in wezen een bedreiging van de vakbondsmacht op de bedrijven en een poging tot inkapseling in de patronale logica.

In dezelfde context hoort ook de uitbouw van een patronaal kadersyndicalisme. De patroons willen op die manier het gewicht van de patronale vertegenwoordiging versterken, maar vooral een korps van rechtstreekse tussenpersonen tussen arbeiders en directie tot stand brengen. Dit korps moet de patronale stem naar de arbeiders kracht bijzetten en zich actief gaan mengen in alle sociale conflicten. De kadervakbond moet een bumper vormen die ook de sociale dienstverlening organiseert en op die manier de vakbondsdelegaties ‘overbodig’ maakt. De kaders moeten de rechtstreekse band met de arbeiders organiseren langs ‘kwaliteitscirkels’ waarin het rendement van de onderneming voorop staat. De officiële erkenning van de NCK en de deelname van de kaders aan de sociale verkiezingen van 1987 was hierin een belangrijke stap.

In de openbare diensten wordt de vakbondsmacht dan weer op een andere manier belaagd. Men constateert er de opkomst van actiegroepen die zich organiseren rond enge beroepseisen en op die manier soms sterke gelijkenis vertonen met corporatistische verenigingen. De directies en voogdijministers spelen er handig op in om ze tegen de vakbonden uit te spelen. Het succes van die groepen wordt echter ook in zeer grote mate bepaald door de ontevredenheid van de massa over de lakse vakbondsleiding.

Uit dit alles volgt één grote les: hoe meer de vakbondsleiding achteruit kruipt, hoe agressiever het patronaat wordt. En hoe meer de vakbondsleiding capituleert, hoe meer zij het vertrouwen van de eigen basis verliest, wat haar macht nog verder ondermijnt. Zo wordt een proces op gang gebracht van zelfvernietiging. Wanneer patronaat en regering eigen structuren opbouwen om de vakbonden buitenspel te zetten, zal niemand nog de vakbond verdedigen. En om te overleven gaat de vakbond nog meer in het patronale gareel lopen.

Zo bereikt het patronaat wat het nastreeft: ideologische onderwerping van de vakbondsapparaten. Maar de geschiedenis van nazi-Duitsland toont dat zelfs de meest extreme onderwerping vanwege de vakbondsleiders hen niet noodzakelijk spaart. Op 1 mei 1933 riep de toenmalige Duitse vakbond de arbeiders op om deel te nemen aan de l mei-viering van Hitler. Op 2 mei werden de vakbondslokalen bezet en de vakbondsleiders opgesloten.

p. 22

04.
De band tussen ‘welvaart’ en integratie

Het kapitalisme heeft zich sneller aangepast aan de crisissituatie dan de vakbondsdoctrines. Zo heeft de syndicale beweging zich helemaal in het defensief laten dringen. Hoewel de crisis brandhout maakte van het ‘overlegsyndicalisme’, werden de fundamenten ervan nooit grondig in vraag gesteld.

Een eerste fundament is dat kapitalistische welvaart en welvaart van de arbeidersklasse hand in hand gaan. Een tweede fundament is dat door samenwerking en overleg de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid geleidelijk kunnen overbrugd en uitgeschakeld worden. Deze theorieën hebben diepe historische wortels in de reformistische arbeidersbeweging. We zullen hier niet de hele evolutie behandelen, maar alleen het ontstaan van die opvattingen situeren.

041.
Het ontstaan van het opportunisme in de arbeidersbeweging

Dit werd door Engels en Lenin in verband gebracht met het kolonialisme en het ontstaan van het imperialisme. Engels beschreef het proces voor het toenmalige Engeland. In het midden van de vorige eeuw (1860) bereikte de Britse wereldhegemonie haar hoogtepunt. Met 2 % van de inwoners produceerde de natie 20 % van het wereld nationaal product en ongeveer 40 à 45 % van de wereld industriële productie. Het ‘atelier van de wereld’ werd goedkoop bevoorraad (graan, katoen) uit de kolonies en vond er ook afzetgebieden voor haar industriële producten. Het gevolg was, stelt Engels, dat de Britse arbeidersbeweging (het Chartisme) een politieke aanhangwagen werd van de ‘grote liberale partij’, geleid door de industriëlen. Die bourgeoisie begreep dat ze haar macht slechts kon uitbouwen als ze de steun van de arbeiders kon verwerven. De Britse monopoliepositie leverde reusachtige winsten op. De burgerij verdeelde wat kruimels hiervan onder vorm van een beperkte sociale wetgeving en kocht op die manier de steun van een bevoorrechte bovenlaag van de arbeidersklasse. In die beginperiode was deze ‘arbeidersaristocratie’ de enige laag die in de vakbonden georganiseerd was (per beroepsvakbond).21 Pas naar het einde van de eeuw toe ontstonden de massavakbonden. Soms gingen ze de oprichting van de socialistische partij vooraf (Groot-Brittannië), soms werden ze opgericht door de partij (België). Vanaf het begin van deze eeuw vocht Lenin in de internationale socialistische beweging een strijd uit tegen het zich ontwikkelende reformisme. In alle socialistische partijen en massavakbonden van West-Europa haalde het reformisme de bovenhand. Voor Lenin was dit onverbrekelijk verbonden met de doorbraak van het imperialisme als wereldorde.

De opportunistische leiders van de arbeiderspartij en vakbonden lieten zich verleiden door de ‘weldaden’ van het imperialisme. Door de genadeloze uitbuiting van de kolonies kon de bourgeoisie gemakkelijker materiële voordelen toestaan. “Enkele kruimels van deze dikke winsten p. 23die door de burgerij wordt gerealiseerd komen ten goede van een kleine minderheid: arbeidersbureaucratie, arbeidersaristocratie en kleinburgerlijke meelopers.”22 De bovenste bevoorrechte arbeiderslaag, stelt Lenin, bevolkt de apparaten van de reformistische partijen en vakbonden en laat zich op sleeptouw nemen door het kapitalisme. Deze arbeidersaristocratie kiest voor ‘haar’ burgerij in de concurrentiestrijd, kiest voor de verdediging van ‘haar’ kolonies, kiest voor de verdediging van ‘haar’ vaderland. Op die manier wordt de strijd voor de verovering van de politieke en economische macht vervangen door hand- en spandiensten om het systeem in stand te houden. In plaats van een principiële klassepositie in economische en sociale aangelegenheden, komt een kritische steun binnen de kapitalistische logica.

De ‘arbeiderswoordvoerders’ worden woordvoerders van de burgerij binnen de arbeidersklasse. Ze maken een kleinburgerlijke kritiek op de scherpste kanten van het systeem, zonder het systeem zelf in vraag te stellen. Arbeidersaristocratie en arbeidersbureaucratie worden aldus ideologische bondgenoten van de heersende klasse. Lenin beschrijft deze leiders van de reformistische beweging als volgt: “Zij streven naar klassensamenwerking, verloochenen de dictatuur van het proletariaat en de revolutionaire actie, erkennen zonder reserve de burgerlijke wettelijkheid, hebben een gebrek aan vertrouwen in de arbeidersklasse en een overschot aan vertrouwen in de burgerij.”23

042.
Minder kruimels, maar meer berusting

Zeventig jaar klassensamenwerking hebben de verknochtheid van de reformistische leiders aan het imperialistisch systeem alleen nog versterkt. Relatieve bloeiperiodes van het imperialisme vergroten de armslag van de monopolieburgerij. Zij kan zich toegeeflijker tonen in het verdelen van kruimels. Het zijn dan ook de bloeiperiodes van de ideologie van klassensamenwerking. Na de Tweede Wereldoorlog bereikte het imperialistische wereldsysteem een hoogtepunt en kwam ook het overlegsyndicalisme tot bloei. De concepten ervan waren reeds voor de oorlog uitgewerkt, maar werden in de jaren 50 en 60 in praktische structuren gegoten. De vakbondsleiders spannen zich mee in om de kapitalistische economie te doen draaien en mogen op die basis meediscussiëren over de verdeling van de vruchten.

De aanslepende crisis heeft de materiële basis van het reformisme ernstig aangetast. Vele verworven voordelen en rechten worden terug op de helling gezet, het patronaat veegt de straat aan met het overleg en vele illusies worden stukgeslagen. Dit heeft geleid tot een crisis van het overlegsyndicalisme en tot een ideologische crisis in de beide vakbonden. Dit betekent niet dat de basisideologie in vraag gesteld wordt. De beloftes van geleidelijke omvorming van het systeem zijn niet langer geloofwaardig. Maar globaal heeft dit in de vakbondsapparaten eerder tot een ideologische verrechtsing dan tot een verlinksing geleid. Het overheersende aspect is de berusting in de verminderde capaciteit van het kapitalisme p. 24om ‘welvaart’ te scheppen. Vertrekkend vanuit een aanvaarding van de kapitalistische logica, worden inlevering, afdankingen, afbouw van sociale voorzieningen als onvermijdelijk en noodzakelijk aanvaard.

043.
De sociaaldemocratie als bestuurder van kapitalisme en imperialisme

Uiterst belangrijk in het afglijden van de syndicale beweging is de ideologische en daadwerkelijke medeplichtigheid van de sociaaldemocratie en van de vertegenwoordigers van de christelijke arbeidersbeweging met de gevoerde politiek.

In Frankrijk is het de socialistische partij die de bourgeoisie door de storm van de crisis loodst en hun economische en sociale politiek is nauwelijks verschillend van de conservatieve Britse of Duitse. De Belgische socialistische partijen hebben gedurende zeven jaar (1982-1988) het vuile werk laten opknappen door de liberale en christendemocratische partijen, hopend op een snelle internationale heropleving. Al die tijd wisten de socialistische partijen geen fundamenteel verschillend alternatief te bedenken. Zij hebben daarom de klassenstrijd zoveel mogelijk proberen in te dammen en hebben druk uitgeoefend op de vakbonden om zich bij een ‘realistisch’ programma te houden. Dit heeft in de beginperiode tot een openlijke oorlog gevoerd tussen bijvoorbeeld de PS-top (André Cools) en de socialistische vakbondsleiding (Georges Debunne). Maar met het systematische terugkrabbelen van de vakbondsleiding is geleidelijk ook de goede verstandhouding tussen vakbondstop en partijtop hersteld. In hun verrechtsing hebben de socialistische partijen ook de vakbondsleiding meegetrokken.

Bij de terugkeer van de SP/PS in de regering (1988) konden ze profiteren van een relatief gunstige conjunctuur. Niettemin hebben ze geen enkel afbraakmechanisme van de laatste acht jaar herzien en zetten ze dezelfde krachtlijnen van ‘sanering’ ongestoord verder. Op dit ogenblik werpen de socialistische partijen zich niet alleen op als mede-promotoren, maar zelfs als voortrekkers van het ‘concurrentiële Europa’, een wedloop om het grootkapitaal in de beste veroveringspositie te brengen op de internationale markten. Dit zet onvermijdelijk een spiraal van sociale dumping in gang. Het probleem waarmee de vakbondsleidingen de laatste acht jaar voornamelijk op nationaal vlak werden geconfronteerd, stelt zich nu op internationaal, Europees vlak. Ook daar proberen de internationale reformistische partijen de vakbonden te winnen voor ‘redelijkheid’ en het aanvaarden van een fundamentele prokapitalistische logica.

Het ideologisch failliet van de sociaaldemocratie is overduidelijk gebleken bij de val van de Oost-Europese regimes. Daar is ze opgetreden als regelrechte handlanger van de monopolies, als pleitbezorgers van het kapitalisme en imperialisme, van de vrije markt en de privatisering, als advocaat van de westerse ‘democratie’. Brandt en Mitterrand stonden in de speerpunt voor de herovering van Oost-Europa en Jacques Attali, persoonlijk raadgever van Mitterrand leidt de Bank ter “Kolonisatie” van het Oosten. Moeten vakbondsmilitanten hun hoop stellen op dergelijke p. 25partijen om de strijd voor het ‘socialisme’ te leiden?

De rol van de sociaaldemocratie in de ontwikkeling van een sterk, groot en kapitalistisch Europa toont dat haar ideologie tot op het bot door het imperialisme is aangevreten.

Dit werd nogmaals bevestigd door haar houding in de Golfoorlog. Op internationale schaal is de sociaaldemocratie op de voorposten mee gestapt in de agressieve imperialistische campagne, in het eerste Noord-Zuid conflict. Het toont hoe zij tot in een gewapende agressie de belangen van de monopolies, zij het dan de Europese, behartigt.

05.
Vakbondsmilitant in een zich wijzigende wereld

Na jarenlang ‘defensieve opstelling’ werken beide vakbonden aan een herdefinitie van hun syndicale doctrine. De nieuwe ACV-ploeg wil ‘de werkelijkheid een dosis idealen inspuiten en concrete utopieën uitwerken’. De nieuwe ABVV-ploeg wil werken aan ‘een nieuw imago’ van het ABVV en steunt zich hiervoor op een opiniepeiling bij haar leden.

De definitie van het nieuwe syndicalisme lokt zoals in heel West-Europa grote debatten uit. Het ‘oude’ syndicalisme moet wijken voor het ‘nieuwe’. De nieuwe accenten vertrekken vanuit de belangrijkste krachtlijnen van de nieuwe situatie: de crisis, de nieuwe technologie, de internationalisering en de veranderde samenstelling van de werkende bevolking. Dat het kapitalisme nieuwe ontwikkelingen kent, die nieuwe problemen stellen voor het syndicalisme, staat buiten twijfel. Men moet die problemen niet wegmoffelen of uit de weg gaan. Maar de nieuwe ontwikkelingen veranderen niets aan de aard en de fundamentele wetten van het kapitalisme. De hele vraag is dus of men die nieuwe problemen vanuit een klassestandpunt benadert of ze integendeel gebruikt om de klassentegenstelling weg te vegen en zich te laten meedrijven in capitulatietheorieën.

Onze stelling is dat deze objectieve veranderingen de juistheid van het marxisme bevestigen. Dit willen we hier aantonen door de nieuwe ontwikkelingen vanuit marxistisch oogpunt te onderzoeken. We overlopen ze punt voor punt, analyseren de reële nieuwe elementen, de patronale strategie en de syndicale antwoorden. In de concrete analyse bewijst het marxisme-leninisme zijn vitaliteit, zijn kracht als wapen in de klassenstrijd. Dit is een geëngageerd betoog opdat vakbondsmilitanten zouden teruggrijpen naar het marxisme en op die manier het klassesyndicalisme nieuw leven zouden inblazen.

p. 27

Deel I
De nieuwe situaties en de nieuwe taken

p. 29

Hoofdstuk 1
De voorbije en de komende crisissen

11.
Het kapitalisme brengt crisissen voort

Na de Tweede Wereldoorlog kende het kapitalisme een vrij lange periode van grote groei; een schril contrast met de aanslepende stagnatie van de crisisjaren 30. Door vele burgerlijke economen en vooral door de sociaaldemocratie werd dit als een overwinning van hun ideeëngoed beschouwd. Zij hadden zich met enthousiasme achter de theorie van de economist Keynes geschaard, die in de jaren 30 tot de conclusie kwam dat de kapitalistische crisis bedwongen kan worden, als de staat maar regelend tussenkomt. Met instrumenten als krediet, staatsbestellingen, sociale zekerheid zou de staat het aanbod en de vraag op elkaar afstemmen, door de economie te remmen bij oververhitting en aan te zwengelen bij inzinking. De vooruitgang van de economische theorie, de sturende tussenkomst van de staat in de economie, de invloed van de planning zouden voortaan de economische catastrofes bedwingen. Het kapitalisme had zijn kruissnelheid gevonden — er zouden geen depressies meer komen, hoogstens wat conjunctuurschommelingen.

Al dit optimisme is ondertussen weggeveegd door een zware structurele inzinking in de hele kapitalistische wereld, met een eerste dieptepunt rond 1974-1975 en een tweede rond 1982-1983. Tijdens die eerste periode van zeven jaar ging de economische terugval gepaard met een ongewoon hoge inflatie (Dit nieuwe fenomeen kreeg de naam ‘stagflatie’). Sinds 1983 is er een geleidelijke toename van de groei, zonder dat de groeicijfers het niveau halen van voor 1970.

De burgerij koos voor een terugkeer naar het klassieke liberale ideeëngoed om de crisis te lijf te gaan. De jaren 80 werden beheerst door boegbeelden als Thatcher en Reagan. Zowel de sociaaldemocratie als de christendemocratie stemden hun klok op elkaar af en probeerden de liberale golf te counteren door zich als de betere dienaars van de patronale belangen op te werpen. In België nam Wilfried Martens eind 1981 zijn ‘liberale bocht’, in Frankrijk nam Mitterrand in 1983 de fakkel over van het neoliberale beleid. Sinds 1987 zetten ook de Belgische socialistische partijen in volle continuïteit het crisisbeleid verder. De loonblokkering, de afbraak van de sociale zekerheid, de verdekte privatisering, de p. 30inkomensoverdracht naar de bedrijven en de rijken, de saneringen met afdankingen: vandaag is er nauwelijks nog een verschil in aanpak te merken tussen de grote burgerlijke stromingen. Het zet de vakbonden onder grote ideologische druk: wie niet de economische logica van het systeem zelf aanvalt, ziet geen alternatief.

Sinds de val van de Oost-Europese regimes en hun knieval voor het kapitalisme is daar een tweede ideologisch offensief bijgekomen. De markteconomie zou definitief haar superioriteit bewezen hebben tegenover de planeconomie en de burgerlijke democratie zou voortaan de klassenstrijd overbodig maken. De herinnering aan de crisisoffers wordt weggeveegd met hoerakreten. De Japans-Amerikaanse acoliet van het Witte Huis, Fukuyama, bejubelt ‘het einde van de geschiedenis’, het definitieve failliet van het socialisme. En hij vindt nog gehoor ook.

In die omstandigheden lijken zelfs de ‘structuurhervormingen’ van 1954-1956 en het ‘zelfbeheer’ of de ‘arbeiderscontrole’ van 1970-1971 ver weg. De antikapitalistische taal waarmee deze door en door reformistische ordewoorden waren omgeven, is begraven. Dat tonen de laatste grote vakbondscongressen waarnaar we hier regelmatig zullen verwijzen.1

Een gefundeerde analyse van het kapitalisme, zijn crisis, zijn onoplosbare tegenstellingen en zijn vooruitzichten is daarom van doorslaggevend belang om die euforie te doorprikken. Zonder die analyse kunnen we geen juiste inschatting maken van de taken en de kansen van de vakbeweging.

111.
De onvermijdelijkheid van crisissen

De patronale analyse over de oorzaak van de grote crisis is simpel: het kapitalisme, de mechanismen van de vrije markt werden geweld aangedaan door externe ingrepen (de verhoging van de petroleumprijs in oktober 1973 en januari 1979), door een overdreven uitbouw van de staat en de sociale voorzieningen, door te hoge lonen. Dit is zowat de inhoud van het OESO-rapport dat in 1977 de diagnose stelt aan het ziekbed van het kapitalisme: “Volgens onze analyse is de recente evolutie te verklaren door een uitzonderlijke samenloop in de tijd van een reeks ongelukkige gebeurtenissen, die zich ongetwijfeld nooit op dezelfde schaal zullen herhalen en waarvan de uitwerking werd versterkt door bepaalde fouten in de economische politiek, die vermeden hadden kunnen worden.”2 De strijd moet aangebonden worden tegen de inflatie, door besnoeiingen, door looningrepen, door het geld duurder te maken (hoge intresten). De pillen zullen toegediend worden door Thatcher, Reagan en hun volgelingen.

Deze analyse gaat er essentieel van uit dat het systeem fundamenteel gezond is, maar door een verkeerde behandeling en door externe ingrepen werd geveld. “Als we niet kunnen verhinderen dat er weer een belangrijke werkloosheid opduikt, dan heeft dat niets te maken met het falen van het kapitalisme of de markteconomie, maar het is enkel en alleen het resultaat p. 31van onze eigen fouten, ondanks de ervaring uit het verleden en ondanks onze kennis”, stelt de superliberale denker Hayek.3 Het liberale credo luidt sinds Ricardo en Smith dat het systeem geen crisissen maar ‘onevenwichten’ kent, die spontaan hersteld worden als de marktprincipes vrij kunnen spelen.

De liberale theorie van het spontane evenwicht heeft verschillende varianten. Margaret Thatcher gaat in de leer bij Milton Friedman en de monetaristen (de school van Chicago). Volgens het monetarisme is de inflatie het hoofdgevaar. Die inflatie wordt verwekt door buitensporige staatsuitgaven en de geldschepping die ermee gepaard gaat (de keynesiaanse politiek). Om die te verhelpen moet een strenge, beperkende monetaire politiek worden gevolgd en moeten de loonsverhogingen bezworen worden.

Ronald Reagan maakt een mengsel van het monetarisme en de aanbodeconomie (supply-side economics). Deze laatste steunt op de wet van Say: “Elk aanbod schept zijn eigen vraag”. Volgens deze theorie volstaat het om ‘optimale’ productievoorwaarden te scheppen om het evenwicht te herstellen. Weg dus met alle belemmeringen — sociale en economische. Deregulering is het ordewoord. Een van de grootste belemmeringen is de veel te hoge belastingdruk. Dit wordt uitgedrukt in de ‘curve van Laffer’, die stelt dat boven een bepaalde aanslagvoet de totale belastingopbrengst begint te dalen. Belastinghervorming is de boodschap.

De politieke realisering van deze ideeën gebeurde onder aanvoering van Thatcher, Reagan, Kohl, Mitterrand en Martens V tot en met VIII. De logistieke steun wordt verleend door kapitalistische ‘studiediensten’, het McCracken-rapport in de VS, het rapport Albert-Ball voor de EEG, de OESO-rapporten, de rapporten van de Nationale Bank, enz.

Al deze theorieën hebben hun kern gemeen: telkens wordt de interne logica van het kapitalistisch systeem buiten schot geplaatst. Men ‘behandelt’ de symptomen en niet de echte oorzaken. De geneesmiddelen kunnen de ziekte tijdelijk onderdrukken en wegstoppen, zelfs de illusie wekken dat alles opgelost is, maar dit zal zich wreken bij de volgende crisis.

Wie achter de oppervlakkige fenomenen wil doordringen naar de oorzaak van crisissen, komt onvermijdelijk bij Marx terecht.

Volgens Marx zijn crisissen een wezenlijk bestanddeel van het economisch systeem. Crisissen zijn geen ‘afwijkingen’ van het spontane evenwicht, maar liggen ingebakken in de economische wetmatigheid van de productiewijze. Het voortbestaan (of reproductie) van deze productiewijze veronderstelt een evenwicht tussen productie en circulatie van goederen, tussen productiecapaciteit en afzetmogelijkheden, tussen de accumulatie van kapitaal en de koopkracht van de bevolking. Dit evenwicht is onmogelijk te bereiken omdat drie onoplosbare tegenstellingen het kapitalisme verscheuren. Die tegenstellingen maken crisissen van overproductie niet alleen mogelijk, maar onvermijdelijk. (Zie 111 bis.)

De drie tegenstellingen komen tot uitbarsting in crisisperiodes. In die crisisperiodes nemen alle permanent aanwezige tegenstellingen van het systeem een acute vorm aan. In wezen zijn alle kapitalistische crisissen, crisissen van overproductie. Het economisch leven stokt, niet omdat er te weinig wordt geproduceerd, maar omdat er teveel wordt geproduceerd. Fabrieken sluiten, arbeiders worden afgedankt omdat er te veel koopwaren zijn die niet met voldoende hoge winst verkocht kunnen worden. De crisis uit zich in een sterk vertraagde of negatieve groei, onderbezetting van het productieapparaat, val van de winst, daling van de investeringen en stijging van de werkloosheid. Op basis van deze kenmerken kan men een cyclisch verloop van de productie zien. Elke cyclus heeft een fase van expansie (hoogtepunt), van crisis (omslag), van depressie (dieptepunt) en van herneming (omslag).

Het kapitalisme kan de periodieke crisissen niet verhinderen omdat het gebaseerd is op privébezit van de productiemiddelen, op uitbuiting. De drie tegenstellingen gaan terug op de hoofdtegenstelling van het kapitalistische systeem. Dit is de tegenstelling tussen het toenemende sociaal karakter van de productie enerzijds en het privébezit van de productiemiddelen met privé toe-eigening van de geproduceerde waren anderzijds.

Privébezit van productiemiddelen betekent dat concurrentie en jacht naar maximale winst de drijfkracht zijn van de productie. Het motief is niet de bevrediging van maatschappelijke noden en collectieve belangen, maar de winst en de steeds grotere accumulatie van kapitaal. Daardoor neemt de fundamentele tegenstelling steeds scherpere vormen aan. Steeds meer productiemiddelen worden door accumulatie van winst en door centralisatie van kapitaal (fusies, overnames …) geconcentreerd in handen van een kleine minderheid, terwijl door monopolievorming, imperialisme en internationalisering het sociale karakter van de productie steeds groter wordt Dit heeft als gevolg dat de omvang, de weerslag en de internationale uitstraling van de crisissen in de rijke landen ook groter wordt.

111 bis.
Drie wetmatigheden van het kapitalisme die tot crisis leiden

De ‘productiewijze’ staat voor het geheel van omstandigheden waarin de productie en reproductie van de materiële levensvoorwaarden gebeurt die het leven van de mens in gemeenschap bepalen.

De kapitalistische productiewijze wordt gekenmerkt door twee essentiële zaken:

1o De marktvorm is de dominerende vorm waaronder de geproduceerde waren uitgewisseld worden (de ‘vrijemarkteconomie’).

2o De directe producenten van die waren zijn gescheiden van het bezit van de productiemiddelen (er is privébezit van productiemiddelen). De arbeiders kunnen enkel in leven blijven door hun p. 33arbeidskracht te verkopen aan diegenen die het kapitaal bezitten. Met andere woorden, er liggen sociale relaties besloten in de productie en in de uitwisseling van goederen.

Deze kapitalistische productiewijze wordt beheerst door drie onoplosbare tegenstellingen die onvermijdelijk naar crisis voeren.

1o Er is een tegenstelling tussen de wetenschappelijke organisatie van de productie binnen elk bedrijf of elke groep enerzijds en de afwezigheid van maatschappelijke planning anderzijds.

De ongebreidelde winstjacht en concurrentie leiden tot maatschappelijke anarchie, ongelijkmatige ontwikkeling van sectoren, gewesten, landen en werelddelen. De kapitalisten streven individueel hun maximumwinst na. Er is geen sociale planning, er is anarchie op maatschappelijk vlak. Dit leidt tot een onevenwichtige ontwikkeling van de sectoren.

Marx toont hoe reproductie moet beantwoorden aan bepaalde wetten om het evenwicht tussen de productie van machines en de productie van consumptiemiddelen niet te verstoren. Onder het kapitalisme wordt dit evenwicht permanent verstoord, grote onevenwichten leiden tot kettingreacties en crisis.

Bovendien ligt deze anarchie aan de basis van de onevenwichtige ontwikkeling van werelddelen, streken en gewesten. Deze onderontwikkeling maakt een harmonische ontwikkeling van vraag en aanbod op wereldvlak onmogelijk.

2o Er is een tegenstelling tussen de drang naar onbeperkte uitbreiding van de productiecapaciteit enerzijds en de beperktheid van de afzetmarkten anderzijds. Dit leidt onvermijdelijk naar crisissen van overproductie, eerst in bepaalde sectoren, dan algemeen.

De eigenaars van de productie-eenheden investeren geld in het productieproces en brengen het resultaat van die productie op de markt, waar zij het hopen te verkopen. Als hun product geen koper vindt is het sociaal waardeloos, wordt het geïnvesteerde geld niet ‘gerealiseerd’. De concurrentie voor de afzetmarkten dwingt elke kapitalist te accumuleren en de gerealiseerde winst te herinvesteren. De accumulatiedwang wordt de basiswet van de productiewijze. Dit vertaalt zich in steeds meer en goedkoper produceren.

Anderzijds kopen de eigenaars van de productie-eenheden arbeidskracht, voor een hoeveelheid geld die kleiner is dan de waarde die deze arbeidskracht voortbrengt tijdens het productieproces. Het verschil is de meerwaarde. De arbeider krijgt een som geld in ruil voor zijn geleverde prestatie, die ongeveer overeenkomt met wat hij nodig heeft om zijn arbeidskracht (en die van de toekomstige generatie) op peil te houden. De kapitalist probeert permanent de meerwaarde te verhogen en het deel van het loon p. 34te verminderen (dit is de uitbuitingsgraad). Maar de verhoging van de uitbuiting beperkt tegelijk de koopkracht van de belangrijkste bevolkingsgroep, de arbeiders en werkers.

De kapitalisten streven meer winst na door de productiekrachten te ontwikkelen, door de productie op te drijven. De toegenomen productiecapaciteit botst op de grenzen van de vraag. De solvabele vraag aan productiemiddelen (nieuwe machines) en aan consumptiemiddelen groeit minder snel dan de productiemogelijkheden. “In laatste instantie blijft de oorzaak van alle crisissen, de armoede en de beperktheid in koopkracht van de massa, die staat tegenover de drang van de kapitalistische productie om de productiekrachten zo te ontwikkelen alsof de grenzen alleen worden bepaald door de absolute consumptiekracht van de maatschappij” (Marx).

3o Er is een tegenstelling tussen het streven naar maximumwinst enerzijds en de tendens tot daling van de winstvoet anderzijds.

Wat de hele kapitalistenklasse als klasse interesseert, is de totale winst die er te verdelen valt. Maar wat de individuele kapitalist interesseert, is de winstvoet, dit is de verhouding tussen de winst en het totale kapitaal dat hij zelf geïnvesteerd heeft. Dit geïnvesteerde kapitaal bestaat uit constant kapitaal (c = machines, werkmiddelen, gebouwen …) en variabel kapitaal (v = arbeidskracht).

Elke individuele kapitalist kan zijn winstvoet verhogen door nieuwe machines en technieken in te voeren, door arbeidskracht te vervangen door machines. Maar op globaal, maatschappelijke schaal neemt daardoor het aandeel in het totale kapitaal dat naar machines gaat toe. Het aandeel van c stijgt tegenover v, of, in marxistische termen: de organische samenstelling van het kapitaal (c/v) neemt toe. Daardoor daalt relatief het deel dat aan arbeidskracht wordt besteed, de enige bron van meerwaarde.

De globale, maatschappelijke winstvoet wordt als volgt bepaald:

m = m c + v    of    w = w c + v

Deelt men teller en noemer door v, dan verkrijgt men:

w′ = w v 1 + c v

Men kan stellen dat de winstvoet evenredig is met de uitbuitingsgraad p. 35(m/v) en omgekeerd evenredig met de organische samenstelling (c/v). Dit heeft als gevolg dat de winstvoet over langere termijn een tendens tot daling vertoont: per eenheid geïnvesteerd kapitaal wordt er minder winst gemaakt.

De motor van de kapitalistische productie valt stil en er wordt minder geïnvesteerd. Er is overaccumulatie van kapitaal. De val van de winstvoet kan tijdelijk geneutraliseerd worden door het verhogen van de uitbuitingsgraad, door een daling van de grondstofprijzen, door investering in landen met een lage organische samenstelling, enz., maar zet zich ten volle door in crisisperiodes. Een van de indicatoren ervan is dat een groeiend deel van het kapitaal in niet-productieve, speculatieve activiteit wordt belegd.

112.
Structurele en conjuncturele crisis

Bij het behandelen van het begrip ‘crisis’ moet klaarheid worden gebracht over de precieze betekenis ervan. Het woord wordt in verschillende betekenissen gebruikt. Is er een onafgebroken crisis sinds 1973-1974? Ja en neen. Neen, als men het bekijkt vanuit het oogpunt van de conjunctuurcyclus: de groei kende hoogtepunten (1979 en 1989) en laagtepunten (1975 en 1982). Als men de groei afmeet op langere termijn, dan kan men wél stellen dat het kapitalisme sinds het begin van de jaren 70 ‘in crisis’ verkeert. Daarom moet er onderscheid gemaakt worden tussen structurele crisis en conjunctuurcrisis.

Een conjunctuurcyclus verloopt op korte termijn, over een periode van vijf tot zeven jaar. Het zijn de steeds terugkerende recessies, gevolgd door een depressie-, een heroplevings- en een bloeifase. Hoewel deze cyclussen niet helemaal gelijklopen in alle kapitalistische landen kan men een ‘crisisomslag’ in de industriële productie van de kapitalistische wereld bij benadering situeren rond 1949, 1955, 1960, 1966, 1969, 1973 en 1980. Deze inzinkingen doen zich niet overal helemaal gelijktijdig en in even scherpe mate voor. Sinds 1960 kenden de OESO-landen op die manier een vijftal recessieperioden (in de zin van terugloop van de groei of negatieve groei): van januari 1960 tot maart 1963, van maart 1966 tot mei 1967, van juli 1969 tot eind 1971, van oktober 1973 tot mei 1975 en van februari 1980 tot november 1982.4 De gemiddelde duur van de cyclussen bedraagt ongeveer vijf jaar. Vanaf 1983 kenden de kapitalistische landen een bijzonder lange heroplevingsfase waaraan sinds midden 1990 een einde lijkt gekomen. De Verenigde Staten en Groot-Brittannië verkeren begin 1991 in een zware inzinking terwijl ook Frankrijk meegezogen wordt.

Deze conjunctuurschommelingen enten zich op een basislijn die periodes van langere duur afbakent. Er zijn langere periodes van gemiddeld sterke groei en langere periodes van gemiddeld lage groei of ‘structurele crisis’. Zelfs de OESO moet ondertussen toegeven dat er meer aan de hand is dan enkele conjunctuurschommelingen. De instelling maakt nu een onderscheid tussen de ‘industriecyclus’ en de onderliggende ‘trends’, p. 36waarmee verwezen wordt naar tendensen op langere termijn. Aan de hand van allerlei indicatoren komt de OESO tot een breuk in de lange termijntrend rond 1972. “Als we het hele OESO-terrein bekijken, was de groei van de industriële productietrend rond 6,5 % gedurende een groot deel van de jaren 60. De verandering in trend voor de industriële productie kan vrij precies in 1972 worden gesitueerd. De groeivoet viel snel terug tot ongeveer 2,5 % rond midden ’70 en wordt op dit ogenblik op 2,3 % geschat (sinds 1983).” (Id. p. 51.) De trendomkeer begon vroeger (eind de jaren 60) in de Verenigde Staten. (Zie 112 bis.)

Daarmee wordt ook brandhout gemaakt van de bewering dat de petroleumprijs aan de oorsprong ligt van alle problemen. De prijsverhogingen van oktober 1973 en die van januari 1979 hebben ongetwijfeld een weerslag gehad op de ontwikkeling van de recessies van 1973 en 1980, maar kunnen in geen geval de lange stagnatietrend van de kapitalistische wereld verklaren. Omgekeerd heeft ook de ineenstorting van de olieprijzen na 1985 en de terugkeer op het niveau van voor 1973 de structurele groeiproblemen van de rijke industrielanden niet opgelost. Andere gegevens wijzen erop dat reeds op het eind van de jaren 60, en dus onafhankelijk van de ‘petroleumcrisissen’, tekenen van productiviteitsdaling en van dalende winstvoet opdoken.

In periodes van lage groei verlopen de conjunctuurcrisissen anders dan in periodes van hoge groei (de periode 1945-1972). De depressies zijn diep en van lange duur. De heroplevingen zijn kort en niet krachtig. De werkloosheid blijft permanent zeer hoog. Er is een soort permanente ‘crisistoestand’. Zo spreekt men over dé crisis van 1929 en dé crisis van 1973. De structurele problemen zijn in feite al daarvoor zichtbaar en nemen geleidelijk toe, tot een aanleiding zorgt voor de uitbarsting. In 1929 was dat de beurskrach en een reeks bankfaillissementen, in 1973 de eerste verhoging van de petroleumprijs.

De fundamentele tegenstellingen van het kapitalisme leiden tot lang aanslepende periodes van trage groei. Zij monden uit in structurele aanpassingen en gewelddadige explosies (oorlog, revolutie). Het kapitalisme kende zulke periodes van 1873 tot 1895 en van 1919 tot 1939. De eerste heeft geleid tot snelle monopolievorming, export van kapitaal en imperialisme. De tweede heeft geleid tot oorlog, een versterking van het imperialisme onder aanvoering van de Verenigde Staten en tot een bloei van het staatsmonopoliekapitalisme. Sinds begin van de jaren 70 kennen we de derde ‘structurele’ crisis van het kapitalistisch wereldsysteem.

112 bis.
Conjuncturele en structurele crisis*

Grafiek 1

Deze grafiek toont voor de gehele OESO, voor Europa, voor Noord-Amerika en Japan de groeipercentages per jaar van de industriële productie en het bruto nationaal product. Daaruit blijkt een breuk rond 1972.

p. 38
Grafiek 2

Wordt de industriële productie (alle OESO-landen samen) van 1980 als index, 100 genomen, dan blijkt hieruit een ‘langetermijntrend’ met schommelingen hierrond. Er is een ‘knak’ rond 1972.

Grafiek 3

Deze grafiek geeft het verloop van de conjunctuurcyclus voor de OESO-landen, gemeten naar de schommelingen van de industriële productie tegenover de hoofdtrend. De horizontale lijn geeft dus de ‘hoofdtrend’ aan, dit is de groeitendens op lange termijn.

*
OECD, “OECD leading indicators and business cycles in member countries 1960-1985”, Main Economic Indicators: Sources and Methods, nr. 39, januari 1987.
p. 39

113.
De structurele ‘bloei’ voor 1970

De structurele problemen van het kapitalisme sinds 1970, kunnen het best verklaard worden vanuit het omkeren van de factoren die de lange groei na de Tweede Wereldoorlog hebben meegebracht.

1o De kapitalistische wereld wordt geherstructureerd onder de onbetwiste leiding van de VS. De Verenigde Staten komen als enige grote mogendheid versterkt en verrijkt uit de Tweede Wereldoorlog. Het economische apparaat is ongeschonden en heeft geweldig aan productiviteit gewonnen. De omvang van het productieapparaat is er gedurende de oorlog met 50 % toegenomen en de fysische productie van goederen is met meer dan 50 % gestegen. De strikt militaire productie is aangezwollen van 4,5 miljard dollar in 1941 tot 37,5 miljard dollar in 1943 en vertegenwoordigt op dat ogenblik 40 % van de totale nationale productie.5

De economie van al haar vroegere tegenstanders daarentegen is door de oorlog ten gronde gericht. Door haar verworven technologische en productieve voorsprong, torent de Verenigde Staten ver boven de rest van de kapitalistische mogendheden. Haar suprematie evenaart deze van het Britse imperium rond 1815: zij controleert twee derde van de wereldgoudvoorraad (20 miljard dollar), meer dan een derde van de wereldgoederenproductie en een derde van de wereldexport van goederen. Met een reusachtige militaire en handelsvloot, met het monopolie over de atoombom is de positie van de Verenigde Staten als supermacht onaantastbaar.

De enige internationale tegenspeler is het communistische blok, dat economisch verzwakt, maar politiek enorm versterkt is door de oorlog. Rusland heeft de zwaarste oorlogstol betaald in het antifascistische verzet en kan precies daardoor rekenen op een zeer groot internationaal prestige. Bovendien staat de Sovjet-Unie niet langer alleen: de acht naties van het ‘Oostblok’ vervoegen het socialistische kamp. Er wordt verder gestreden in China, in Korea, in Indochina en Indonesië, in Griekenland. Het spook van het communisme verontrust de internationale burgerij, temeer omdat ook in landen als Frankrijk, Italië en België de communisten het verzet hebben aangevoerd en sterker zijn dan ooit tevoren. De eerste zorg van de Verenigde Staten is dan ook om het communisme in te dammen en haar eigen wereldorde stevig uit te bouwen. De nieuwe internationale wereldorde, de ‘pax Americana’, wordt vergrendeld met een viervoudig slot, dat op alle vlakken de Amerikaanse suprematie vastlegt.

Op monetair vlak krijgt de dollar het statuut van officiële internationale munt door de akkoorden van Bretton-Woods (1944) en worden het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank opgericht om die te waarborgen. De vaste wisselkoersen zorgen voor een periode van financiële stabiliteit op wereldvlak. Zolang de VS een groot handelsoverschot heeft, kunnen de dollars ongeremd het land uitvloeien voor investeringen, voor oorlogsvoering in Vietnam: ze komen terug langs de bestelling van goederen. De VS speelt op die wijze de rol van wereldbankier die het nodige geld schept voor toename van de internationale productie, handel p. 40en investeringen.

Op politiek-economisch vlak investeert de Verenigde Staten in de heropbouw van een vazal-Europa: het Marshallplan keert tussen 1 juli 1948 en 30 juni 1950 voor 8,6 miljard dollar ‘hulp’ uit aan het verwoeste Europa, onder de vorm van leningen en schenkingen. Daarvan krijgen België en Luxemburg 560 miljoen dollar. Op die manier wordt Europa stevig ingesnoerd in een economisch en politiek bondgenootschap en wordt het een grote afzetmarkt voor de Amerikaanse exporteurs die geen blijf weten met de oorlogscapaciteiten.

Dit politiek manoeuvre wordt aangevuld met een militair akkoord, het Noord-Atlantisch Bondgenootschap (NAVO, 1949), dat de Amerikaanse belangen in Europa en over de hele wereld moet veiligstellen.

Op handelsvlak is de Amerikaanse grootmacht het best gebaat met de vrijhandel en dit wordt vastgelegd in de GATT-akkoorden (1947). De handelsstromen, vooral tussen de rijke landen, nemen snel toe: in 1950 telt de import voor een twintigste van de aangeboden producten in de OESO-landen, in 1984 voor een vierde.6

In de derde wereld tenslotte neemt de VS stap voor stap de plaats in van de oude koloniale mogendheden. Met een onvoorstelbare rij van staatsgrepen, aanslagen tegen nationalistische leiders, sabotage tegen nationalistische regimes en met terroristische moordbrigades brengt of houdt de VS er bevriende dictatoriale regimes aan de macht.

2o De hele kapitalistische wereld kent een bloei van het ‘fordisme’, als model van productie en sociale regulering.

De Amerikaanse oorlogsindustrie ligt aan de basis van een grote technologische voorsprong, die nu ook kan benut worden om de wereldmarkten te overspoelen. De radar, de kernsplitsing en fusie, de eerste toepassing van computersystemen voor de berekening van ballistische banen zijn baanbrekende uitvindingen die de weg openen naar de ruimtevaart, de kernenergie en de numeriek bestuurde machines. Ze zullen vooral de ‘elektronisering’ en de automatisering van de industrie een impuls geven. De tweede technologische revolutie beleeft als het ware een tweede jeugd. De elektrotechniek, de automobiel en de luchtvaart, de telecommunicatie (radio, tv), de huishoudmachines, de chemische producten en plastics worden in de twintig jaar na de oorlog artikelen van massaconsumptie. Het taylorisme en fordisme krijgen nieuwe ontplooiingskansen op een markt in volle expansie. De kapitalistische wereldproductie bereikt in die periode een nieuwe kruissnelheid die zich duidelijk op een hoger niveau van productiviteit, van afzetmarkt en van groei bevindt. Dit laat toe om hogere lonen te betalen, de koopkracht op massaschaal te vergroten, zonder dat daarom iets veranderd wordt aan de relatieve verdeling van de meerwaarde tussen arbeid en kapitaal. Studies wijzen uit dat die zelfs in de golden sixties quasi onaangeroerd blijft.7

3o Het globale resultaat is een lange periode van relatief snelle groei, die af en toe wordt getemperd door conjuncturele inzinkingen. De markt p. 41wordt in die periodes aangezwengeld door een groeiende overheidstussenkomst, door publieke bestellingen en door een aangepaste kredietpolitiek volgens Keynes’ recept. Het toenemende gebruik van krediet op massaschaal geeft nog een bijkomend elan aan het verbruik.

4o Vanaf de jaren 60 wordt het wereldbeeld in toenemende mate bepaald door een snelle internationalisering van de economie. Nog veel meer dan de internationale instellingen en de handelsstromen zijn de multinationale ondernemingen hiervoor kenmerkend. Tot hiertoe is de export van kapitaal voornamelijk verlopen in de richting van de kolonies, gericht op het goedkoop verwerven van grondstoffen en landbouwproducten. Na de tweede wereldoorlog en vooral in de jaren 60 neemt de kapitaalexport sterk in omvang toe, hoofdzakelijk tussen de imperialistische landen onderling. De Amerikaanse multinationals veroveren de wereld en overspoelen Europa. In 1960 hebben Amerikaanse multinationals 32 miljard dollar kapitaal in het buitenland, in 1975 is dat 124 miljard dollar geworden. Hierbij moet rekening worden gehouden met het feit dat deze cijfers slechts het werkelijk geëxporteerd kapitaal weergeven; de waarde van de investeringen in het buitenland ligt veel hoger omdat meer dan de helft op de plaatselijke kapitaalmarkt of onder vorm van plaatselijke overheidssteun wordt verzameld.

De VS-bedrijven nemen midden de jaren 70 44 % van het totale kapitaalbestand in het buitenland voor hun rekening.8

114.
De structurele crisis na 1970

Aan de structurele crisis ligt in de eerste plaats de dalende winstvoet ten grondslag. Maar het is tegelijk een ‘politieke crisis’, een langdurige verstoring van de kapitalistische evenwichten, een crisis van het imperialisme en een gewijzigd patroon in de wereldhegemonie.

1o De VS-superioriteit brokkelt af.

Vanaf het eind van de jaren 60 komt de heerschappij van de VS in het gedrang, zowel door klappen in de periferie als door de opkomst van concurrerende mogendheden.

In 1971 wordt de VS verplicht om China te erkennen, in 1975 wordt de nederlaag in Vietnam bezegeld met de totale terugtocht uit Indochina. De OPEC voelt zich gesterkt door de Amerikaanse problemen en lanceert het dubbele prijzenoffensief van 1973 en 1979. In de eigen achtertuin kan de VS de Nicaraguaanse revolutie niet verhinderen (1978) en in 1979 wordt de VS vernederd door Iran.

Ondertussen heeft de VS aan economische voorsprong ingeboet tegenover snel groeiende mogendheden als Duitsland en vooral Japan. Dit uit zich in een omkering van de handelsstromen: in de periode 1968-1973 slinkt het overschot op de handelsbalans tot nul. De dollars blijven het land uitvloeien en voeden de markt van de ‘vaderlandsloze’ dollars, de eurodollarmarkt, die op de vooravond van de ‘petroleumcrisis’ al 130 miljard dollar p. 42rijk is. De opstapeling van deficits verplichten Nixon om op 15 augustus 1971 de dollar los te koppelen van het goud, waarmee de naoorlogse monetaire orde (Bretton-Woods) in elkaar stort. In 1973 devalueert de dollar, in een eerste poging om het handelstekort om te buigen.

In plaats van internationale economische stabiliteit te brengen, neemt de VS nu de wereldeconomie op sleeptouw, op zoek naar oplossingen voor de nationale problemen. De economie verliest terrein tegenover de concurrenten, zowel op het vlak van de productiviteit, als op het vlak van de technologische vooruitgang. Acht jaar Reagan-bewind zijn een nieuwe poging om op kunstmatige wijze de Amerikaanse grootheid te herstellen, ten koste van een verdere ontregeling van de evenwichten op wereldvlak.

De militaire uitgaven worden opgedreven tot 300 miljard dollar per jaar (7 % van het BNP, een record procent in vredestijd). De belastingen worden verlaagd en het groeiend staatstekort wordt met leningen gedekt. Met een sterke dollarpolitiek (hoge intresten) zuigt de VS de wereldreserves naar zich toe. De gevolgen zijn catastrofaal: twee jaarlijkse schuldbergen van rond de 150 miljard dollar (begrotingstekort en handelstekort) maken de VS tot grootste schuldenaar ter wereld, met een buitenlandse schuld van 700 miljard dollar in 1990 (op een totale schuld van 3 200 miljard dollar).

Het is duidelijk dat de VS-economie sinds jaren ‘boven haar stand’ leeft, door opstapeling van schulden. Zelfs de val van de dollar na 1985 heeft daar weinig of geen verandering in gebracht. Het begrotingsjaar 1990 sluit af met een tekort van liefst 220,4 miljard dollar en het handelstekort bedraagt in 1990 nog altijd meer dan 100 miljard dollar. Nochtans leeft niet iedereen boven zijn stand in de VS. De Reagan-maatregelen hebben de inkomenskloof opgedreven. Tussen 1980 en 1990 hebben de 20 % rijksten officieel 33 % netto-inkomen bijgewonnen, de 20 % armsten hebben 5 % netto-inkomen verloren. De top van 1 % kende een winst van 87 %. Die top heeft daarmee een totaal inkomen dat gelijk is aan dat van de 40 % armsten!9 31 miljoen Amerikaanse burgers (meestal zwarten), of 13 % van de bevolking, leeft met een inkomen onder de armoedegrens (185 000 frank per jaar voor een alleenstaande). In het rijkste land ter wereld lopen ongeveer 2,2 miljoen dakloze zwervers rond. Een Amerikaan op zes is niet verzekerd tegen ziekte. Reagan schiep miljoenen nieuwe werkplaatsen: meestal hongerjobs in de dienstensector. Een werker op vier (of 35 miljoen) is tewerkgesteld als tijdelijke, als deeltijdse kracht of gewoon met een ‘huurcontract’.

2o Tegenover de Amerikaanse problemen staat de reële versterking van de Japanse en Europese economie, waardoor de strijd tussen de grote imperialistische machten scherpere vormen gaat aannemen. De groei van het BNP (Bruto Binnenlands product) en van het BNP per hoofd van de bevolking, geeft een eerste beeld van de machtsverschuiving.

p. 43
BNP in miljard dollar
voor resp. 1965, 1975, 1989
1965 1975 1989
Verenigde Staten: 687 1 526 5 200
Duitsland: 115 420 1 331
Japan: 89 499 2 728
BNP in duizend miljard dollar 6 5 4 3 2 1 0 1965 1975 1989 Verenigde Staten Duitsland Japan BNP/hoofd in duizend dollar van 1980 16 14 12 10 8 6 4 2 0 1960 1970 1980 1990 Verenigde Staten Europa Japan
BNP/hoofd van de bevolking in dollar van 1980
voor resp. 1960, 1970, 1980, 1980.
1960 1970 1980 1980
Verenigde Staten: 7 223 9 325 11 636 14 071
Europa: 5 899 8 554 10 831 13 334
Japan: 2 683 6 415 9 109 12 697

Wat de VS aan handelstekorten boekt, wordt gecompenseerd door handelsoverschotten bij Japan en Duitsland. In 1987 bereikt die situatie een hoogtepunt: tegenover een VS-tekort van 160 miljard dollar staat een overschot van 96 miljard dollar in Japan en 65 miljard dollar in Duitsland. Die twee landen bouwen op die manier grote financiële reserves op die terug geleend worden aan de VS om de tekorten te dekken. Japan wordt de grootste internationale geldschieter en financiert ongeveer 30 tot 40 % van de Amerikaanse buitenlandse schuld.

De handelsoverschotten, de spaarreserves van bedrijven en particulieren p. 44vormen een uitstekende voedingsbodem voor banken en financiële instellingen. Op enkele jaren tijd rukken de Japanse banken op naar de top, met acht van de tien grootste banken op wereldvlak. De Japanse investeringen in het buitenland verzesvoudigen tussen 1985 en 1989 (van 12 naar 68 miljard dollar).

Een van de meest betekenisvolle vergelijkingen is die tussen de brutokapitaalvorming in de drie betrokken landen — het deel van het BNP (in procent) dat besteed wordt voor investeringen. Onderstaande grafiek geeft de cijfers voor de belangrijkste kapitalistische landen.

Investeringsgraad
in procent van het BNP,
zonder woningbouw.
Jaren 60, jaren 70, jaren 80 (tot 1987).10
’60 ’70 ’80
Verenigde Staten: 13,0 14,0 13,0
Duitsland: 18,0 16,0 14,5
Japan: 27,0 26,5 24,5
Investeringsgraad in % van het BNP 30 25 20 15 10 5 0 jaren 60 jaren 70 jaren 80 Periodes van 10 jaar, zonder woningsbouw Verenigde Staten Duitsland Japan

Duitsland heeft zich tot voor kort op een minder spectaculaire wijze opgewerkt tot een van de sterkste economische machten. In 1989 noteerde Duitsland voor het eerst een groter handelsoverschot dan Japan (81 miljard dollar). Zijn dominerende rol in Europa wordt het best weerspiegeld in de onaantastbare positie van de Deutsche mark (DM). Als ‘sterke munt’ onderwerpt zij alle landen die onder de mantel van het Europese monetaire p. 45stelsel thuishoren aan de discipline van de DM. Met de oprichting van de Europese Centrale Bank (Eurofed) in 1994 en de vorming van de eenheidsmunt (ECU) tegen het einde van deze eeuw, zal de onderwerping aan de Duitse dictaten nog groter worden. Om de Belgische frank aan de Duitse mark te kunnen koppelen waren acht jaar loondiscipline, soberheidsmaatregelen en budget besnoeiingen nodig. Om de koppeling in stand te houden zullen nog grotere offers nodig zijn.

De Duitse hereniging en de invasie van de Duitse monopolies naar het Oosten hebben een totaal nieuwe dimensie gegeven aan Duitse grootmacht-ambities. De Deutsche Bank wordt de nieuwe heerser van Europa en Duitsland slaat onweerstaanbaar, zoals in de jaren 30, de weg in van het groot-Europa onder Duitse leiding.

115.
Een nieuwe fase in de algemene crisis van het kapitalisme

Na het herstel van het kapitalisme in het Oostblok waren de triomfkreten niet uit de lucht. Nu ook de Sovjetideologen de deugden van het kapitalisme en zelfs het imperialisme bezingen11, juichen alle bourgeois-denkers en -partijen over de schitterende toekomst van de markteconomie. Vele voorspellers waagden het om een nieuwe lange periode van expansie en vrede te voorzien. De Golfcrisis heeft ondertussen het enthousiasme geblust: het is duidelijk dat er een periode van Noord-Zuid conflicten en nieuwe bevrijdingsstrijd in de maak is. Maar ook binnen het vernieuwde kapitalistische kamp is de crisis allesbehalve opgelost en staan er grote verscheurdheid en nieuwe sociale explosies op het programma.

De algemene crisis van het kapitalisme als systeem, die een aanvang nam vanaf de eerste socialistische revolutie in 1917, groeit in de komende decennia ongetwijfeld naar nieuwe hoogtepunten.

1o Naar extreme kapitalistische anarchie, armoede en burgeroorlog in het Oostblok.

“Al bij al”, schrijft de Deutsche Bank, “lijkt het er eens te meer op, alsof Europa een tijdperk van verlichting en rede is binnengetreden. 1989 was een schitterend vervolg op 1789. Pragmatisme heeft ideologieën van alle slag overwonnen.”12

Voor de Deutsche Bank, de Dresdner Bank en de Commerz Bank, voor alle Europese monopolies opent de val van de Oost-Europese regimes ongekende perspectieven. Het ‘pragmatisme’ betekent de privatisering van de hele Oost-Europese industrie, de inlijving door West-Duitsland van de tiende industriële natie ter wereld, de verovering van de Oost-Europese markten door Volkswagen en Siemens, Bayer en BASF. De ‘rede en de verlichting’ heeft nu al werkloosheid en armoede gezaaid: op een jaar tijd zijn 1,1 miljoen werkplaatsen vernietigd in het voormalige Oost-Duitsland en kwamen er 1 miljoen werklozen in Polen. Nationalisme en rechtse ideologieën rukken op in de Balkanstaten en in de Sovjet-Unie: ongetwijfeld een overwinning van de ‘verlichting’ … Extreme miserie zal het lot zijn van tientallen miljoenen. Het is erg te betwijfelen of deze p. 46‘weldaden’ van het kapitalisme binnen enkele jaren een nog even groot enthousiasme zullen opwekken onder de werkers van het Oostblok.

2o De derde wereld in een uitzichtloze toestand. Het eerste slachtoffer van de omwenteling zal eens te meer de derde wereld zijn. Nu de Sovjet-Unie op Westerse golflengte zit en zich stilaan inschakelt in de imperialistische wereldorde, moeten de arme landen zelfs niet meer rekenen op gunstiger economische akkoorden en worden ze nog meer de speelbal van de ‘vrije markt’. De Westerse kapitaalreserves worden afgeleid naar de veel rendabeler projecten in het Oostblok, terwijl de derde wereld langzaam leeg bloedt in zijn schuldenlast. “De ontwikkeling van handelsblokken — USA-Canada, het eengemaakte Duitsland, de EEG en morgen wellicht het Grote Europa van de Atlantische Oceaan tot de Oeral — compenseert ruimschoots het verlies van afzetmarkten te wijten aan de povere groei van de minst ontwikkelde economieën”, aldus Paribas.13 Voor de inlijving van Oost-Duitsland zal Duitsland 1 000 miljard mark ophoesten, de helft van de totale schuld van de derde wereld. Nu er geen reuzewinsten meer te rapen vallen worden de derdewereldlanden door de banken terug verwezen naar ontwikkelingshulp … “Het pas aangevat decennium wordt voor de ontwikkelingslanden van Latijns-Amerika en Afrika ongetwijfeld een van de moeilijkste van de twintigste eeuw”, voegen de Paribas-bankiers er cynisch aan toe.

Met een schuldenlast die eind 1989 1 390 miljard dollar bedraagt, betalen de derdewereldlanden sinds 1981 effectief meer aan intrest en afbetaling dan er aan nieuwe leningen binnenstroomt. De derde wereld is met andere woorden netto-exporteur van kapitaal geworden, jaarlijks stroomt ongeveer 40 à 50 miljard dollar van Zuid naar Noord!

Terwijl de schuldbetalingen stegen daalden de exportinkomsten door de dalende grondstoffenprijzen. De derdewereldlanden proberen dus meer uit te voeren en raken zo nog meer verstikt in de netten van de multinationale ondernemingen die de prijzen van uitgevoerde producten nog verder drukken en van het IMF dat zijn monsterachtige verarming oplegt De grondstofprijzen zakten ondertussen naar een dieptepunt. De IMF-index die de prijzen van de grondstoffen tegenover die van de afgewerkte producten afmeet, daalde van basis 100 in 1957 naar 66 in 1985.14 Tussen 1981 en 1985 daalden de prijzen van de voedingsgrondstoffen met gemiddeld 15 %, landbouwproducten met 7 % en mineralen met 6 %. In 1986 alleen was er een verslechtering van 30 % in de ruilvoet (verhouding tussen invoer- en uitvoerprijzen) van de ontwikkelingslanden, wat leidde tot een handelsdeficit van 94 miljard dollar met de industrielanden.15

De armoede grijpt ondertussen de derdewereldlanden naar de keel. Twee miljard mensen op de wereld hebben minder dan 500 dollar per jaar om te overleven, 600 miljoen hebben geen werk, 800 miljoen zijn analfabeet, 40 000 kinderen sterven élke dag aan ondervoeding of aan gemakkelijk geneesbare ziektes. Tegen 2020 zal de wereld 8 à 9 miljard mensen tellen, voor het overgrote deel in de arme landen. De Wereldbank wijdde zijn jaarrapport van 1990 aan de armoede in de ontwikkelingslanden, p. 47aan de armsten onder de armen dus. Hieruit een citaat: “Als men de bovenste armoedegrens neemt, dat wil zeggen 370 dollar inkomen per jaar, dan zouden er in 1985, 1 115 miljoen armen zijn geweest in de ontwikkelingslanden, of ongeveer een derde van de bevolking. Op dit aantal zijn er 630 miljoen — of 18 % van de bevolking — die uiterst arm waren: hun jaarlijkse consumptie bedroeg minder dan 275 dollar, de onderste armoedegrens.”16 Hetzelfde rapport voorspelt, bij gelijkblijvende tendensen, een daling van 20 % van het inkomen per inwoner voor Afrika beneden de Sahara in de loop van de jaren 90; een inkomen dat de laatste jaren is teruggevallen op het niveau van de jaren 60! (Pp. 7 en 17.)

3o Naar een verscherpte strijd tussen de VS, Japan en Europa.

Evenwicht van krachten betekent onvermijdelijk scherpere concurrentie. Het versterken van de regionale blokken is slechts een aanzet en dient om een betere uitgangspositie te verwerven op de wereldmarkten. Tegelijk is er de drang om de ‘eigen’ lokale markt af te schermen tegen de agressieve campagnes van de concurrentie. De automobielsector is daarvan het beste voorbeeld. Nadat de Japanse producenten een stabiele 20 % hebben veroverd op de Amerikaanse markt is de Europese markt het volgend objectief. Zowat alle grote Japanse groepen hebben een bedrijf gevestigd in Groot-Brittannië of Spanje om de 1992-burcht van binnen uit te veroveren. Volgens Yukata Kume, voorzitter van Nissan, zullen op termijn slechts twee Europese groepen overblijven Fiat en Volkswagen, terwijl de andere zullen gesloten of opgekocht zijn.17 Een oorlogsverklaring die door de Europese groepen met samenwerkingsakkoorden (Renault-Volvo) en met lobbydruk voor protectionisme wordt beantwoord.

Vanuit de andere zijde wordt het ‘Fortress Europe’ (burcht Europa) bestookt door de Amerikaanse regering om haar landbouwsubsidies af te bouwen. Dertig procent afbouw wilde de Europese Gemeenschap op de GATT-onderhandelingen toegeven, terwijl de VS 75 % vermindering eist. De vrijhandel waarover in de GATT onderhandeld wordt, is niets meer dan een harde strijd voor het veroveren van andermans markt en het beschermen van de eigen zwakke sectoren. Als de Uruguay-ronde niet met een akkoord wordt afgerond, dreigt een regelrechte handelsoorlog, met een heropleving van de bilaterale overeenkomsten, met opbod van protectionistische maatregelen en ineenstorting van de internationale handel. De VS heeft zijn instrument al klaar: de Trade Bill Act, goedgekeurd onder Reagan, in augustus 1988. Met deze wet kunnen invoerbeperkingen, taksen of zelfs invoerverbod worden opgelegd tegen landen die dumping toepassen of tegen producten die genieten van exportsubsidies (zoals de Europese landbouwproducten).

4o Financiële wanorde en instabiliteit.

De financiële wereldorde is doorgaans de beste barometer voor de gezondheid van het kapitalisme. Als we deze graadmeter als houvast nemen, dan gaat het kapitalisme zware stormen tegemoet. Sinds de val van Bretton-Woods in 1971 en de aftakeling van de Amerikaanse suprematie, p. 48stapelen de financiële onweerswolken zich op. Zowat alle internationale instellingen waarschuwen met toenemende drang tegen de dreigende financiële catastrofes. De Bank voor Internationale Betalingen schrijft in zijn jaarrapport: “De verschillende crisissen die de laatste jaren of de financiële deelmarkten zijn uitgebroken hebben nog niet tot een kettingreactie geleid, maar de fundamentele oorzaken die tot deze crisissen hebben geleid, zijn nog steeds aanwezig.”

De eerste oorzaak: de aanwezigheid van reusachtige vlottende geldmassa’s. De schommelende wisselkoersen tussen de munten brachten overvloedige internationale liquiditeiten en de daarmee verbonden speculatie voort. De petrodollars kwamen na 1973 deze vlottende geldmassa aandikken. De neoliberale golf maakte die lading dollars, marken en yens nog mobieler door alle beschermende maatregelen die in de jaren 30 waren opgelegd aan banken en financiële instellingen te vernietigen in een wereldwijde ‘deregulatie’. Alle tussenschotten werden verwijderd en de financiële experimenten vierden hoogtij. De totale beschikbare geldwaarde in banken en op beurzen steeg van 13 864 miljard dollar (1982) naar 36 512 miljard dollar (1988). Door het elektronisch bankieren werd de circulatiesnelheid van die waarden geweldig opgedreven. Duizenden miljarden ‘verplaatsen’ zich elke dag met een druk op de knop, op zoek naar enkele fracties van een procent meer intrest. Het international bankieren groeit met 20 % per jaar, in vergelijking met 12 % voor de handel. De aangroei van deze beleggingen bedraagt 3 800 miljard dollar per jaar tegenover slechts 2 300 miljard dollar voor de investeringen.18 Deze fondsen zijn de permanente speelbal van speculatie en paniekreacties.

De tweede oorzaak: de opeenstapeling van onbetaalbare schuldenbergen. Een groot deel van de schuld van de derde wereld zal nooit terugbetaald worden. Toen Mexico in 1982 de schuldbetaling staakte, stond de financiële wereld op de rand van een kettingramp. De privébanken lenen sindsdien nog zelden aan de derde wereld, maar vele Amerikaanse banken blijven kwetsbaar voor het verlies van lopende leningen. Een anti-schuldfront kan niet alleen privébanken doen wankelen maar ook het hele internationale financiële stelsel. En wat kan het gevolg zijn wanneer Japanse en Duitse fondsverstrekkers zich afkeren van de dollar en de Amerikaanse staatsobligaties, wanneer die verder aan aantrekkingskracht verliezen?

Het gewicht van de VS-tekorten maakt de internationale financiën (en dus ook economie) tot een permanente gijzelaar van de Amerikaanse keuzen. Een zwalpende dollar staat minder dan 30 Belgische frank in mei 1980, klimt tot boven de 60 Belgische frank in 1985 en valt terug beneden de 30 Belgische frank in 1990, al naargelang de prioriteit van de FED naar de strijd tegen inflatie of naar het aanzwengelen van de export gaat. Deze labiliteit houdt permanent de intresten hoog omdat een risicopremie ingerekend wordt. Hoge intresten zijn slecht voor de groei en lage groei is slecht voor schuldenaars. De geldreserves gaan verder naar speculatie in plaats van naar investeringen en de hoge rente verstikt de derdewereldlanden nog meer.

Derde oorzaak: de casino-economie heeft de risico’s enorm verhoogd. p. 49De financiële deregulering heeft de winsthonger van de speculanten nog opgedreven. Er wordt gespeculeerd op alles: op grondstoffen, op petroleum, op alles wat waarde heeft, tot op de … schuldpapieren van de derde wereld! De financiële operatoren zijn steeds vindingrijker en roekelozer geworden tot de bom is gebarsten bij de gevaarlijkste producten, de junkbonds. Junkbonds zijn letterlijk ‘prul-obligaties’ met een rente tot 20 %, maar met een zeer hoog risico. De markt werd gevoed door gespecialiseerde huizen als Drexel-Burnham-Lambert en liep naar schatting op tot zo’n 300 miljard dollar! Ze werden onder meer gebruikt om de reusachtige overnames van bedrijven te financieren, waardoor de overgenomen bedrijven met een zware rentelast werden opgezadeld. Toen de ineenstorting kwam, ging niet alleen Drexel-Burnham-Lambert failliet maar kwamen een groot deel van de 2 500 spaarbanken in moeilijkheden, die hun kassen rijkelijk hadden gespijsd met de erg rendabele junkbonds.

De Amerikaanse staat werkte een reddingsplan uit dat voorziet in 500 miljard dollar staatstussenkomst in de komende 30 jaar, waarvan 250 miljard tegen het jaar 2000. De banken zijn er amper beter aan toe: in 1990 gingen 170 (kleinere) banken failliet, maar nu staan ook de meeste grote banken op de rand van het bankroet. Vele Amerikaanse bedrijven zijn overladen met schulden en zien de recessie met angst tegemoet. (Hun totale schuldenlast is sinds 1982 verdubbeld tot 1 800 miljard dollar.)

Maar ook het Japanse financiële systeem is bijzonder kwetsbaar. De beurs kende reeds een eerste vrije val in 1990 en de banken zijn slecht ingedekt. De Japanse financiële overschotten hebben vooral de grondspeculatie aangezwengeld. De grondprijzen bereiken astronomische cijfers, waardoor immobiliën op hun beurt als onderpand dienen voor leningen. Wat gebeurt er bij de eerste crisis, wanneer de grondprijzen instorten? Volgens experten is de toestand minstens even explosief als in de VS.

Samengevat: het kleinste accident kan paniek veroorzaken, zoals reeds is gebleken bij de beurskrach van oktober 1987 en zijn echo van 1989. Tot nu toe zijn alle pogingen om een nieuwe monetaire orde in te stellen mislukt. Wellicht wordt de wereld meer en meer opgedeeld in monetaire zones, de ECU-zone (Deutsche mark), de Dollar-zone en de Yen-zone. Een situatie die erg lijkt op die van de jaren 30 en tekenend is voor de diepe tegenstellingen tussen de imperialistische blokken.

12.
De patronale strategie: de winstvoet optrekken en markten veroveren

De bloeitijd komt automatisch terug, zegt het patronaat, als men de onwrikbare wetten van de kapitalistische logica respecteert: hoge winsten betekenen investeringen, investeringen betekenen werk, werk betekent hogere welvaart. Deze uiterst simpele en simplistische logica wordt in alle toonaarden, in alle continenten tot vervelens toe herhaald. Voor het patronaat is de crisis een heilzame zuiveringsperiode waarin de mechanismen p. 50van de vrijemarkteconomie worden hersteld. Volgens hen werden deze wetten in het verleden geweld aangedaan door de macht van de arbeiders en hun vakbonden en door het toenemende beslag van de Staat op het nationaal inkomen. Om het eenvoudig te stellen: te hoge lonen en te veel sociale voorzieningen hebben de kip met de gouden eieren gedood. Hoe sneller de ‘zuivering’, hoe sneller opnieuw een lange periode van hoge groei aanbreekt. Daarom moet alles plooien voor het herstel van de winst.

Zuivering betekent dan: ontdoen van ‘sociale uitwassen’ (hoge lonen …), ‘sociale luxe’ (sociale zekerheid …), ‘sociale rigiditeiten’ (sociale wetgeving …). Zuivering betekent ook: rationalisering van het productieapparaat, sluiten van niet-rendabele ondernemingen, doorsluizen van de staatssteun naar toekomstgerichte sectoren en bedrijven. Dit zijn verschillende vormen om de winstvoet op te voeren. (Zie 12 bis.)

12 bis.
Winstvoet en patronale strategieën

De zin van de kapitalistische productie ligt in de ‘valorisatie’ van kapitaal. Een kapitaalbezitter koopt gehouwen, machines, grondstoffen en werktuigen. Hij werft arbeiders aan en laat ze waren produceren die hij verkoopt op de markt. De bedoeling is dat de uiteindelijke opbrengst groter is dan het beginkapitaal. Dit noemde Marx de kapitaalcyclus:

Machines Geld … … Productiekrachten … … Productie … … Producten … … Geld Arbeidskracht

De drijvende kracht in de kapitalistische productie is de winstvoet. De winstvoet is de ultieme graadmeter voor de rentabiliteit van het ingezette kapitaal. De winstmassa wordt afgemeten in verhouding tot het totaal voorgeschoten kapitaal, dat bestaat uit constant en variabel kapitaal (K = c + v). Het constant kapitaal (machines, gebouwen, grondstoffen …) wordt zo genoemd omdat het in de loop van het productieproces geen nieuwe waarde schept, enkel de eigen waarde doorgeeft aan de producten.

Het variabel kapitaal (arbeidskracht) daarentegen schept nieuwe waarde tijdens het productieproces, een nieuwe waarde die verdeeld wordt in een deel dat de arbeidskracht aan de kapitalist kost (het loon) en een deel waarover hij vrij beschikt (de meerwaarde).

De arbeid is met andere woorden de enige bron van meerwaarde en winst.

De uitbuitingsgraad of meerwaardevoet (m′) wordt gemeten naar de verhouding tussen de meerwaarde (m) en het loon (v), het deel dat naar de kapitalist gaat tegenover het deel dat de arbeider krijgt:

m = m v

De meerwaarde is niet identiek aan de winst, omdat de geproduceerde meerwaarde herverdeeld wordt tussen de kapitalisten. Maar er kan niet meer totale winst gemaakt worden dan er meerwaarde wordt gemaakt. Op globaal maatschappelijk vlak zijn totale meerwaarde en winst dus gelijk.

De winstvoet wordt gemeten als:

winstvoet    w = w c + v = winst constant + variabel kapitaal

Op de winstvoet kan dus ingewerkt worden door verschillende patronale strategieën. Strategieën die de meerwaardevoet of uitbuitingsgraad verhogen ( m v  ), strategieën die besparen op het constant kapitaal of op de aanwending van het constant kapitaal (c), strategieën die de rotatiesnelheid van het kapitaal verhogen (w). Alles wat de noemer verkleint, vergroot de winstvoet.

Bij grote crisissen gaat een gedaalde winstvoet samen met een permanente overcapaciteit. De geproduceerde meerwaarde wordt slechts gerealiseerd als de producten verkocht worden op een markt, een afnemer vinden. Voor de patroons is er naast het rentabiliteitsprobleem een realisatieprobleem. p. 51Kapitalisten zullen slechts investeren in uitbreiding (accumuleren) als de verwachte winstvoet hoog genoeg is (boven de gemiddelde winstvoet) en wanneer ze erop kunnen rekenen voldoende afzet te vinden voor hun producten.

Daarom voeren de patroons, in crisis meer dan ooit, een dubbele strijd: voor het voor het verhogen van de winstvoet en voor het veroveren van markten (oude en nieuwe). Dit alles gebeurt onder een centraal ordewoord: de concurrentiepositie. Voor het vinden van nieuwe markten kan het patronaat drie wegen op: nieuwe producten ontginnen (nieuwe technologie), nieuwe gebieden veroveren (Oost-Europa) en markten van de concurrentie afsnoepen.

121.
‘Concurrentiepositie’ of opdrijven van de uitbuitingsgraad (m/v)

Het ordewoord bij uitstek, waarmee de patroons zich heel speciaal naar de vakbonden en de werkers richten, is de internationale concurrentiepositie. Het klopt dat de economie meer en meer internationale dimensie heeft: geen enkele serieuze kapitaalgroep kan zich nog verschansen binnen p. 52de eigen grenzen en overleven dank zij de bescherming van de eigen nationale staat. Het klopt dat de Belgische economie bovendien de meest open economie ter wereld is. Alle dominerende industriële sectoren (metaal, automobiel, chemie, petroleum, non-ferro, hoogtechnologische bedrijven) mikken op de uitvoer. De financiële groepen proberen zich een plaats te veroveren op de internationale scène. Het Belgisch grootkapitaal probeert zijn (technologische) achterstand op de internationale markten goed te maken. ‘Concurrentiepositie’ is de toverformule om van de regering alles gedaan te krijgen en bij de vakbonden ‘begrip’ te verwerven.

In naam van de concurrentiepositie werd de laatste tien jaar een reusachtige overdracht van de gezinnen en de staat naar de bedrijven gerealiseerd. De verdeling arbeid/kapitaal werd grondig gewijzigd ten voordele van het kapitaal en de rijkste bevolkingslagen. Dit wordt klaar aangetoond door de verdeling van het nationaal inkomen: het inkomen uit arbeid (loontrekkenden) daalde van 68,3 % in 1980 tot 58,3 % in 1988; de reserveringen van de vennootschappen (winst na belastingen en dividenden) stegen van 0,8 % in 1980 tot 5,5 % in 1988; de inkomens uit vermogen (onder meer dividenden) stegen van 14,3 % tot 19,3 %. In harde cijfers betekent het dat de reserveringen toenamen van 19 miljard in 1980 tot 268 miljard in 1988.19

Deze massieve overdracht is niets anders dan toename van de uitbuitingsgraad, weerspiegeld in de verdeling van het nationaal inkomen. De ontwaarding van de arbeidskracht kwam tot stand langs rechtstreekse en onrechtstreekse ingrepen op de koopkracht, door aanvallen op het directe en het indirecte loon. De inlevering bedroeg gemiddeld 15 % van het inkomen.

Ondertussen werden ook de sociale uitkeringen ondergraven. De basisprincipes van de sociale zekerheid werden in de feiten herzien (van individuele naar gezinsuitkering, van procentuele uitkering naar bestaansminimum), de staatsbijdragen werden tot nul herleid voor werkloosheidsuitkeringen, en de crisislasten werden volledig afgewenteld op de werkers door bijdrageverhoging en indexsprongen. Na al die afbouw werd de sociale zekerheid opnieuw winstgevend, wat toelaat om opnieuw de patronale bijdragen te verminderen door de wildgroei van lastenvrije betalingssystemen (maaltijdcheques) aan te moedigen.

Het lot van de sociale zekerheid werd het lot van alle sociale staatsbudgetten: meedogenloze afbouw van de uitgaven, besnoeiing in de sociale voorzieningen, het onderwijs, de non-profitsector, het openbaar vervoer en de openbare dienstverlening. Dit was het hoofddoel van de ‘sanering van de staatsfinanciën’, waardoor nog meer ruimte vrijkwam voor geschenken aan de bedrijven en de rijken. Die komen er onder de vorm van vermindering van de vennootschapsbelasting (van 43 % naar 39 %), hervorming van het belastingsysteem, vermindering van de roerende voorheffing (van 25 tot 10 %).

Op dit ogenblik gaat de grootste patronale aandacht naar de maximale invoering van de flexibiliteit. Het is een andere methode om geweldig te p. 53besparen op de productiekost en de winstvoet gevoelig te verhogen, voornamelijk door besparing op het constant kapitaal (we komen hierop terug in hoofdstuk 2). Samen met de flexibele productievormen worden echter ook vele onzekere en onderbetaalde jobs gecreëerd (tijdelijken, onderaanneming …), waardoor de globale loonkost daalt en de uitbuitingsgraad stijgt.

Op die manier hebben 15 jaar inlevering, soberheid en crisispolitiek de levensvoorwaarden van de werkende bevolking gevoelig verslechterd. Telkens volgt hierbij de belofte dat morgen alles beter wordt. Maar de concurrentiespiraal stelt steeds maar nieuwe eisen. Dezelfde kapitalistische crisisremedies worden immers over de hele wereld toegepast. Er is opbod en concurrentie tussen de kapitalistische landen om deze ‘sanering’ het snelst en het hardst door te voeren. De regering probeert de Belgische ondernemingen in de meest gunstige positie te brengen. Dat is haar gelukt met de competitiviteit van de loonkost. Dit is haar gelukt met de wetgeving op de flexibiliteit maar nog niet volledig met de sociale voorzieningen en het budgettekort.

Op 6 januari werd op initiatief van minister Claes de ‘Wet ter vrijwaring van het concurrentievermogen’ van kracht. Tweemaal per jaar wordt een vergelijking gemaakt van de kostenparameters met de zeven belangrijkste handelspartners, waarna de regering volmacht heeft om in te grijpen in de loonvorming, de indexkoppeling en theoretisch ook in de financiële kosten en de energiekosten. In werkelijkheid is dit carcan niets anders dan het opleggen van een internationale norm voor de uitbuitingsgraad, een norm die door de bitsige concurrentiestrijd aan voortdurende druk naar beneden onderhevig is.

122.
De staat vernietigt kapitaal en draagt vers kapitaal aan

Nergens kan men zo duidelijk zien hoe de kapitalistische staat en het patronaat verstrengeld zijn als bij de industriële politiek in crisistijd. Herstel van winstvoet en verovering van nieuwe markten luidt de opdracht.

In een eerste periode (1978-1983) nam de staat de grote noodlijdende sectoren over van de privégroepen en voerde massale steun aan voor afbouw en sanering. De totale omvang van de staatsparticipaties door publieke holdings is in de periode 1975-1983 ongeveer vertienvoudigd (tot 54,5 miljard Belgische frank).20 Die publieke fondsen worden zonder enige vergoeding ingezet, en vaak met grote kans op vernietiging. Zo zouden 17 % van de participaties voor eigen rekening van de publieke holdings en 45 % van de participaties in opdracht van de staat (‘missions déléguées’) volledig verloren gegaan zijn op het eind van het boekjaar 1983-84.

Tijdens de periode 1973-1984 heeft de staat in totaal ongeveer 424 miljard Belgische frank ingezet in de vorm van deelnames, subsidies, garanties, dekking van verliezen en sociale begeleiding in de nationale sectoren.21 Zo heeft ze de volledige last van de rationalisering gedragen in de scheepsbouw, de staalindustrie, de glas- en de textielsector. De Generale Maatschappij, p. 54de groep Brussel-Lambert, Cobepa en Frère-Bourgeois konden zich zonder kleerscheuren, op kosten van de staat, terugtrekken uit de verouderde industrieën om zich te concentreren op de meest winstgevende.

Door liquidatie van de minst rendabele bedrijven, door massale vernietiging en ontwaarding van constant kapitaal, wordt de winstvoet van de overblijvende bedrijven opgetrokken.

In een tweede periode (1982-1990) concentreren de regeringsoffensieven zich op het draineren van vers geld naar de spitsindustrie. Door de wet Cooreman-De Clercq heeft ze gezorgd voor een omvangrijke toevloed van spaargelden naar de Beurs. De wet, die voorzag in fiscale vrijstellingen bij uitgifte en aankoop van speciale APV-aandelen, leverde in totaal 300 miljard Belgische frank vers kapitaal op aan de Belgische beursgenoteerde bedrijven. Twintig procent (62 miljard) daarvan ging naar de Generale of haar filialen; de eigen fondsen van de Generale stijgen van 9,5 miljard Belgische frank in 1980 tot 67,5 miljard Belgische frank in 1987.

Tegelijk heeft ook een verschuiving plaats in de vormen van subsidiëring. Waar vroeger zonder veel onderscheid subsidies werden toegekend, worden die meer en meer vervangen door fiscale vrijstellingen en gunstregimes. Dit bevoordeelt vooral de meest rendabele bedrijven, in tegenstelling met de rechtstreekse subsidies. Daar waar de theoretische vennootschapsbelasting tot voor kort op 43 % lag, bedroeg de werkelijk geïnde belasting slechts 30,6 %. In 1987 werden slechts 262 miljard van de 455 miljard reële belastbare winst in rekening gebracht.22 Een van deze gunstregimes wordt speciaal in het leven geroepen om multinationals naar België te lokken: de coördinatiecentra (1982). Het gevolg is dat elke Belgische groep met minstens een filiaal in het buitenland op staande voet een coördinatiecentrum opricht, dat een bijna volledige belastingvrijstelling geniet. Reeds meer dan 25 % van alle investeringen zouden langs coördinatiecentra worden gedraineerd en ook de (kunstmatige) winsten van deze papieren maatschappijen zwellen ongelooflijk snel aan. In een interne nota van de Nationale Bank wordt de fiscale aderlating op minstens 5 miljard per jaar geschat.

Deze verschillende vormen van staatscadeaus verlagen de kostprijs van het kapitaal en verhogen op die manier de winstvoet. Er wordt goedkoop kapitaal aangedragen voor herstructurering en investering.

123.
Reusachtige concentratie en centralisatie van kapitaal

Waartoe hebben al die opgetrokken winsten gediend?

1o Vooreerst tot rationalisaties. De bedrijfsinvesteringen in België bereikten in de periode 1976-1987 amper 10 tot 12 % van het BNP, een historisch laagtepunt. Het grootste deel van die investeringen waren rationalisatie-investeringen, die de productiviteit verhoogden maar geen uitbreiding van productie inhielden. In totaal werden er in die periode ongeveer 380 000 werkplaatsen vernietigd in industrie, door sluitingen en rationalisaties. In 1980 werden in Europa 11,5 miljoen voertuigen geproduceerd door 10 miljoen p. 55arbeiders en bedienden; in 1989 werden er 15, 8 miljoen geproduceerd met een derde minder personeel.23

2o Tot het oppotten van reserves en beleggingsactiviteiten. Alle kapitaalgroepen en bedrijven hebben ‘te kampen’ met groeiende kapitaaloverschotten, geld dat geen productieve aanwending kent en wordt belegd op de kapitaalmarkten. Volgens de cijfers van de Nationale Bank legden de Belgische bedrijven in de periode 1980-1989 ongeveer 1 363 miljard Belgische frank opzij.24 Een multinational als Siemens heeft zich op die manier een spaarpot van 1 000 miljard Belgische frank verzameld.

3o Tot het kopen van markten door overnames en fusies. De inkomens uit belegging vormen een steeds groter deel van de beschikbare middelen. Uit een recente Franse studie blijkt dat ze ongeveer een derde van de financiële middelen (naast exploitatieoverschot en bankkredieten) uitmaken.25 Die ‘oorlogsbuit’ wordt meestal ingezet voor het opkopen van andere bedrijven of instellingen. Het is namelijk veel gemakkelijker markten over te kopen, dan ze door reclame en prijsconcurrentie af te snoepen. Het aantal overnames, participaties en fusies heeft in Europa de laatste jaren een fenomenale vlucht genomen en blijft toenemen naargelang de 1993-koorts stijgt. Voor de 1 000 belangrijkste Europese ondernemingen worden elk jaar het aantal fusies, participaties of joint-ventures genoteerd, er waren 558 operaties van die aard in 1986, 708 in 1987, 1 025 in 1988 en 1 122 in 1989.26 Tijdens de eerste drie maand van 1990 werd in de hele Europese Gemeenschap 11,6 miljard ECU (bijna 500 miljard Belgische frank) uitgegeven voor overnames!27 Op wereldvlak hadden in de eerste zes maanden van 1990 voor 62 miljard dollar (2 200 miljard Belgische frank) fusies en overnames plaats.28 Zelfs het fameuze gevecht uit 1988 voor de controle over de Generale verdwijnt erbij in het niets.

Het zijn cijfers die de omvang aangeven van de nooit eerder geziene concentratie van macht, rijkdom en grenzeloze vrijheid in handen van de grote internationale monopolies en financiële groepen. Daartegenover staat concentratie van armoede, uitbuiting en onderdrukking voor de arme landen en volkeren, voor de onderste bevolkingslagen en de werkers. Want overnames gaan steeds gepaard met sluitingen, rationalisaties en vermindering van de loonkost om het ingezette kapitaal zo snel mogelijk te recupereren.

124.
De crisispolitiek tegenover de derde wereld

De onderlinge concurrentie tussen de kapitalistische groepen en landen, staat in schril contrast met hun eensgezind optreden tegenover de derdewereldlanden. Als het erom gaat de oliebronnen veilig te stellen in het Midden-Oosten, sluiten alle imperialistische (en nu ook ex-socialistische) landen aaneen en hebben ze er een moorddadig, vernietigend militair conflict voor over. De inzet van de oorlog wordt op kernachtige wijze samengevat door Heiko H. Thieme, hoofdconsulent van de Deutsche p. 56Bank in New York: “Pas onlangs heeft men in Saoedi-Arabië olievelden ontdekt die nog groter zijn dan de bestaande. Je moet geen genie zijn om te begrijpen wat dat kan inhouden, tenzij een Saddam Hoessein of een of andere religieuze fanaticus die olievelden zou gaan controleren. Dat is waarom de VS zo krachtdadig heeft gereageerd. Zij willen die olievelden voor de vrije wereld bewaren en ze niet verkwanselen aan de fanatici, die in mijn ogen veel minder recht hebben om ze op te eisen dan de Westerse oliebedrijven. Die ontdekten ze en hebben ze uitgebouwd. De juridische eigendom ligt natuurlijk bij de landen aldaar, maar dat geeft geen ander land of buurland het recht die eigendom te stelen. Dat is het wat de wereld op een unieke wijze gezamenlijk heeft veroordeeld, voor de eerste keer helemaal verenigd.”29

Door lage grondstofprijzen, hoge intrestlast en protectionisme wordt de crisis afgewenteld op de ontwikkelingslanden.

1o Lage grondstofprijzen verlagen de kostprijs van het constant kapitaal (vermindering c).

Nadat het verenigd front van petroleumproducenten uit de derde wereld (OPEC) in 1973 en 1979 rechtmatige prijzen opdrong voor de olie, gingen de imperialistische landen in het tegenoffensief. Het leidde tot een daling vanaf 1981 en de instorting van de olieprijs na 1985 (een verlies van meer dan 60 %). Vele grondstofprijzen en landbouwproducten uit de derde wereld werden mee naar beneden gezogen met de petroleumprijzen, mede door de slechtere krachtsverhoudingen.

2o Overplaatsing van arbeidsintensieve productie-eenheden naar de derde wereld bezorgen de multinationals spotgoedkope arbeidskrachten. Met lonen die een vijfde tot een twintigste bedragen wordt de productiekost (v) zo laag mogelijk gehouden. Derdewereldlanden worden tegen mekaar uitgespeeld om zo gunstig mogelijke productievoorwaarden te bekomen (belastingvrije zones, verbod op vakbondsactiviteit, onmenselijke arbeidsvoorwaarden).

3o Het imperialisme beschermt zijn eigen markten tegen invoer uit de derde wereld. De VS voert een financiële dumping met de dollarkoers en de EEG beschermt zijn markt met landbouwsubsidies.

Na de neokoloniale plundering van landbouwproducten en de grondstoffen hebben de imperialistische landen nu ook hun zinnen gezet op de controle van de dienstensector. De dienstensector is in vele derdewereldlanden nog afgeschermd tegen de grijparmen van de banken en monopolies. Tijdens de recente Uruguay-ronde van de GATT eisten de rijke landen de opening van de dienstensector, opheffing van de controle over de investeringen (zodat de derde wereld geen barrières meer mag opwerpen) en bescherming van de patenten en rechten van de monopolies (de zogenaamde intellectuele eigendom). Derdewereldspecialisten spreken over een regelrechte herkolonisatie, omdat elke zelfstandige ontwikkeling p. 57hierdoor wordt gecounterd.30

125.
Het Oostblok: meer dan een nieuwe markt

Bij totale afwezigheid van marktperspectieven in de derde wereld, kijken de patroons sinds lang in de richting van de socialistische wereld. Na jarenlang hun hoop te hebben gevestigd op de Chinese markt, hebben ze alle krachten gebundeld om de Oost-Europese regimes te doen wankelen. Dank zij de hulp van Gorbatsjov hebben ze daarbij een onverhoopt snel succes geboekt. “Perestrojka en Glasnost hebben een groot succes van onschatbare waarde behaald”, schrijft de Deutsche Bank als besluit van een studie over de evolutie in Oost-Europa.31

In de Europese landen, is sinds eind 1989 een ware invasie aan de gang. De ontmanteling van de staatsmonopolies en de omschakeling naar een kapitalistische markteconomie opent voor de Westerse en Japanse monopolies een zuurstoffles. De studie voorziet grote kansen voor levering van consumptiegoederen, maar ook voor afzet van hoogtechnologische materiaal, voor ondernemingen van grote werken, voor leveranciers van machines, voor energie- transport- en communicatiebedrijven. (P. 71.) De studie betreurt een zekere terughoudendheid van de privégeldschieters. Zij wachten af tot de politieke risico’s kleiner zijn en de nieuwe ‘democratieën’ met massale injectie van Westerse steun de weg hebben geplaveid voor het grootkapitaal.

Wie niet afwacht zijn de autoproducenten die een verbeten strijd voeren voor de inpalming van de Oost-Europese automarkt. Algemeen wordt verwacht dat de automarkt in de gewezen COMECON-landen kan verdubbelen tegen het jaar 2000, tot een afzet van ongeveer 4 miljoen wagens. Volkswagen heeft zich in elk geval van de beste hapjes voorzien, met de overname van de Zwickau Trabantfabriek in Oost-Duitsland en van Skoda in Tsjecho-Slowakije. Fiat heeft zich reeds vroeger ingegraven in de Russische en Poolse markt en General Motors ging met de Wartburg-fabriek aan de haal (Eisenach). Hongarije wordt een aantrekkingspool voor onderdelenproductie, bestemd voor uitvoer.

Het zijn hoe dan ook alleen de meest interessante bedrijven die de eer genieten opgegeten te worden door de Westerse kannibalen. Minstens een derde van de bedrijven gaat onherroepelijk dicht, wegens te weinig winstkansen op de vrije markt. Veel veroordeelde bedrijven leveren nuttige producten, maar dit is nu eenmaal niet langer het criterium. Hoe meer er gesloten wordt, hoe meer de markt opengaat voor westerse producten. Bovendien wordt hierdoor op grote schaal constant kapitaal vernietigd, wat de winstvoet voor de overblijvende bedrijven gevoelig de hoogte injaagt. (Zie 12 bis.) De massale vernietiging van kapitaal draagt ertoe bij om de overproductiecrisis van de Westerse monopolies te verlichten. De Treuhandanstalt, het organisme dat als opdracht heeft de Oost-Duitse economie te privatiseren, brengt de 8 000 oude staatsondernemingen in verschillende categorieën onder. Eind 1990 waren 500 van de beste al verkocht (waaronder de technologische spitsbedrijven Zeiss en Robotron) …

p. 58

Tenslotte biedt Oost-Europa een goudmijn aan hooggeschoolde, goedkope arbeidskrachten. De kwalificatie is goed en de lonen liggen op een derde of een vierde. Het werklozenleger dat in ijltempo aanzwelt, vervult voor het patronaat een dubbele rol. Ten eerste, houdt het de lonen ter plaatse onder druk en laat het de grofste chantage toe bij investeringen (IKEA investeert in Polen op voorwaarde dat er geen vakbond wordt toegelaten!). Ten tweede, wordt het een reservoir voor invoer van goedkope, gekwalificeerde arbeidskrachten. De patronale druk is groot om die reserves aan te boren en de immigratie te bevorderen.

13.
Vakbond en crisis

131.
De morele revival als mantel voor pure klassensamenwerking

Gedurende de hele crisisperiode heeft het loden gewicht van de ACV-leiding gewogen op elke verzetsbeweging. De hoogste ACV-leiding trad op als rechtstreekse handlanger en politieke bondgenoot van de regering, die de patronale verzuchtingen in bikkelharde programmawetten en herstelplannen omzette. Gedurende die hele tijd speelde de ACV-leiding de rol van bevoorrecht consultant achter de schermen, die de regering nauwkeurig adviseerde hoever ze kon gaan, welke compromissen haalbaar waren, wat zij bij haar basis erdoor kon krijgen. Alfons Verplaetse, kabinetschef en vertrouweling van Wilfried Martens, speelde hierbij als oud ACV-man de tussenpersoon (Hij werd sindsdien gepromoveerd tot gouverneur van de Nationale Bank). Die medewerking van minstens een vakbondstop was gedurende de scherpste crisisjaren (1982-1986) van vitaal belang om de opeenvolgende stakingsgolven te overleven. Toen Jef Houthuys in 1984 spontaan zijn lof uitsprak over het spaarplan van Hertoginnedal, werd hij prompt door premier Martens geprezen voor zijn ‘zin voor staatsmanschap’. Waarop gefluisterd werd dat Houthuys, naast de zes excellenties, de zevende man aan tafel was geweest.

De boodschap die vooral door Houthuys, Decuypere, Lindemans (studiedienst) en de ACV-proost werd gebracht, luidt in grote lijnen als volgt (vrij naar Jef Houthuys):

In crisis komen de fundamentele (christelijke) waarden weer naar boven: de keuze tussen collectivisme en markteconomie, prioriteit van individu en gezin, solidariteit tussen alle bevolkingslagen in de verdeling van de lasten en verantwoordelijkheidsbesef.

De toepassing van deze waarden betekent: allen samen zoeken naar oplossingen binnen het bestaande systeem van ‘gemengde markteconomie’. Men mag zich niet opsluiten in het ‘getto’ van de ‘schuldvraag’: wie is schuldig voor de crisis? Iedereen is schuldig, iedereen zit in dezelfde boot, iedereen moet roeien om zich te redden. Daarom moet de arbeidersklasse het materialisme (alleen maar aan eigen beurs denken) en het negativisme (kankeren op het systeem) bekampen. Zij moet integendeel de solidariteit (solidariteit tussen de klassen p. 59en solidariteit binnen de werkende klasse) herontdekken. De eerste vorm van solidariteit werd na de oorlog gedemonstreerd. Er moet een soort nieuw sociaal pact komen op basis van de huidige economische gegevens. Patronaat en vakbonden moeten boven alles het overleg herstellen om te komen tot een nieuw klassepact. De arbeidersklasse moet daarbij de golden sixties vergeten en rekening houden met de nieuwe economische limieten. Die limieten (‘onze waarheid’) worden aangegeven door ‘onze’ grote nationale instellingen, zoals de Nationale Bank. Daar valt niet aan te tornen. Bij de noodzakelijke inlevering moet de tweede vorm van solidariteit gelden, de solidariteit tussen de ‘rijke’ arbeiders en de minstbedeelden. De bevoorrechte lagen (diegenen die nog werk hebben, de rijkste sectoren) moeten het meest inleveren. De arbeidersklasse moet meer inzage krijgen (democratisering) opdat zij beter de noodzaak van de inlevering zou begrijpen en zou zien dat de anderen ‘het spel’ eerlijk spelen. Zo kan het land uit de moeilijkheden komen, dit wil zeggen: een nieuwe maatschappij opbouwen die niet langer zweert bij het materialisme, maar nieuwe (christelijke) waarden vooropstelt: het individu, het gezin, de solidariteit, de verantwoordelijkheidszin. De overheid moet zich minder mengen in de betrekkingen tussen patroons en vakbonden, maar moet zich ook minder laten afremmen door ‘drukkingsgroepen’ (de vakbonden!) De regering moet krachtdadig de nodige aanpassingen van de economie doorvoeren (het immobilisme en de blokkade doorbreken). Anders zullen die aanpassingen ons van buitenaf worden opgedrongen. Alleen solidariteit kan het failliet van de Staat, blinde ingrepen, devaluaties, enz. voorkomen. Daarom zijn ‘politieke stakingen’ (tegen het regeringsbeleid) uit den boze en tegen het belang van de gemeenschap en van de kleine man. De vakbond doet niet aan politiek (regeringen doen vallen). Deze morele waarden, deze geest van samenwerking van alle bevolkingslagen worden op politiek vlak vertaald en gerealiseerd in de CVP. Het ACV moet trouw zweren aan de CVP. De ACW-keuze van maart 1986 en de verkiezingsuitslag van 13 oktober 1985 tonen de ‘grote dosis gezond verstand van de arbeidende bevolking’.

Hier is niets meer te bespeuren van enige klasseopstelling. Patronaat en arbeidersklasse hebben geen eigen visie op de crisis, er is maar één waarheid en dat is de waarheid van de markteconomie. De christelijke ethiek dient enkel opdat de arbeidersklasse deemoedig het hoofd zou buigen, opdat de werkers de ‘solidariteit in de armoede’ zouden aanvaarden.

De hele ACV-top is ondertussen vernieuwd en het blijft de vraag in hoeverre de filosofische ondergrond van dit optreden nog aanwezig is. Op het laatste ACV-congres werd triomfantelijk het ‘tegenoffensief’ geblazen, na 15 jaar ‘defensief’. Het is natuurlijk gemakkelijker zich strijdbaar op te stellen als de economie heropleeft. In hoeverre is het echter een breuk met het ‘morele syndicalisme’ zoals het tijdens die zware p. 60inleveringsperiode door de meest rechtse fractie in de vakbondsleiding werd gepredikt?

132.
Het realistisch syndicalisme: oude wijn in nieuwe zakken

Een grote groep vakbondsleiders vertrekt niet vanuit morele overwegingen, maar gewoon vanuit het ‘realisme’, om tot gelijkwaardige stellingen van klassensamenwerking te komen. De ergste crisisjaren werden volgemaakt met het duo Houthuys-Vanden Broucke aan het stuur. Vanaf het begin zette André Vanden Broucke zich af tegen het ‘dogmatische, doctrinaire syndicalisme’ van zijn voorganger. Niet toevallig was Vanden Broucke jarenlang voorzitter geweest van de sterke Algemene Centrale. Aan de top van de centrales is de ‘realistische’ stroming traditioneel sterk vertegenwoordigd, zowel in het ACV als het ABVV. Met het aantreden van Vanden Broucke hadden ze een officiële woordvoerder. Waar Debunne altijd de corporatistische visies van de centrales bekampte, domineerden die nu veel sterker de globale vakbondsstandpunten. Hun visie wordt door Vanden Broucke ongeveer als volgt geformuleerd:

Met naar schuldigen te zoeken voor de crisis heb je nog geen oplossing. De crisis heeft het kapitalisme versterkt in plaats van verzwakt. De krachtsverhoudingen zijn in ons nadeel. De arbeiders voelen dat de inlevering onrechtvaardig is, maar hebben vooral schrik om hun werk te verliezen. Daarom moet ons alternatief haalbaar, geloofwaardig, realistisch zijn. We moeten het patronaat en de regering tonen dat we redelijk zijn, niet strak en sectair. De arbeiders zijn bereid tot offers, als ze gelijk zijn verdeeld en vooral als ze iets opleveren. Stakingen hebben niets opgeleverd. Er werd al voldoende ingeleverd, extra loonverlies moet worden vermeden. Daarom moet het stakingsmiddel zeer omzichtig worden gebruikt. Het moet selectief toegepast worden en kan niet de enige vorm van actie zijn. De vakbond moet nieuwe, moderne actievormen ontwikkelen.

Het model van dit ‘moderne syndicalisme’ moest de campagne ‘Kaarten op tafel’ worden. Het nieuwe ‘frisse’ ABVV, met een nieuwe stijl, werd ontwikkeld door een reclamebureau. Het ABVV heeft nooit een fletsere, plattere campagne gevoerd dan deze. De campagne werd ineen getimmerd volgens de basisopvatting dat de aanklacht de strijd kan vervangen.

De aanhangers van het ‘realistische syndicalisme’ leggen de oorsprong van hun opvattingen bij de ‘nieuwe krachtsverhoudingen’, bij de ‘crisisreflex van de arbeiders’. Dit zijn gemakkelijke excuses om hun eigen capitulatie tegenover het patronaat en de regering te verantwoorden De eigenlijke oorsprong ligt bij hen.

Het ‘realistische syndicalisme’ vertrekt vanuit een begrip voor de moeilijkheden van het kapitaal, voor de concurrentiepositie van de bedrijven, de toestand van de schatkist. Kortom, het beschouwt de kapitalistische p. 61logica en wetten als onvervangbaar en niet te ontlopen. De ‘realisten’ vinden zichzelf dan ook het best terug in de programma’s van de socialistische partijen, die variaties zijn op het thema van inlevering en sanering. Het ‘realistische’ alternatief dat in 1984 door het ABVV werd opgesteld, werd praktisch integraal door de regering overgenomen. Het plan steunde op twee pijlers. Vooreerst: arbeidsduurvermindering met de opbrengst van de productiviteitsverhoging om werk te scheppen zonder de competitiviteit te schaden en ten tweede omzetting van staatsschulden op korte naar schulden op lange termijn om de budgetsanering ten koste van de werkers te verzachten. Op het eerste voorstel werd door de regering ingegaan door de kaderwet voor 1985-1986, waarbij onderhandeld mocht worden om 1,5 % van de loonmassa te gebruiken voor arbeidsduurvermindering met aanwervingen. Ook het tweede werd uitgevoerd, maar was, jammer voor de ABVV-leiding, een operatie waaraan de banken, door de snelle rentedaling achteraf, een ferme stuiver hebben verdiend op kosten van de schatkist.

Vanuit het standpunt van het realisme heeft de nationale ABVV-leiding in 1987 een akkoord over de flexibiliteit ondertekend in de Nationale Arbeidsraad. Opnieuw werd hierbij dezelfde redenering opgevoerd: beter een slecht akkoord aannemen dan een zeer slecht akkoord opgelegd te krijgen. Om te verhinderen dat de patroons in de bedrijven de flexibiliteit ‘wild’ gingen toepassen, aanvaardde de vakbondsleiding (dit geldt evenzeer voor de ACV-leiding) een kaderakkoord voor invoering van de flexibele arbeidsvormen: CAO 42. Intussen is voldoende gebleken dat CAO 42 de poort wijd open heeft gezet voor superlange arbeidsdagen (tot 12 uur), voor nachtwerk en weekendwerk.

Vanuit het standpunt van het realisme worden in de sectoren herstructureringsprogramma’s aangenomen en mee doorgevoerd door secretarissen van centrales. Tegenover geen enkele aanval van het grootkapitaal en regering wordt een principevaste mobilisatie op gang gebracht. De fundamentele lotsverbondenheid met de kapitalistische economie en het ‘realisme’ dwingt hen systematisch verder achteruit, van capitulatie naar capitulatie. Als meest verregaande eisen, die dan nog meestal meer symbolisch worden gesteld, wordt opgekomen voor garanties dat de inlevering werk oplevert (onder vorm van investeringsfondsen, verplichte aanwervingen …) en voor het afremmen van al te schandalige cadeaus aan het patronaat en de rijkste bevolkingslagen.

Tegenover dit ‘realisme’ had het ‘doctrinaire syndicalisme’ op zijn minst een aantal correcte afweerargumenten ontwikkeld Ten eerste: de arbeiders zijn niet verantwoordelijk voor de crisis, zij moeten er niet voor opdraaien. Ten tweede: toegeven op de competitiviteit en andere patronale eisen, brengt een internationale spiraal van afbraak op gang, waarbij de arbeiders van de verschillende landen steeds meer tegen elkaar uitgespeeld worden. Daartegen moet een internationaal front van verzet tot stand komen, zo niet wordt de arbeidersklasse tot de grootste miserie, fascisme en oorlog teruggedreven.

p. 62

Tegenover de ‘nieuwe actievormen’ (alternatieven voor staking) stelde het ‘doctrinaire syndicalisme’ dat de staking altijd de belangrijkste actievorm van de werkende bevolking zal zijn. Zij is inderdaad de enige die de kapitalistenklasse in het hart zelf treft: de productie, bron van meerwaarde en winst.

In september 1989 worden André Vanden Broucke (nationaal), Jean Gayetot (Wallonië), Georges Derieuw (Vlaanderen) en Henri Carpentier (Brussel) vervangen. De opvolging onder aanvoering van François Janssens en Mia De Vits roept vele vragen op, niet in het minst omdat de nieuwe voorzitter amper een jaar voordien uitpakte met stevige verklaringen voor een ‘modern syndicalisme’ dat zich nog harder zou afzetten tegen ideologische posities. Het is duidelijk dat daarmee vooral de ideologie van klassenstrijd en antikapitalisme wordt bedoeld: “Een vakbond staat niet vijandig tegenover een onderneming en haar ontwikkeling. De mensen die wij vertegenwoordigen zijn zeer aan hun onderneming gehecht. Zij halen daar hun inkomen uit. Wij hebben dus evenzeer als de directie het recht te eisen dat de ondernemingen goed draaien, dat zij zich verbeteren. […] Als soepele arbeidstijden en flexibiliteit goed zijn voor de onderneming, waarom zouden wij ze dan onbespreekbaar verklaren? Als de kwaliteitskringen goed zijn voor de onderneming, waarom er dan niet over praten?”32

Kenmerkend voor dit nieuwe soort realisme, is dat het bijzonder begaan is met de ‘publieke opinie’, de ‘look’ en het ‘imago’ van de vakbond. Typerend is dat de nieuwe ABVV-leiding start met een grootse opiniepeiling onder de leden, waarop men natuurlijk de antwoorden krijgt en selecteert die men zoekt: “Het klassieke thema van de macht van het kapitaal en van de werknemers scoort vandaag niet zo hoog meer.” Wat heeft men zelf aan begeesterende voorstellen op dat vlak te bieden? Hoe heeft men in het verleden de mensen met halfslachtige kluitjes in het riet gestuurd? Op de vraag “Welke organisaties hebben de meeste macht?” heeft 28 % de financiële groepen aangeduid en 20 % de multinationals. Hoe heeft men zelf de kans verkwanseld om tijdens de raid op de Generale het probleem in al zijn scherpte te stellen?

In werkelijkheid wordt opnieuw de eigen onwil om stevige klassenstrijd te voeren weggestopt achter de ‘wil van de leden’. De eigen capitulatie voor de grote patronale offensieven wordt begraven onder de ‘volkswil’. Waarom voert men geen referendum rond een klaar strijdplan met klare ordewoorden? Waarom baseert men zich niet op de resultaten van de sociale verkiezingen die uitwijzen dat de beste resultaten worden behaald waar de strijdbaarste délégués opkomen? De délégués van Cuivre et Zinc, Cockerill-Sambre, het Waasland, de mijnen, Sidmar en FN hebben die resultaten niet gehaald door opiniepeilingen te organiseren maar door hun inzet en vastberadenheid, door hun jarenlange opvoedingswerk onder de massa.

p. 63

Men kan stellen dat de huidige ACV-leiding, met Willy Peirens, Robert D’Hondt, Luk Cortebeeck en André Daemen heel dicht staat bij dit nieuwe ‘realistisch pragmatische syndicalisme’ en minder moreel gekleurd en minder CVP-minded is dan de oude ACV-leiding. Het eerste resultaat was een toenadering tussen de twee vakbondsleidingen en een herstel van het gemeenschappelijk vakbondsfront. De toenadering is wellicht evenzeer het gevolg van de minder acute economische situatie en de ontstane speelruimte voor kleine toegevingen. In het eerste gemeenschappelijk pamflet van de beide vakbonden kan men rond de flexibiliteit de volgende typische benadering lezen: “ABVV en ACV willen dat geen enkele werknemer langer dan 11 uur per dag (12 voor weekendploegen) en 50 uur per week aan het werk blijft en dat iedereen tussen twee arbeidsprestaties minstens 11 uren kan rusten.”33

In 1886 vielen de eerste doden in de strijd voor de achturendag (waarna 1 mei de officiële strijddag werd van de werkers over de hele wereld); vandaag trekken de vakbondsleiders ten strijde voor de elfurendag. Het realisme kent geen grenzen.

133.
Respect voor de concurrentiepositie

Fundamenteel in de opstelling van de vakbondsleiding is de houding tegenover de patronale sirenezang van de ‘competitiviteit’. De dooddoener bij uitstek om de loonkost te drukken, de flexibiliteit te vergroten en werkplaatsen te liquideren.

Sinds 1982 worden hiermee heel speciaal de lonen onder schot gehouden. Om de concurrentiepositie te herstellen op de buitenlandse markten, trok de regering toen aan de noodrem: een devaluatie met opheffing van een indexaanpassing. Zelfs de meest weerbarstige vakbondsleiders lieten zich door deze brutale ingreep van de regering verlammen. (Zie 031.) Het jaar daarop werd nogmaals 3 % ingeleverd door de 5-3-3 operatie en sectoren in moeilijkheden kregen 10 % loonverlies bovenop. Vanaf 1983 kwam de loonkost onder permanent toezicht van de regering te staan, die op elk moment kan ingrijpen. De budgettaire wet van 1983 bepaalt dat de arbeidskost niet sneller mag stijgen dan het gewogen gemiddelde van de zeven belangrijkste handelspartners (vijf Europese, de VS en Japan). Ook de herstelwet van 1985 legt deze beperking op. Het stelt de regering geen problemen om dit te doen respecteren: loonsverhogingen waren tussen 1982 en 1986 eenvoudig verboden. Men hoeft niet onder een dictatoriaal bewind te leven om de staat als autoritaire redder van het kapitaal te zien optreden.

De terugkeer naar ‘vrije onderhandelingen’ en het heraansluiten bij de traditie van de interprofessionele akkoorden kan in de ogen van patronaat en regering alleen gebeuren wanneer de vakbondsleiding bereid is om de eisen te matigen en ook in staat is de nodige discipline op te leggen aan haar troepen. Vanaf 1986 lijkt de toestand rijp; de vakbondsleiders bewijzen met een onbetekenend laag eisenprogramma dat ze het vertrouwen p. 64waard zijn en na tien jaar komt er opnieuw een interprofessioneel akkoord. De concurrentiepositie groeit in 1987-1988 naar een optimum en dat wil de regering zo houden. Daartoe heeft ze een ‘competitiviteitsnorm’ nodig, waarvoor ze het advies vraagt van de ‘Centrale Raad voor het Bedrijfsleven’. In het advies kan men de fundamentele opstelling van de vakbondsleiders opmerken; ze betwisten niet het opstellen van een concurrentiebarometer en het recht van de regering om tussen te komen, maar onderstrepen dat niet alleen de evolutie van de loonkost gemeten mag worden. De CRB suggereert een hele reeks normen, waarvan een deel door Willy Claes in zijn “Wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ’s lands concurrentievermogen” opgenomen wordt. Het referentiejaar wordt 1987: wanneer het Belgisch aandeel op de buitenlandse markt van de zeven belangrijkste handelspartners daalt en een van de andere factoren gaat in het rood, dan komt een overlegprocedure op gang om hieraan te verhelpen. Bij uitzonderlijke voorvallen (de Golfoorlog) kan de regering na een spoedprocedure zelf optreden en bijvoorbeeld loonakkoorden opschorten en indexmanipulaties toepassen.

Kortom: de vakbondsleiders laten zich vrijwillig opsluiten binnen een concurrentiecarcan, staan mee in voor het respecteren ervan, maar blijven de maatstaven ervan betwisten. Zij verklaren zich ‘even bezorgd over de concurrentiepositie van de Belgische bedrijven als de patroons’ maar hun kritieken slaan hoofdzakelijk op twee aspecten:

1o De uitvoerpositie kan om andere redenen dan de strikte productiekost in het gedrang komen. Dit is met name het geval sinds de Belgische frank de sterke positie van de Duitse mark volgt. Inderdaad, de sterke frank maakt de export duurder en doet de loonkost, berekend in buitenlandse munt stijgen. De daling van het handelsoverschot is hoofdzakelijk te wijten aan de sterke muntpolitiek.

2o De loonkost meten in uurloon vervalst volledig het beeld. De enige maatstaf kan zijn: de loonkost per eenheid product, waardoor de zeer hoge Belgische productiviteitsstijging in rekening wordt gebracht. Professor Paul De Grauwe (KUL) berekende de loonkost per eenheid product in vergelijking met twintig andere landen, uitgedrukt in gemeenschappelijke munt en kwam tot volgende resultaten: “In de jaren 70 was er een sterke stijging van de loonkost in België. Van een index van 90 in 1973 stegen we tot een index van 105 in 1980, een merkbare verslechtering van onze competitieve positie. Vanaf 1981-1982 zie je een fantastische verbetering van niet minder dan 30 punt ten opzichte van de twintig belangrijkste industriële landen. Sinds die verbetering zie je wel wat op- en neerwaartse bewegingen maar op een lager niveau.”34

Bij de afsluiting van het interprofessioneel akkoord 1991-1992 (27 november 1990) bleek echter overduidelijk dat ABVV- en ACV-leiding zich helemaal binnen het gecijfer van de concurrentiële normen willen opstellen. Om de in 1990 ‘verloren concurrentiekracht’ te recupereren voorzagen de CRB-berekeningen een maximum ruimte van 1 % loonkostenverhoging p. 65voor 1991 en 2 % voor 1992. Het eisenprogramma lag tussen 2 à 3 % en het uiteindelijke akkoord kostte 0,09 % in 1991 en 0,47 % in 1992, hiermee nog enkele kruimels overlatend voor de sectoriële en bedrijfsakkoorden. Het akkoord werd ingeleid door een intentieverklaring die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat: “De partijen zijn gehecht aan de vrijheid van onderhandelen in sectoren en bedrijven. De partijen zijn eveneens bezorgd om de vrijwaring van de concurrentiekracht als draagvlak van economische activiteit en tewerkstelling. De vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers zullen dan ook in de komende loonronde op alle overlegniveaus rekening houden met volgende elementen: de plaats van België in de Europese eenheidsmarkt van einde 1992, de monetaire politiek die de BEF koppelt aan de sterke munten van de EEG, de evolutie van het concurrentievermogen in 1990 zoals zij tot uiting komt in het septemberverslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de onzekerheid rond de uitkomst van de Golfcrisis.”

134.
Steun aan het ‘dynamische kapitalisme’

Een ander bezwaar van de vakbondsleiders tegen een concurrentienorm is dat structurele elementen, zoals de aard van de producten, de technologie en innovatie, de kwaliteit van het management … veel zwaarder doorwegen op de markten dan de andere factoren. Met andere woorden: de vakbondsleiding verwijt het patronaat een fundamenteel gebrek aan dynamisme. De vakbondsleiding meent dat het Belgische kapitalisme te veel op zijn lauweren rust, te weinig investeert in onderzoek en nieuwe technologie, gemakkelijk profijt nastreeft door geldbelegging en speculatie in plaats van risico te nemen. Het verwijt is sinds de crisis in alle scherpte naar voor gekomen maar is niet nieuw. In 1954-1956 was het de hoofdteneur van de ABVV-congressen over structuurhervormingen. De veroudering van de Belgische industrie, haar gebrek aan productiviteit en haar gebrek aan specialisering in de hoogtechnologische sectoren, wordt toegeschreven aan de financiële oriëntatie van de controlerende holdings (de Generale Maatschappij in het bijzonder). De kritiek wordt in alle hevigheid hernomen wanneer de staal- en scheepsbouwcrisis toeslaat vanaf 1975-1977. De holdings zijn niet dynamisch, zijn alleen uit op direct rendement en niet op toekomstgerichte investeringen luidt het. De holdings hebben geen industriële politiek maar zijn alleen geïnteresseerd in de dividenden. De holdings laten de streek vallen om naar interessantere gewesten te trekken.

Wanneer De Benedetti begin 1988 opduikt, is de verwachting bij vele vakbondsleiders dan ook hoog gespannen. Eindelijk een dynamische kapitalist die het Belgische establishment wakker schudt. De posities die ingenomen worden, variëren van ‘het kan nooit slechter zijn’ tot nauwelijks verholen enthousiasme. Voor Jean Gayetot (secretaris Waalse Intergewestelijke) is Carlo De Benedetti “ongetwijfeld het symbool van een geëngageerder kapitalisme, een dynamischer kapitalisme” en heeft hij een “niet te verwaarlozen pluspunt”.35 In een gemeenschappelijke verklaring p. 66van ACV en ABVV wordt officieel geen kamp gekozen maar wordt aan beide partijen gevraagd een ‘gedurfd industrieel kapitalisme’ aan de dag te leggen.

Heel veel van de federalistische ijver van de vakbondsleiding (vooral in Wallonië) wordt eveneens vanuit deze optiek bepaald. De eigen regionale industrie zou veel dynamischer zijn dan de vermolmde nationale holdings. Of een dynamische politiek van de gewestelijke instellingen zou nieuw leven inblazen in de plaatselijke kmo’s. De analyse gaat zover dat vele vakbondsleiders een structurele opsplitsing gaan maken tussen financieel en industrieel kapitaal. Financieel kapitaal zou van nature het kortetermijnrendement zoeken en parasitair zijn, terwijl het industrieel kapitaal op lange termijn denkt en ondersteund moet worden. De vakbondsleiding kiest dus tussen ‘goede’ en ‘slechte’ patroons. De industriële politiek van nationale en gewestregering moet dan voordelen toekennen aan de ‘goede’ patroons.

14.
De crisis toont het failliet van het kapitalisme

De diepe, structurele crisis van kapitalisme toont meer dan wat ook, het failliet van het systeem. De crisis toont de onoplosbaarheid van de tegenstellingen die het kapitalisme verscheuren. De productieverhoudingen zijn een rem geworden op de ontplooiing van de productiekrachten. De crisis toont ook het failliet van het reformisme en haar keynesiaanse economische theorieën. Alle ideologieën van ‘geleidelijke verovering’ van de staat en de economische macht worden door de feiten verpletterd. Het zijn de arbeiders, de werkers, de volkeren van de derde wereld die de crisis hebben betaald, terwijl de monopolies en banken zich versterkten en verrijkten.

Het uitgangspunt van een strijdbaar syndicalisme moet dan ook zijn om de val van dit uitbuitingssysteem te verhaasten. Dit wil zeggen: steun verlenen aan de strijd van de onderdrukte volkeren en aanhouden van een onverzoenlijk klassestandpunt. Tegenover de illusie van een welvarend en ‘rechtvaardig’ kapitalisme, stelt het revolutionaire syndicalisme het perspectief van het socialisme, de noodzaak om het grootkapitaal te onteigenen en het kapitalistische staatsapparaat te ontmantelen. Tegenover het samen zoeken naar uitwegen in de kapitalistische concurrentieoorlog stelt het revolutionaire syndicalisme dat de crisislast gedragen moet worden door de verantwoordelijken voor de crisis.

141.
Voorbereiden op nieuwe crisissen

Het reformisme hoopt op een spoedige en spontane heropleving van de kapitalistische economie en is bereid daaraan mee te werken. Maar geen enkele van de zogenaamde oplossingen maakt de toekomst van het kapitalisme rooskleuriger. Volgens de bourgeois-doctrines (en daar rekenen we de sociaaldemocratie bij) zal de kapitalistische welvaart en rijkdom p. 67vroeg of laat afstralen op de armen en uitgebuiten van deze aarde, als ze maar zwijgen en werken. Maar alle ‘oplossingen’ voor de crisis versterken nog de ongelijkheden, versterken de kloof tussen Noord en Zuid, tussen rijk en arm. Onlangs nog kwam het befaamde Brundtland-rapport tot dezelfde conclusie: “Er zijn vandaag meer mensen op de wereld die honger lijden dan er ooit geweest zijn in de menselijke geschiedenis en hun aantal stijgt nog.”36 De ontzaglijke weelde van enkelen gaat samen met een ontzaglijke miserie van de overgrote meerderheid, omdat de weelde gebouwd is op uitbuiting. Daarom moet dit systeem vroeg of laat verdwijnen, ook al zal dit nooit spontaan gebeuren. Of zoals Mao stelde “Het marxisme bevat duizenden waarheden, maar ze zijn alle te herleiden tot één essentie — ‘Het is juist om in opstand te komen’.”

Tegenover de idee van een ‘natuurlijke’ beweging, een eeuwigdurende opgang en neergang van het kapitalisme, stelt het marxisme dat het kapitalisme wordt aangevreten door een algemene crisis. Het is de opeenstapeling van structurele problemen en zwakheden die vroeg of laat tot zijn ineenstorting zal leiden. Ook al zijn tijdelijke heroplevingen uit de structurele crisis niet uitgesloten, de grote problemen van het kapitalisme worden minder oplosbaar en tonen het historische failliet. De tegenstellingen tussen imperialistische blokken hebben tot de Eerste Wereldoorlog geleid. De expansieve ambities van het Duitse en Japanse grootkapitaal leidden tot de installatie van het nazisme en de Tweede Wereldoorlog. Het Europa van vandaag onder Duitse controle heeft nieuwe grootmacht ambities die zullen leiden tot nieuwe conflicten. Met de Golfoorlog is een periode van veralgemeende Noord-Zuid conflicten ingeluid, waarbij de rijke landen samen vechten voor de overleving van de imperialistische wereldorde.

Het meest tastbare teken van de algemene crisis en verrotting is de aanhoudende en zelfs toenemende militarisering in de imperialistische landen. De NAVO-landen gaven in 1987 in totaal 17. 000 miljard Belgische frank uit aan defensie!37 Velen hadden gehoopt op een ‘vredesdividend’ na het verdwijnen van de rivaliteit tussen de supermachten. De Golfoorlog heeft getoond dat de rijke landen al een nieuwe bestemming hebben gevonden voor de wapenproductie: het gewelddadige onderdrukken van elk nationalistisch onafhankelijkheidsstreven in de derde wereld. Met de Golfoorlog probeert het Amerikaanse en Westerse imperialisme hun controle te behouden over een strategische grondstof, de olie, en over een strategisch gebied, het Midden-Oosten. Het Amerikaanse imperialisme zoekt ook een oplossing voor zijn eigen economische problemen. De gesofisticeerde technologie vindt meer dan ooit haar belangrijkste afzetmarkt in oorlogstuig. Ook Europa gaat die weg op. Maar de Golfoorlog schept op termijn veel meer problemen voor het imperialisme dan hij er oplost.

Het socialisme wordt een levensnoodzaak voor de honderden miljoenen die uitgesloten zijn van de rijkdom van het kapitalisme. Het socialisme is ook voor de arbeidersklasse in de imperialistische landen de enige weg om een einde te maken aan de uitbuiting en de kringloop van crisis, militarisering, fascisme en oorlog. Het strijdsyndicalisme moet voorbereid p. 68zijn op zware crisissen en het zijne bijdragen om de val van het kapitalisme te verhaasten.

142.
De weg van het ‘realisme’ is de weg van de eeuwige onderwerping

Het ontbreekt de vakbonden duidelijk aan visie op de toekomst, aan een ideologie met mobilisatiekracht. De pleidooien van de vakbondsleiding voor realisme zijn niets anders dan een onderwerping aan de kapitalistische en imperialistische realiteit.

1o De wereld is nog nooit vooruitgegaan door zich te plooien naar de bestaande situatie. ‘Realisme’ betekent dat men zich schikt naar wat het kapitalisme kan aannemen, dat men randhervormingen voorstelt die de kapitalistische macht in geen enkele mate raken. Het is een onderwerping aan wat het kapitalisme ‘normaal’ vindt: de winst voorop, de wetten van de markt, de imperialistische wereldorde. Welke eisen stelt men tegen de banken die de staatskas plunderen (25 % van het jaarlijks budget!) en die meer geld uit de derde wereld halen dan ze eraan lenen? Voor het grootkapitaal, het IMF, de regering, kan men alleen marktconforme maatregelen nemen, dat wil zeggen herschikken maar zeker niet afschaffen van intresten of van de schuld.

Maar wat brengt dit ‘realisme’ op aan een land als Brazilië, dat tussen 1972 en 1988 176 miljard dollar interest betaalde aan de banken, of 64 miljard meer dan zijn totale uitstaande schuld? Alleen al de intrestlast van 1988 staat gelijk met “266 miljoen maandlonen aan het levensminimum, of met 81 700 klaslokalen, of met een woning voor 30 miljoen personen”.38

‘Realisme’ betekent dat men geen eisen kan stellen die raken aan de rijken, de monopolies, de privé-eigendom van de productiemiddelen. Dat men rekening houdt met de concurrentiepositie, met de crisis, met de moeilijkheden van de bedrijven, enz. Toegevingen in naam van het realisme gaan ervan uit dat ze ‘aanvaardbaar’ moeten blijven voor het kapitaal en zijn staat. Realisme is dat de sociale voorzieningen in crisistijd onmogelijk overeind kunnen blijven; realisme is dat de lonen onmogelijk sneller kunnen stijgen dan in de concurrerende landen. Het resultaat van al dat realisme ligt onloochenbaar vast in de cijfers: als we aannemen dat door de inlevering tussen 1980 en 1988, 8,8 % van het BNP van de loontrekkenden naar de kapitaalbezitters is gevloeid (zie 121), dan betekent dit elk jaar een verschil voor de werkers van ongeveer 475 miljard Belgische frank.

Dezelfde vaststelling geldt op democratisch vlak. ‘Realisme’ betekent toegevingen doen aan het opkomende racisme en fascisme. Gelijke politieke rechten, integraal stemrecht voor immigranten is in naam van het ‘realisme’ geschrapt uit de vakbondsprogramma’s. Op die manier wordt stap voor stap teruggeweken voor fascistische propaganda en dringt het racisme onder ‘aanvaardbare’ vorm binnen in de vakbondsdoctrine.

Het is precies het doel van de vakbond om de krachtsverhoudingen zo om te keren dat de kapitalistische logica verslagen wordt. Hoe kan anders ooit van een andere, niet winstgerichte maatschappij worden gedroomd? p. 69De verovering op het kapitaal begint pas als ‘het onrealistische’ werkelijkheid wordt.

2o Heel dikwijls wordt met die ‘krachtsverhoudingen’ gegoocheld om het ‘realisme’ te rechtvaardigen. André Vanden Broucke: “Ook al is het onbekwaam om een antwoord op de werkloosheid te vinden, toch is het kapitalisme de laatste tijd versterkt en niet verzwakt. Jammer voor Marx en zijn theorie, maar dat is de werkelijkheid. Sinds de crisis bevindt de arbeider zich in een verzwakte positie en daar moeten we ons als vakbond scherp bewust van zijn.”39 Dit scherpe bewustzijn ontbreekt inderdaad niet. Minder scherp is de wil om krachtsverhoudingen op te bouwen en om te gooien door maandenlange, desnoods jarenlange mobilisatie. Het hoofdprobleem is dat het opbouwen van krachtsverhoudingen alleen kan gebeuren rond radicale eisen, die enthousiasme kunnen wekken, wanneer de massa ervaart dat de strijd ernstig wordt genomen. De vakbondsleiding gaat doorgaans omgekeerd te werk: de eisen worden aangepast aan de ‘krachtsverhoudingen’, die doorgaans de krachtsverhouding aan de onderhandelingstafel zijn. Strijdbaar realistisch zijn is een goede inschatting maken van de mobilisatiekracht van de massa, de bereidheid om te vechten en die maximaal gebruiken. Het vakbondsrealisme maakt vooral een inschatting van wat men van het patronaat door onderhandelingen kan los pingelen.

Daar komt een ander punt bij. Als men zelf voortdurend de eisen ontkracht om het kapitaal te ontzien, is men zelf verantwoordelijk voor de verminderde actiebereidheid van de massa. Uit de ABVV-enquête zou moeten blijken dat de arbeidsduurvermindering minder enthousiasme wekt dan vroeger. Maar de eis van 36 urenweek, zoals hij in 1976 door Debunne werd vooruitgeschoven is in de loop van de jaren zo afgezwakt, in stukjes gekapt, aan loonverlies gekoppeld (5-3-3 operatie) dat hij volledig naast het doel geschoten is (werkplaatsen scheppen door arbeid te verdelen). Hoe wil men dat de arbeiders enthousiast naar meer van dat vragen? In het verleden werden al vaker eisen naar voor geschoven die als ‘antikapitalistisch’ aangekondigd werden, maar zo werden uitgehold dat ze naar het patronaat toe als ‘redelijk’ voorgesteld konden worden. Dit was onder meer het geval met de nationalisatie-eisen van De Man in de jaren 30 en van Renard in 1954-1956. Zowel De Man als Renard argumenteerden vanuit de noodzaak om het kapitalisme efficiënter te maken en dat was meteen de reële inhoud van hun plan. De grote mobilisaties van de massa die ermee gepaard gingen, leidden in beide gevallen tot grote ontgoocheling toen duidelijk werd dat het systeem deze ‘antikapitalistische plannen’ perfect wist te integreren en er dankbaar uit putte om zich te versterken. Was een mobilisatie voor échte onteigening, gedurende een langere periode niet veel vruchtbaarder geweest voor het bewustzijn en de antikapitalistische strijd dan deze nepmobilisaties? Het resultaat is ontgoocheling, afkeer voor structurele eisen, demobilisatie. Dit alles pleit voor radicale eisen met een geplande, systematisch opgevoerde actie en tegen vals ‘realisme’.

p. 70

3o Het ‘realisme’ beperkt de eisen tot onmiddellijke objectieven. Hoe verder in de toekomst hoe groter de waas van onduidelijkheid. Hoe kan men structurele antikapitalistische eisen realiseren als men niet een langere periode van bewustmaking en mobilisatie voor precieze ordewoorden voorziet? Een uitgebouwd programma moet voorzien in directe eisen die het lot van de werkers verbeteren en in langere termijneisen. Zelfs al zijn deze laatste niet direct realiseerbaar, ze zijn onontbeerlijk om een antikapitalistisch perspectief te geven.

Tijdens de twee grootste stakingen van deze eeuw, de staking van 1950 en die van ’60-’61 werd door sommige vakbondsleiders het federalisme als structurele eis naar voor geschoven onder de massa. Het is een voorbeeld van hoe structurele eisen door langdurige mobilisatie ingang kunnen vinden, vooral tijdens belangrijke bewegingen. Jammer genoeg is het helemaal geen voorbeeld van een antikapitalistische eis. De Verenigde Staten en Duitsland zijn federalistische staten en het grootkapitaal heeft zich ondertussen perfect aangepast aan de nieuwe Belgische staatsstructuren. De arbeidersbeweging in Wallonië ontdekt vandaag dat zij gedurende dertig jaar heeft gestreden voor een alternatieve kapitalistische structuur met precies dezelfde machthebbers en precies dezelfde financiële, economische en sociale oriëntaties (Denk maar aan de zes weken lange leraarsstaking van 1990).

Daarom pleiten we voor wezenlijke antikapitalistische eisen op langere termijn die de macht van het kapitaal aantasten en uiteindelijk vernietigen. De onteigening van belangrijke delen of van het gehele grootkapitaal is zo’n wezenlijke stap naar het socialisme, waarop de massa vanaf nu gericht moet worden.

143.
De concurrentiepositie is een patronale en geen syndicale zaak

De logica van de concurrentiepositie is uiterst vernietigend voor het klassenbewustzijn. Door het concurrentiekader aan te nemen, wordt het syndicalisme in zijn kern ondermijnd. Alle arbeiders hebben dezelfde belangen, terwijl de patroon hen concurrent wil maken. De vakbondsleiders wijzen de concurrentiepositie niet principieel af als uitgangspunt, maar voeren strijd op het terrein van het patronaat door het betwisten van de cijfers.

1o Er is een radicaal onderscheid tussen twee uitgangspunten: ofwel de kapitalistische concurrentiestrijd ofwel de noden en belangen van de werkende klasse. Wie zich opsluit in de logica van de concurrentiestrijd wordt meegezogen in het verdedigen van de winstvoet, de productiviteit, de laagste productiekost en dus in het opdrijven of minstens tolereren van de uitbuiting. Strijdbare syndicalisten laten de concurrentiecijfers waar ze thuishoren, in de patronale hoofdkwartieren, en bestuderen de cijfers van de sociale ongelijkheid en onrechtvaardigheid. De vakbonden nemen hun taak op als ze uitgaan van de realiteit van de lonen, de werkomstandigheden, de groeiende economische uitbuiting en niet van p. 71het patronale winststreven.

2o Elke verovering uit het verleden werd door het patronaat bekampt met chantage van sluiting en failliet. Het patronaat zal altijd de concurrentiepositie inroepen; eisen zoals de achturendag, de veertigurenweek zijn altijd begonnen met doorbraken in het patronale front. Als het patronaat gelijke concurrentievoorwaarden wil, hoeft het die doorbraken maar zo snel mogelijk te veralgemenen.

3o De inzet van de concurrentiepositie is de hoogste uitbuiting. Het kan best zijn dat allianties met het patronaat voor de concurrentiepositie tijdelijk bepaalde voordelen opleveren, zoals behoud of winst van werkgelegenheid. Men betaalt die echter dubbel en dik terug. Men wordt harder uitgebuit en de ene toegeving brengt de volgende mee. Want men verliest op het vlak van de krachtsverhoudingen, en dat zal het patronaat niet ongebruikt laten. Het kan dus best zijn dat het een zeer kortstondige ‘overwinning’ wordt. Het patronaat kent geen dankbaarheid maar alleen concurrentiepositie. Wat vandaag een overwinning is kan morgen een nederlaag worden wanneer elders nog goedkoper kan geproduceerd worden. Inleveren en toegeven biedt geen enkele garantie op werk of wat dan ook. Integendeel, elke zwakheid wordt vroeg of laat uitgebuit.

4o  Zich vereenzelvigen met de patronale belangen is een oorlogsverklaring aan andere arbeiders. De waanzin bereikt een hoogtepunt wanneer arbeiders uit filialen van dezelfde groep tegen elkaar worden uitgespeeld. De vakbondsleiders van Ford-Genk hebben door hun extreme toegeeflijkheid tegenover zaterdagwerk en nachtwerk de Sierra-productie van Ford-Dagenham in Groot-Brittannië weten te ontfutselen (1989). Alle arbeiders verliezen door deze houding: in Dagenham verliezen 500 arbeiders hun werk, in Genk wordt nachtwerk ingevoerd om de productie te kunnen opvoeren, het werk in drie ploegen wordt voortaan ook de maatstaf voor andere filialen in Europa en straks voor alle automobielproducenten.

5o Meedraaien in de concurrentiepositie leidt tot grotere plundering en onderdrukking van de derde wereld. Wat zal het standpunt zijn wanneer jonge derdewereldindustrieën beginnen uit te voeren, technologie-overdracht eisen of hun markten afschermen voor ‘onze’ monopolies? In de textielindustrie maken patroons en vakbondsleiders één front tegen de afschaffing van de multivezelakkoorden zoals dat door de derde wereld wordt geëist. Volgens de Wereldbank kosten die akkoorden 8 miljard dollar per jaar aan de derde wereld.40

6o Meer werk door een betere concurrentiepositie?

Sinds het begin heeft het kapitalisme de concurrentie onder de arbeiders voor werkplaatsen gebruikt. Eerst op lokaal vlak, daarna nationaal, nu internationaal. De hardst werkende en de minst kostende ‘krijgt’ werk. Het zijn dus geen nieuwe werkplaatsen, ze worden steeds aan andere p. 72werkers ontnomen. De uitgespaarde productiekost kan morgen gebruikt worden om te rationaliseren en werkplaatsen te liquideren. Maar zelfs al kan inleveren of buigen voor het patronaat soms (tijdelijk) enkele werkplaatsen opleveren die men van andere arbeiders afpakt, negen keer op de tien dient de ‘concurrentiepositie’ om werkplaatsen te liquideren door rationalisaties.

7o  Het is een spiraal zonder einde.

Indien alle arbeiders evenveel inleveren om ‘hun’ patroon te ondersteunen in zijn concurrentiepositie, haalt de inlevering niets uit, behalve een algemene verhoging van de uitbuitingsgraad. Het concurrentievoordeel speelt slechts in die mate dat men sneller is dan de concurrent. De norm van de grootste uitbuiter wordt dan de norm van alle uitbuiters. Er is nooit een evenwicht, noch een einde. Deze spiraal kan alleen doorbroken worden wanneer de werkers elkaar steunen in het bieden van weerstand.

144.
Dynamisch kapitalisme is agressief kapitalisme

Als men zich eenmaal op het terrein van het kapitalisme plaatst, is de keuze tussen ‘goede’ en ‘slechte’ kapitalisten een logisch uitvloeisel. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de steun aan het ‘dynamische kapitalisme’ even oud is als het reformisme. Kapitalisten als Solvay en Francqui (Société Générale) hadden de steun van Vandervelde en zijn partij, ook voor koloniale veroveringen. De Generale werd pas onder vuur genomen toen zij haar ‘dynamisme’ kwijtraakte, dat wil zeggen achterstand opliep bij de multinationals.

Het kan nooit de rol van de arbeidersbeweging zijn om meer kapitalisme te eisen of om te kiezen tussen soorten kapitalisme. Wat betekent ‘dynamisme’ binnen het kapitalisme anders dan ‘het nauwst aansluitend bij de mechanismen van de markt’? Met andere woorden: de kapitalisten die het agressiefst inspelen op de evolutie van het kapitalisme, zijn het meest dynamisch. Zij die harder saneren, sneller afdanken en beter opjutten, hebben de meeste kans op overleven. Zij die het best inspelen op de goedkope arbeidskrachten in de derde wereld nemen voorsprong op hun concurrenten. Zij maken de hoogste winsten en kunnen het meest investeren, of bedrijven kopen om hun controle uit te breiden. Het zijn deze ‘winners’ die in de smaak vallen van de voorstanders van het dynamische kapitalisme.

Verder is de vermeende scheiding tussen industrieel en financieel kapitaal vanuit verschillende oogpunten een fictie. Vanuit het oogpunt van het eigendom bestaat er hoe langer hoe meer versmelting tussen industrie- en bankkapitaal, tussen financiers en ondernemers. De hele geschiedenis van de Generale Maatschappij, als bank en holding, is hiervan een illustratie. Maar ook op wereldvlak zijn de financiële groepen, met verweven activiteiten in bank- en industriesector, sinds het begin van deze eeuw de echte centra van de macht. Duitsland, Japan en de Verenigde Staten worden geregeerd door financieel kapitaal, een vervlechting van bank- en p. 73industriekapitaal.

Vanuit het oogpunt van de strategie is er bovendien een duidelijke tendens om de financiële activiteit een groeiend belang binnen de industriële strategie toe te kennen. Daar zijn verschillende redenen voor: de bedrijven hebben een overschot aan financiële reserves, er kan grof geld verdiend worden door speculatie op de internationale kapitaalsmarkten, de nieuwe technologie slorpt enorme kapitalen op. Men ziet dan ook meer en meer bedrijven of groepen die hun eigen financiële huizen uitbouwen. “De overleving van de onderneming, haar identiteit, haar voortbestaan hangen in de eerste plaats af van haar financiële strategie” stelt de ‘industrieel’ Jacques-Henri David, PDG van de Franse groep Saint-Gobain.41 Vandaag is de grens tussen industriële en financiële activiteit bijzonder vaag geworden. De speculatieve, parasitaire activiteit zit ingebakken in de industriële activiteit. Zij die beweren die twee uit elkaar te halen, jagen hersenschimmen na. Het kapitalisme zelf is een parasitair systeem dat als geheel bekampt en verslagen moet worden.

p. 75

Hoofdstuk 2
De nieuwe technologische ontwikkeling

De tweede nieuwe factor is de technologische vooruitgang die de laatste periode een kwalitatieve sprong heeft gemaakt. Dit heeft een grondige weerslag, onder meer op productiemethodes, arbeidsverhoudingen en syndicale praktijk. Een correcte positie bepalen tegenover deze nieuwe fenomenen die zowel de dienstensector als het productieproces doorkruisen, is niet eenvoudig. In feite worden we geconfronteerd met een oud debat dat terug in volle actualiteit gegooid wordt.

Toen bij het begin van de negentiende eeuw de eerste technologische en industriële revolutie op gang kwam, had zij een vernietigende invloed op de leef- en werkvoorwaarden van het jonge industrieproletariaat. Verschillende spontane opstanden namen de machines zelf als mikpunt van hun woede. Tussen 1811 en 1816 was een zekere Ned Ludd bijzonder populair onder het Britse proletariaat. De beweging die naar hem de ‘luddites’ werd genoemd, preekte de rechtstreekse confrontatie met de ‘machines die schadelijk zijn voor de gemeenschap’. Tijdens de eerste Franse arbeidersrevolte in 1830 (Lyon) werden er eveneens vele vernielingen aangericht aan machines en ‘moderne’ uitrustingen. En als in 1886 de Belgische arbeidersklasse voor de eerste keer in opstand komt (Charleroi), vormen de nieuwe glasovens het doelwit. Zowel de nieuwe installaties als de kastelen van hun eigenaars gaan in vlammen op.

Bij de opkomst van het taylorisme en het handwerk laait de discussie opnieuw op. Moet de ‘wetenschappelijke organisatie van de arbeid’ (OST) worden bekampt of toegejuicht? Brengt zij werkloosheid en afstompende werkvoorwaarden met zich mee of brengt ze een meer rationele productiewijze tot stand die de aanloop vormt tot het socialisme? Volgens de Amerikaanse vakbond AFL in 1913 heeft “de menselijke geest nooit een diabolischer procedé uitgedacht om menselijke wezens tot de staat van machines te degraderen” dan het taylorisme. Maar de vakbondsleiders veranderen snel van opinie en verzoenen zich in 1925 met de ‘Taylor Society’ p. 76die de enthousiaste aanhangers groepeert (waaronder Henri De Man …).1

Dezelfde vragen worden vandaag opgeworpen door de nieuwe productiemethodes. Hoe moet de syndicale beweging zich opstellen tegenover de nieuwe technologie en vooral tegenover haar gevolgen? Afwijzen, onderhandelen over controle bij de invoering of er positief aan meewerken?

21.
De ontwikkeling van de productiekrachten

De marxistische visie op de technologische vooruitgang is tweeledig. Enerzijds moeten de reële kansen van de nieuwe technologie onderkend worden: de technologische vooruitgang biedt nieuwe mogelijkheden voor de mens om de natuurkrachten te domineren en ze aan te wenden voor de algemene vooruitgang, voor de voldoening van materiële en geestelijke behoeften.

Anderzijds wordt de aanwending van de technologie en de richting waarin ze wordt ontwikkeld bepaald door het maatschappelijk systeem. Dit is het hoofdaspect van de tegenstelling. De technologie is niet ‘neutraal’, staat niet boven de klassen, maar wordt ingezet door de heersende klasse als instrument om haar belangen te dienen en de uitbuiting in stand te houden.

Dit laatste uitgangspunt is essentieel om zich af te zetten tegen de vele illusies, tegen de ‘nieuwe mythologie’ die rond de nieuwe technologie geschapen wordt. Deze carrousel van illusies situeert zich op verschillende niveaus.

1o De nieuwe technologische sectoren zouden een oplossing bieden voor de crisisproblemen waarmee het kapitalisme sinds begin de jaren 70 worstelt. De nieuwe technologie zou een macro-economische uitweg bieden, die dus de medewerking van alle ‘partners’ verdient.

2o De nieuwe technologische productiemethodes zouden de ideale werkplaats tot stand brengen waarin de scheppingsdrang van de arbeider en bediende tot volle ontplooiing kan komen. Dit micro-economische perspectief zou een einde maken aan de afstompende werkvoorwaarden van het taylorisme en eindelijk tegemoet komen aan de syndicale eisen van valorisatie in de werkplaats.

3o De nieuwe technologische snufjes zouden een maatschappij creëren die de klassentegenstellingen overstijgt. Na de agrarische en de industriële revolutie, zou een postindustriële maatschappij tot stand komen waarin de individuele vrijheid tot een geo-economisch beginsel is verheven.

Op alle terreinen van de wetenschap grijpt deze nieuwe mythologie om p. 77zich heen, brengt ze modeprofeten voort die allen hetzelfde beweren: de ‘oude schema’s en dogma’s’ moeten verworpen worden.2 Een reden te meer om deze ‘oude schema’s’ met vernieuwde belangstelling te bekijken.

211.
Het concept van het historisch materialisme

Het historisch materialisme is de marxistische geschiedenisopvatting die vertrekt vanuit het materiële ‘zijn’. Kenmerkend is dat zij de arbeid beschouwt als de basis van de maatschappijanalyse. Dit heeft een dubbele reden: de arbeid is een noodzaak om in het levensonderhoud te voorzien en het is doorheen de arbeid dat de mens zich als sociaal wezen opwerpt. In het arbeidsproces ontwikkelt zich een bepaalde verhouding tot de natuur (ontstaat er een stofwisseling mens-natuur) en ontwikkelen zich verhoudingen tussen de mensen. Deze laatste worden de productieverhoudingen genoemd.

Die productieverhoudingen zijn de belangrijkste karakteristieken om een maatschappelijk systeem te kenmerken. De kapitalistische productieverhoudingen worden gekenmerkt door privébezit van de productiemiddelen en door privé toe-eigening van de geproduceerde goederen. Dit is de kern van de uitbuitingsverhouding, van de tegenstelling burgerij-arbeidersklasse, van de sociale ongelijkheid.

212.
De tegenstelling productiekrachten-productieverhoudingen

Het historisch materialisme toont aan hoe de geschiedenis van de menselijke samenleving aangedreven wordt door objectieve wetten, in de eerste plaats door de dialectische tegenstelling tussen productiekrachten en productieverhoudingen in de materiële productie. Het geheel van productiekrachten en productieverhoudingen vormt de productiewijze en zij omvat de bestendige tegenstellingsverhouding tussen de twee, die voor elke maatschappij en elke periode specifiek is. (Voor een uitvoeriger beschrijving van productiekrachten, -verhoudingen en -wijze, zie 212 bis.)

212 bis.
Productiekrachten — productieverhoudingen — productiewijze

De productiekrachten

Van de productiekrachten maken deel uit: de menselijke arbeidskracht, de arbeidsmiddelen en de arbeidsvoorwerpen.

1o De Mens, met arbeidsvermogen, fysische en geestelijke vermogens, die meebepaald worden door zijn fysische toestand, zijn vorming en cultureel niveau.

p. 78

2o Als arbeidsmiddelen gelden vooreerst de Natuur zelf, en ook de productie-instrumenten. Hier speelt dus de ontwikkeling van de technologie, de kennis van de natuurwetten een belangrijke rol. Van de structuur van de arbeidsmiddelen hangen in beslissende mate de ontwikkelingsgraad en de structuur van de coöperatie in de arbeid af. En dus ook het sociale karakter van de productie.

3o Ook de arbeidsgrondstoffen ondergaan een constante ontwikkeling.

Arbeidsmiddelen en arbeidsgrondstoffen (2°+ 3°) vormen samen de “productiemiddelen”.

De productieverhoudingen

De productieverhoudingen zijn het geheel van materiële betrekkingen die tussen de mensen bestaan tijdens de productie, en de verdeling van de materiële goederen. Het geheel van die productieverhoudingen bepaalt de economische structuur van de maatschappij en bestaan onafhankelijk van het menselijk bewustzijn. De essentiële factor van de productieverhoudingen is het bezit van de productiemiddelen of de eigendomsverhoudingen. Zij bepalen in doorslaggevende mate de andere betrekkingen, de plaats in de productie, de verdeling van de rijkdom en de afgeleide economische betrekkingen tussen de klassen. In bredere zin maken deel uit van de productieverhoudingen:

— het bezit van de productiemiddelen — de toe-eigening van de resultaten van het productieproces;

— de verhoudingen binnen het productieproces tussen de verschillende lagen en klassen die deelnemen aan het bestuur, het beheer en de uitvoering van de productie;

— de distributie- en verdelingsverhoudingen (verdeling van de sociale rijkdom);

— de consumptieverhoudingen.

De productiewijze

Productiekrachten en productieverhoudingen bepalen samen de productiewijze.

p. 79

Dit geeft schematisch de volgende samenvatting:

Productiewijze Productiekrachten Mens Fysisch Psychisch Productiemiddelen Arbeidsmiddelen Natuur Productieinstrumenten Machines Werktuigen Arbeidsgrondstoffen Productieverhoudingen

Wat betekent nu ‘dialectische tegenstellingsverhouding’?

Ten eerste: dat de evolutie van de productieverhoudingen samenhangt met de graad van ontwikkeling van de productiekrachten, die we bondig kunnen omschrijven als het geheel van middelen dat wordt ingezet om te produceren.

Ten tweede is de ontwikkeling van de productiekrachten de motor van de vooruitgang. Met andere woorden: de productiekrachten zijn het voorttrekkende element in het geschiedkundige proces. De ontwikkeling van de productiekrachten ligt aan de basis van nieuwe productieverhoudingen. Zij was de stuwende kracht achter het ontstaan van een nieuwe klasse, die de productiemiddelen op een nieuwe manier ging inzetten voor uitbuiting. Het kapitalisme was slechts mogelijk op een bepaald stadium van de ontwikkeling van de productiekrachten. De arbeid moet voldoende productief zijn om kapitaalaccumulatie mogelijk te maken, de productiemiddelen moeten voldoende geëvolueerd zijn om coöperatie van arbeidskrachten te bevorderen.

Ten derde hebben de productieverhoudingen ook, omgekeerd, een invloed op de ontwikkeling van de arbeid en van de productiekrachten. In een maatschappij die gebaseerd is op privébezit en privébelang worden alleen die productiekrachten ontwikkeld die maximumwinst opleveren en verwordt de stofwisseling Mens-Natuur tot roofbouw op de natuur en het milieu.

Ten vierde bestaat er een spanning tussen de twee elementen van de tegenstelling: productiekrachten en productieverhoudingen zijn niet noodzakelijk in overeenstemming. In het begin biedt een nieuwe maatschappijformatie kans tot ontplooiing aan de productiekrachten tot ze op de grenzen van de productieverhoudingen botst. Daaruit volgt de wet van de overeenstemming tussen het ontwikkelingsniveau van de productiekrachten en de productieverhoudingen. Met de ontwikkeling van het machinisme en de industriële productie op grote schaal was het doodsvonnis p. 80van de feodale productieverhoudingen getekend. Vroeg of laat passen de productieverhoudingen zich aan aan het niveau van de productiekrachten. Dit gebeurt in sociale revoluties.

De marxistische opvatting over de rol van de productieverhoudingen in hun wisselwerking met de productiekrachten, staat in scherpe tegenstelling met de heersende burgerlijke maatschappij opvatting:

— De productieverhoudingen worden zoveel mogelijk verhuld en uit de aandacht verdrongen. Zij worden als ‘natuurwet’ voorgesteld.

— De rol van de productiekrachten wordt verabsoluteerd en ze worden bijna uitsluitend tot de rol van wetenschap en techniek herleid. Een verstandige benutting door de heersende klasse zou alle problemen kunnen oplossen en een harmonische sociale ordening scheppen zonder aan de productieverhoudingen te raken.

— De technologische ontwikkeling wordt als een ‘autonome’, ‘neutrale’, ‘onvermijdelijke’ factor beschouwd, die gelijkstaat met ‘vooruitgang’, los van de sociale opties, de aanwending en de maatschappelijke gevolgen.

Deze opmerkingen in acht genomen, blijft de technologie, als onderdeel van de ‘productiekracht’, een centrale plaats innemen in de materialistische kijk op de geschiedenis. De technologische kennis bezorgt de mens groeiende mogelijkheden tot beheersing van de natuurkrachten en voert het kapitalisme tot ‘rijpheid’. In de loop van de kapitalistische geschiedenis kan men zo enigszins schematisch drie ‘technologische en wetenschappelijke revoluties’ onderscheiden. (Zie 212 tris.)

212 tris.
De drie technologische revoluties onder het kapitalisme

Sinds zijn beginperiode werd het kapitalisme voortgestuwd door drie ‘technologische of industriële revoluties’. Dit zijn periodes waarin de ontwikkeling van de productiekrachten met sprongen vooruit gaat en waarin op grote schaal nieuwe productiemethodes en nieuwe producten worden ontwikkeld.

De eerste industriële revolutie vertrekt van de uitvinding van de stoommachine (James Watt, 1765) en leidt vooral in de negentiende eeuw tot toepassingen in de industrie (kolen, staal, textiel) en het vervoer (trein, boot).

De tweede industriële revolutie steunt op het gebruik van de ontploffingsmotor (1860) en de elektrische motor (1888) als krachtbronnen. Zij leiden tot grote omwentelingen in de productiemethodes (elektromechanica, handwerk), de communicatie (telegraaf, telefoon), het transport (auto, vliegtuig) en de producten (metalen, chemie) in de loop van de twintigste eeuw.

p. 81

Vanaf het begin van de jaren 70 neemt de ontwikkeling van de technologie een nieuwe vlucht. In 1971 wordt de microprocessor ontwikkeld. De miniaturisering van de bouwstenen van de elektronica zet de poort open voor een stormachtige doorbraak van de informatica-industrie. De computertoepassingen leiden tot informatisering en automatisering van de productie. Zij veroveren ook de dienstensector (burotica) en de telecommunicatie (telematica). De nieuwste ontwikkelingen worden uitgetest in de bewapeningsindustrie (ruimtevaart, Star Wars).

Vanaf 1972 worden proeven ondernomen met genetische manipulatie (verandering van de eigenschappen van de levende materie door ingreep op de DNA-molecule). Dit geeft het ontstaan aan een nieuwe industrie: de biotechnologie. Zij vindt toepassingen in de agroalimentaire, de farmaceutische, de energetische en de militaire sector (bacteriologische oorlogsvoering).

In de jaren 70 worden ook nieuwe materialen ontwikkeld. Nieuwe plastics en composietmaterialen (legeringen van verschillende metalen, plastics) concurreren met het staal als basisproduct. De nieuwe materialen worden als het ware ‘op maat gesneden’, met een nieuwe, vooraf bepaalde combinatie van eigenschappen als gewicht, hardheid, geleidbaarheid … Glasvezel, optische vezel, koolstofcomposieten, nieuwe keramieken … geven aan de producten en de productie nieuwe mogelijkheden.

De sector van de grondstoffen tenslotte zal in de komende jaren worden dooreengeschud door de ontwikkeling van nieuwe energiebronnen (zonne-energie) en door recuperatie van materialen en afvalstoffen.

Leiden de vier grote sectoren van “nieuwe technologie”, de micro-elektronica, de biotechnologie, de nieuwe metalen, de nieuwe energiebronnen de derde industriële revolutie in? Op het vlak van productiemethodes (automatisering, flexibele productiesystemen) en de communicatie ziet men in elk geval een kwalitatieve sprong in de ontwikkeling. Op het vlak van de producten breken voorlopig alleen de informatica en de ermee verbonden diensten definitief door.

213.
De economische wetten

Als het kapitalisme zoveel mogelijk de productieverhoudingen wil verdoezelen, dan is dat niet zonder inzet. Zij bepalen namelijk de economische wetmatigheid van het systeem. Economische wetten zijn objectieve, p. 82noodzakelijke en algemene samenhangen in de productie en reproductie van het materiële levensonderhoud van de mensen, in de productieverhoudingen en hun wisselwerking met de productiekrachten.

De meerwaardewet is de basiswet van het kapitalistische uitbuitingssysteem. Ze stelt dat de drijfveer van het kapitalisme als economisch systeem, het verwerven is van maximale meerwaarde. De maatstaf waarmee ze gemeten wordt is de winstvoet, de verhouding tussen de geproduceerde meerwaarde en het totaal voorgezette kapitaal onder vorm van productiemiddelen (arbeidskracht, machines, grondstoffen). Er bestaat een wisselwerking tussen de ontwikkeling van de productiekrachten (waaronder technologie) en de meerwaardewet. De technologie wordt onvermijdelijk ingezet om de meerwaarde en de winstvoet te verhogen, en nooit om die te verminderen.

214.
De huidige wetenschappelijk-technische revolutie (WTR)

De WTR werkt in op de twee aspecten van de tegenstelling productiekrachten-productieverhoudingen.

1o Op het niveau van de productiekrachten.

Zoals gezegd, verabsoluteert het kapitalisme de techniek en de wetenschap. Het is hét middel bij uitstek om voorsprong te nemen op de concurrenten en om zo een extra-meerwaarde op te strijken. In de WTR bewerken de invoering van elektronisch gestuurde automaten en vooral de complexe automatisering een kwalitatieve omwenteling in de arbeidsmiddelen. De WTR is ook eng verbonden met het scheppen van nieuwe materialen en de bestendige wijziging van de arbeidsgrondstoffen.

De grondtendens onder het kapitalisme is een stormachtige ontwikkeling van de productie-instrumenten, ten koste van Mens en Natuur, die door het kapitaal worden leeggezogen. Maar het kapitalisme botst hier op interne limieten.

— Onder de voorwaarden van de WTR stijgen zoals nooit tevoren de behoeften aan algemene vorming, aan mobiliteit van de arbeidskracht door een voldoende brede en flexibele kwalificatie, aan verantwoordelijkheidsbewustzijn en massa-initiatief. Een maximale ontwikkeling van de productie-instrumenten veronderstelt een aangepaste aanwending van de arbeidskracht die ze moeten bedienen. Het aanwenden van de nieuwste productietechnologie vereist nieuwe productiemethodes en -organisatie waarin een veel grotere intellectuele inzet wordt vereist van de arbeidskracht. Het kapitalisme probeert dit op te vangen door nieuwe ‘participatie’-methodes.

— De stormachtige ontwikkeling van de productiekrachten heeft tot een nieuwe constellatie in de verhouding Mens-Natuur geleid. Er is een onevenwicht, een conflict dat de natuur zelf in gevaar brengt, met ecologisch onvergelijkbaar ingrijpender gevolgen ten opzichte van vroeger. Het kapitalisme probeert dit op te lossen door de milieubescherming zelf tot wingewest te maken van de monopolies.

p. 83

2o Op het niveau van de productieverhoudingen. De nieuwe productiemethodes wijzigen de productieverhoudingen, maar niet wat betreft hun essentie: het privébezit van de productiemiddelen. De onderlinge relaties binnen de bedrijven kunnen wijzigen op het vlak van beheerstechniek, maar blijven identiek op het vlak van sociale klassenverhoudingen. De illusie van een enkele werkgemeenschap zonder klassenverschillen moet geschapen worden om tot maximaal rendement van de nieuwe productietechnieken te komen.

Verder hebben de nieuwe productiemethodes wijzigingen gebracht in de relaties met andere bedrijven. De ontwikkeling van de productiekrachten heeft in het verleden geleid tot een verregaand proces van arbeidsdeling enerzijds (handwerk) en coöperatie binnen reusachtige bedrijven anderzijds. Deze onderlinge afhankelijkheid (arbeidsdeling en samenwerking) overstijgt nu de bedrijven en de landsgrenzen. Deze socialisering van de arbeid blijft echter binnen de begrensdheid van privé-eigendomsverhoudingen.

22.
De patronale aanwending van de nieuwe technologie

221.
Crisis en nieuwe technologie

Tussen de crisis en de ontwikkeling van de nieuwe technologie bestaan verbanden. Die verbanden zelf zijn de inzet van een theoretisch debat: heeft de crisis de nieuwe technologie doen ontstaan of ligt de automatisering mee aan de oorsprong van de overproductie? Is de nieuwe technologie bron van een nieuwe lange groeiperiode of wordt de overproductie er alleen maar scherper door? Voor sommigen zijn de lange cyclussen te verklaren vanuit de grote technologiesprongen: de nieuwe producten kennen een rijpingsfase, een bloeifase en een uitputtingsfase. Voor hen is de oplossing van de crisis heel simpel: allen samenwerken om de nieuwe technologie te verwerven en te doen doorbreken en er volgt automatisch een nieuwe lange periode van groei. Deze theorie van de spontane afwisseling van ‘magere en vette jaren’ heeft een bijzonder nefaste invloed op de vakbondsideologie.

De onderlinge verhouding tussen crisis en technologie kan niet op een simplistische manier benaderd worden. De crisis is veel meer dan een technologisch probleem. Het is in de eerste plaats een kanker van het maatschappelijke systeem waarbij alle politieke en economische tegenstellingen tot uitbarsting komen.

De nieuwe technologische sectoren waren reeds voor het uitbreken van de crisis in ontwikkeling, maar anderzijds is het onbetwistbaar zo dat de crisis de jacht naar nieuwe technologie veel intensiever heeft gemaakt. Daarvoor zijn er twee redenen, die helemaal uit de logica van het systeem zelf voortvloeien.

p. 84

1o Het creëren van nieuwe markten is voor het patronaat een mogelijkheid om te ontsnappen aan de crisis. Het patronaat zoekt nieuwe markten in de sectoren van de nieuwe technologie, waar de groei van de vraag en de winstvoet zeer hoog is. De veralgemeende jacht om zich in te planten in de sectoren van nieuwe technologie, heeft niets met zorg voor werkgelegenheid en alles met hoge winstvoet te maken. Staatsmonopolies zoals de post- en telefoonmaatschappijen moeten dringend worden ‘gedereguleerd’ en geprivatiseerd omdat hierdoor de nieuwe technologie reusachtige winstgevende markten openliggen. Een tiental monopolies vechten voor een telecommunicatiemarkt die wordt geschat op 2 000 miljard Belgische frank per jaar. Desnoods wordt de vraag naar nieuwe producten kunstmatig gecreëerd zoals bijvoorbeeld in het geval van de super-tv (High Definition TV) die in ontwikkeling is. Het Europese combinaat Siemens-Philips-Thomson voert een reuzengevecht met de Japanse monopolies voor het meesterschap over deze toekomstige luxemarkt die geschat wordt op 10 000 miljard Belgische frank in de periode tot 2010. Dezelfde industriële monopolies die het milieu kapotgemaakt hebben, zetten nu alle zeilen bij om de milieureinigingstechnologie te ontwikkelen. Daarmee hopen ze een stuk van de bijzonder beloftevolle ‘milieumarkt’ in te palmen, die voor Europa alleen al, geschat wordt op 3 000 miljard Belgische frank in het jaar 2000 (per jaar!)

2o Nog een grote motor achter de technologische ontwikkeling is de jacht op extra-meerwaarde. Door de crisis is de concurrentie op de bestaande markten groter geworden. Wie het eerst rationaliseert, productiever kan produceren, de productiekosten kan inkrimpen en heeft een voordeel op de markt dat verzilverd wordt als extra-meerwaarde, een meerwaarde die aan de achtergebleven kapitalisten ontfutseld wordt. Een groot deel van het technologisch onderzoek gaat naar het ontwerpen van productievere productiesystemen en machines. Sinds 1975 worden in toenemende mate robotten ingeschakeld om auto’s te produceren en wordt er gewerkt aan complexe computergestuurde systemen. De rationalisering van de productie is een van de belangrijkste onderdelen van het gevecht voor de wereldsuprematie tussen de VS, Europa en Japan.

222.
Nieuwe productiemethodes

De nieuwe technologie wordt door het patronaat vooral benut om nieuwe, meer rendabele productiemethodes te ontwikkelen.

De nieuwe technologie, in het bijzonder de aanwending van de computer in de productie, brengt nieuwe vormen van productiebeheer en arbeidsorganisatie mee. De informatisering en automatisering laat veel flexibeler productiemethodes toe, die wat betreft efficiëntie het klassieke taylorisme voorbijsteken.

Het taylorisme (ook de wetenschappelijke organisatie van de arbeid genoemd) is sinds het begin van deze eeuw de heersende productiemethode en omvat drie grote principes.

p. 85

1o Het taylorsysteem ontbindt het complexe productieproces in eenvoudige, herhaalbare en controleerbare handelingen. Zo wordt het werk van de hooggekwalificeerde, artisanale arbeiders in stukjes gekapt en overgedragen aan niet-gekwalificeerd personeel. Grote massa’s ongeschoolde arbeidskrachten kunnen worden ingeschakeld in de productie.3

2o Conceptie en uitvoering van taken wordt helemaal ontkoppeld. Er is een strikte opdeling tussen intellectuele arbeid (productieconcept, -planning en -beheer) en de manuele uitvoeringstaken.

3o De verschillende onderdelen van het productieproces worden aan een tijdmeting onderworpen.

Deze arbeidsdeling wordt tot een hoogtepunt gebracht met het fordisme: de productie wordt georganiseerd aan de lopende band. Door het taylorisme en het fordisme wordt de intensiteit van de arbeid en de productiviteit geweldig opgedreven en wordt de accumulatie van kapitaal versneld. Hooggekwalificeerde arbeid wordt vervangen door afstompend handwerk. De monopolies ontsluiten en veroveren de markten van massagoederen (de Ford T). Het kapitalisme is rijp voor een periode van intensieve accumulatie, van massaproductie en -consumptie. Er moet op gewezen worden dat dit geen ‘gunst’ is van het kapitalisme, zoals het fordisme met zijn hogere lonen dikwijls wordt voorgesteld. Ford werd verplicht tot het uitbetalen van hogere lonen om het massale verloop van arbeidskracht te stoppen. Door het veeleisende handwerk was er in het eerste jaar (1913) een turnover van 390 % in de Fordfabrieken. Dit betekent dat het volledige personeel bijna vier maal per jaar vervangen werd.4

Het fordisme is echter meer dan handwerk. Het betekent dat door de gestegen productiviteit, zich een nieuw ‘evenwicht’ instelt in de kapitalistische landen waarbij de reële koopkracht verhoogt (het aantal producten en diensten dat men zich kan aanschaffen) zonder dat daarom de uitbuitingsgraad afneemt (de meerwaardevoet — zie 222 bis).

Het taylorisme/fordisme als productiesysteem vertoont echter een aantal nadelen voor de kapitalisten die door de toenmalige technologische middelen niet verholpen konden worden.

Het is een bijzonder rigide systeem, ontworpen voor massaproductie, waarvan de rentabiliteit vooral ligt in de schaalvoordelen. Dit brengt bevriezing mee van grote massa’s ‘dood’ kapitaal in stockeringsfases. Toevoerproducten en afgewerkte producten moeten in grote hoeveelheden en soms gedurende lange tijd worden opgeslagen Het overschakelen naar nieuwe producten of productievarianten vraagt een omslachtige ombouwing van de productieketen. Er is met andere woorden een groot verlies van rendement op het constant en het circulerende kapitaal.

Het taylorisme/fordisme is bovendien bron van demotivatie bij de arbeiders, hoog absenteïsme en veel conflicten. Het zijn de twee terreinen waarop de nieuwe productiemethodes, zonder te raken aan de productieverhoudingen, een antwoord proberen te bieden. Het hoofdkenmerk van het productiesysteem wordt haar flexibiliteit.

p. 86

222 bis.
Meerwaarde, meerwaardemassa, meerwaardevoet, absolute en relatieve meerwaarde

De meerwaarde.

Bezitters van kapitaal kopen de arbeidskracht van de arbeiders in ruil voor een bepaald bedrag waarvan de waarde kleiner is dan de waarde die door de arbeidskracht wordt voortgebracht. Het verschil is de meerwaarde en wordt door de kapitalist (als klasse) op zak gestoken. Hij kan het gebruiken voor consumptie, belegging of herinvestering. In dit laatste geval is er kapitaalaccumulatie.

Voor de kapitalist is zowel de meerwaardemassa als de meerwaardevoet van belang. De kapitalistenklasse als geheel is vooral geïnteresseerd in de meerwaardemassa, de individuele kapitalist in de meerwaardevoet.

De meerwaardemassa is de globale som van geproduceerde meerwaarde. De meerwaardemassa kan op twee wijzen verhoogd worden:

1o Door extensieve uitbreiding of accumulatie: door expansie van de productieschaal en door uitbreiding van het aantal loonarbeiders. Schematisch kunnen we stellen dat in de meeste kapitalistische landen tussen de eerste industriële revolutie en de Eerste Wereldoorlog het kapitalisme hoofdzakelijk is gegroeid door extensieve accumulatie. In het begin van de twintigste eeuw waren er 80 à 90 miljoen loonarbeiders, vandaag zijn er 500 miljoen in de kapitalistische landen (vóór de ineenstorting van de Oostblokregimes).

2o Door intensieve aanwending van de techniek of intensieve accumulatie: door opdrijving van de productiviteit en door een hogere kapitaalintensiteit in het bestaande uitbuitingsveld. Opdat hierdoor een grotere meerwaardemassa zou tot stand komen, moet de meerwaardevoet stijgen.

De meerwaardevoet is de verhouding tussen de geproduceerde meerwaarde en de uitbetaalde lonen. Hij geeft dus de verhouding aan tussen het deel van de dag dat de arbeider gratis voor de kapitalist werkt en het deel dat hij voor zijn loon werkt. De meerwaardevoet bepaalt met andere woorden de uitbuitingsgraad.

De meerwaardevoet kan op twee manieren verhoogd worden:

1o Door het deel van de meerwaarde te doen stijgen, dit is door verhoging van de absolute meerwaarde. Dit kan door verlenging van de arbeidsdag bij gelijkblijvend loon. Dit is op dit ogenblik p. 87alleen een theoretische mogelijkheid. Maar hetzelfde effect wordt bereikt door intensere arbeid of meer complexe arbeid te laten verrichten zonder een proportionele aanpassing van het loon. Dit gebeurt op grote schaal in de nieuwe productiemethodes.

2o Door het relatieve aandeel van het loon te doen dalen, dit is door verhoging van de relatieve meerwaarde. Dit kan door een opdrijving van de productiviteit. Door invoering van meer productieve arbeidsmethodes in de sector van de consumptiegoederen, daalt de waarde van de arbeidskracht (de arbeidstijd die nodig is om het equivalent van de levensnoodzakelijke goederen en diensten te produceren) en stijgt de relatieve meerwaarde. De arbeidstijd kan op die manier verkorten, terwijl de relatieve meerwaarde gelijk blijft of toeneemt (het deel van de dag dat de arbeider gratis voor de kapitalist werkt).

De wetenschappelijk-technologische revolutie betekent voor het monopoliekapitaal een intensievere uitbuiting en een uitbuiting van gekwalificeerde arbeidskracht. Door een hoog arbeidstempo en een stijging van het aandeel van complexe arbeid wordt er een grotere massa waarde en dus meerwaarde geschapen. De massa meerwaarde en de meerwaardevoet stijgen, want de inzet van variabel kapitaal stijgt niet in dezelfde mate als de mogelijkheid om door complexe arbeid meer waarde te creëren.

223.
Nieuwe technologie en nieuwe organisatievormen

Die flexibiliteit is het resultaat van een reorganisatie van de productie en van een volledige aanwending van de mogelijkheden die door de informatica geboden worden.

1o Technologische bouwstenen.

De automatisering van het productieproces binnen het klassieke tayloristische concept omvat sinds vele jaren het gebruik van numeriek (of computer) gestuurde machines en de invoering van robotten.

De numeriek gestuurde machines en automaten laten een controle en besturing van persen, freesmachines, enz. toe, door numerieke computertaal. De voorlopers van de huidige numeriek gestuurde machines dateren uit de jaren 60. De eerste machines werkten met programma’s die door de computer op afstand werden geproduceerd en gestockeerd op papierbanden. In de loop van de jaren 60 werd een rechtstreekse verbinding tot stand gebracht tussen de computer en de machine. Daardoor kon de computer bijsturen; nieuwe bevelen geven in de loop van het proces. Midden de jaren 70 werden de microprocessors ingebouwd of toegevoegd p. 88aan de machines. Er is een rechtstreekse, gesofisticeerde controle mogelijk tijdens het productieproces en de nieuwe programmatie gebeurt gelijktijdig. Deze numerieke besturing is sindsdien snel veralgemeend.

De robots deden hun intrede op het einde van de jaren 60, midden de jaren 70. Maar vooral sinds de crisis zorgen de automobielproducenten voor de doorbraak van de robot, in wie ze een productievere, betrouwbaarder medewerker zien dan de handarbeider. In 1976 lanceert General Motors het ‘PUMA’-model: een nabootsing van de menselijke arm met zes scharnieren (‘bewegingsgraden’). De arm kan kantelen rond zes assen: op zijn basis-as, rond het schoudergewricht, de elleboog, en drie polsgewrichten. Zo kan de menselijke arbeid worden nagebootst door het imiteren van bewegingen. De robot kan geprogrammeerd worden volgens de uit te voeren taken.

Vanaf dat ogenblik voorspellen vele futurologen de progressieve vervanging van de menselijke arbeid door de robot. Maar de robotisering verloopt veel trager dan de meest pessimistische voorspellingen. Er is de hoge kostprijs van de robot, er is het ontbreken van soepelheid en ‘tastzin’, er zijn de vele defecten van die machines en er blijkt vooral dat de robot maar een onderdeel is van een complexe organisatie.

Na de numerieke machine en de robot wordt het technologische onderzoek toegespitst op de integratie van alle productieprocessen en -machines in één computergestuurd systeem. Daarvoor dient op de eerste plaats het probleem van de onderlinge communicatie van verschillende instrumenten, machines, computers en informatiesystemen. Elke computer, elke numeriek gestuurde machine heeft een eigen ‘taal’, eigen codes, eigen relaties met de buitenwereld. De protocols, de normen en verschillende codes integreren in een compatibel systeem (afstemmen van de taal), met synchronisatie (afstemmen in de tijd) en met eenzelfde begrip van de commando’s (afstemmen van de hiërarchie) is een ingewikkelde opdracht. In de huidige systemen wordt meestal gewerkt met ‘interface’-postprocessors om de gebruikte codes te ‘vertalen’ in de taal van de buitenwereld.

Op het einde van de jaren 70 stelde GM vast dat slechts 15 % van zijn uitrusting, die bestaat uit 2 000 robotten en zowat 20 000 automaten (numeriek gestuurd), in staat is om te communiceren buiten het proces dat ze rechtstreeks controleren. In 1981 lanceert GM daarom een eenvormig communicatiesysteem: MAP (Manufacturing Automation Protocol). De bedoeling is de onverenigbaarheid te verbreken tussen de systemen van IBM, Data Control, Digital, Honeywell … GM dreigt ermee niets meer af te nemen als ze niet samenwerken om hun systemen op elkaar af te stemmen. De experten van de verschillende firma’s worden bijna letterlijk opgesloten tot ze met een nieuw systeem voor de dag komen. Het onderzoek duurt vijf jaar met 120 ingenieurs. Het resultaat is MAP, een communicatieprotocol dat op weg is om de ‘standaard’ te worden op dat vlak. 1 500 van de grootste Amerikaanse bedrijven hebben zich onder de MAP-vlag verenigd. Een dertigtal MAP-installaties waren in werking eind 1988.

Dit opent de weg voor de ‘Computer Integrated Manufacturing’ (CIM), systemen waarbij gehele bedrijven of bedrijfseenheden in een geïntegreerd p. 89netwerk door de computer bestuurd worden. Onderdelen daarvan zijn de CAD/CAM-systemen (ontwerpen en produceren met behulp van computer). Het netwerk kan eveneens uitbreiden naar toeleveringsbedrijven en zelfs antennes hebben bij verdelers en verkopers die op die manier rechtstreeks bestellen ‘op maat’.

2o De Japanse organisatie.

Al vanaf 1948 reeds probeert onder meer Toyota aan de rigiditeit van het taylorisme te verhelpen door een meer flexibele werkorganisatie. Daaruit komen nieuwe productieconcepten voort zoals Just-in-Time, Management by Stress en Team Work. De drie zijn met mekaar verbonden, maar benadrukken elk een specifiek aspect.

Het just-in-time beginsel (JIT) slaat op de methode van stockbeheer: JIT streeft productie zonder stocks na. Bij JIT wordt de productieketen voortgetrokken door de vraag, door de bestellingen Dit geldt ook binnen het productieproces. Iedere eenheid is klant en leverancier van de vorige, respectievelijk volgende eenheid. Japanse bedrijven hebben een ingenieus kaartensysteem ontworpen (kanban) die de exacte bestellingen door de productieketen sluizen. Op die manier wordt niets geproduceerd dat niet is gevraagd, worden producten ‘op maat’ geleverd en worden productenstocks en tussenstocks tot een minimum herleid. Gecombineerd met het management by stress beginsel komen alle problemen onmiddellijk boven water en vragen ze om een onmiddellijke oplossing.

Management by stress (MBS) slaat op de manier waarop het productietempo wordt opgedreven. Bij het klassieke handwerk zijn allerlei bumpers ingebouwd om lokale pannes of onderbrekingen te kunnen opvangen met reservestocks, inspringers, enz. Bij MBS worden al deze bumpers verwijderd. Doel is zowel de zwakke plekken als de te sterke plekken te doen bloot komen. Zwakke plekken breken bij toenemende stress, te sterke plekken breken nooit. Door een lichtensysteem (groen, oranje, rood) worden de problemen gelokaliseerd. Werkonderbrekingen (rood) hebben een positieve functie om aanpassingen aan te brengen, versterking in het ene, besnoeiing in het andere geval. Het geheel wordt ‘opgespannen’ door stelselmatige verhoging van het lijntempo, snoeien in het aantal arbeiders of machines en toekennen van bijkomende taken. De lijn staat op ‘scherp’ wanneer alle werkplaatsen permanent tussen groen en oranje schommelen.

Het team work (TW) is een noodzaak om dit zelfregelende systeem te laten werken. In alle stadia van de productie staat de keten gespannen, zonder reserves; iedereen moet kunnen inspringen bij storingen. just-in-time productie betekent ook dat kleine hoeveelheden worden geproduceerd, dat snel moet overgeschakeld worden. Dit alles veronderstelt flexibele teams waarin iedereen de verschillende taken beheerst en gaten automatisch worden opgevuld. De lijn wordt opgedeeld in kleine, flexibele productie-eenheden. In plaats van één doorlopende band komt er een assemblagelijn die de ‘blokken’ inpast die in aangrenzende ‘zelfstandige’ productie-eenheden worden klaargemaakt.

p. 90

Laatste element, de Outsourcing of onderaanneming. Een groot deel van de onderdelenproductie wordt uitbesteed. Zo wordt het probleem van de stocks verschoven naar kleinere toeleveringsbedrijven die op elk moment moeten voldoen aan de vraag van het centrale bedrijf. Deze bedrijven kunnen dit door aan lagere lonen te werken, flexibeler werkomstandigheden op te dringen en zich te specialiseren in beperkte domeinen.

224.
Nieuwe productiesystemen en participatief management

Het participatief management is de term die het best die hele serie gelijksoortige initiatieven dekt die door het patronaat genomen worden om de betrokkenheid van de arbeiders en bedienden bij het productie- of dienstenproces te vergroten.5 Het is een vorm van bedrijfsbeheer dat probeert de associatie van de werkers met het bedrijfsbelang te realiseren. Het is dus in de eerste plaats een aanval op de geest van de werkers, een offensief om de klassensamenwerking te organiseren, de (syndicale) strijd te verhinderen of te breken.

Zulke pogingen zijn er in het verleden natuurlijk al permanent geweest, maar het nieuwe is dat het participatief management zeer eng verbonden is met de nieuwe productiemethodes en er een onontbeerlijk onderdeel van uitmaakt. Daar zijn twee redenen voor.

Ten eerste, vanuit technologisch oogpunt, vereist het flexibel produceren een grotere persoonlijke inzet. Het produceren zonder stocks is veel gevoeliger voor onderbrekingen, het werken in team wordt gemakkelijker verstoord. Met het participatief management wil het patronaat erop toezien dat elke werker afzonderlijk zich verantwoordelijk voelt voor het goede verloop van het productieproces en zelf ingrijpt indien nodig.

Ten tweede, is het systeem bijzonder kwetsbaar tegenover stakingen aangezien er zonder stocks geproduceerd wordt. Een onderbreking op een plaats heeft snel gevolgen voor het hele bedrijf zoals bij de halve-dag stakingen van Ford-Genk in 1990 is gebleken. Een staking in een land heeft snel gevolgen voor bedrijven in andere landen, zoals bij de Ford-Engeland staking in 1989 is gebleken. Vandaar de verdubbelde inspanningen om de klassenharmonie te bereiken. Vandaar het belang om nieuwe loonsystemen te ontwikkelen, die de vergoeding koppelen aan de verdienste en de winst van de onderneming. Vandaar de dwingende noodzaak om de syndicale delegatie buitenspel te zetten, om het stakingsrecht te beknotten.

Dit alles streeft het patronaat na met het participatief management. De invalshoek is die van de ‘kwaliteit’. Kwaliteitscontrole, integrale kwaliteitszorg en kwaliteitskringen staan centraal in de nieuwe organisatiemethodes en vereisen de actieve medewerking van de werkers. Voor het invoeren van de nieuwe systemen speelt het patronaat op de spontane beroepstrots van de arbeider: een arbeider wil kwaliteit leveren. Sommigen beschouwen de nieuwe methodes dan ook als een tegemoetkoming aan de arbeiders en zelfs als een resultaat van de strijd, afgedwongen tegen de wil van het patronaat. Het werkelijke motief is echter alleen p. 91winstvergroting.

Kwaliteitscontrole en integrale kwaliteitszorg (IKZ) staan hoog op de hitparade van het patronaat omdat de meedogenloze concurrentie in die richting duwt en omdat het een bron is van grote besparing op de productiekost.

Waarom is de ‘kwaliteit’ een centrale schakel in het nieuwe productiedenken van het patronaat? Heeft het kapitalisme, zoals sommigen beweren, een stadium bereikt waarin ‘de consument koning is’, waarin het patronaat zich bekommert om de ‘gebruikswaarde’ van de producten die het op de markt brengt? Dit zou dan de stelling van Marx weerleggen die beweert dat de kapitalist zich geen snars aantrekt van de ‘gebruikswaarde’ op zich, maar ze enkel bekijkt als voorwaarde om zijn product kwijt te raken en dus zijn geïnvesteerde kapitaal te waarde te maken (met een meerwaarde). De patroons gaan niet uit van de vraag ‘wat kost kwaliteit’ maar van de vraag ‘wat kost de niet-kwaliteit’, hoezeer de reclame ook het tegendeel mag beweren.

1o Sinds de structurele crisis van het begin van de jaren 70 vechten de patroons met productievere installaties op een amper toenemende markt. De concurrentie voor het veroveren van elkaars markt verloopt langs het gevecht voor de klant. Kwaliteit is belangrijk naar de klant toe, omdat het vaak nog het enige is wat producten (lichtjes) van elkaar onderscheidt. Kwaliteit van het product wordt dus een belangrijker verkoopargument dan vroeger. Als het patronaat de gebruikswaarde zou vooropstellen zou het in de eerste plaats zoeken naar producten die de meest schreeuwende noden van de wereldbevolking helpen voldoen. Maar ‘kwaliteit’ telt in de ogen van het patronaat alleen om een koopkrachtig publiek te bereiken, waarbij de meest aberrante grillen voorgaan op levensnoodzakelijke goederen.

2o Door kwaliteitszorg kan de productiekost in belangrijke mate worden gedrukt en dus de globale productiviteit van het ingezette kapitaal worden verhoogd. Kwaliteit leveren is niet het beste leveren, maar een product maken dat voldoet aan de opgelegde normen. En er kan heel wat bespaard worden als alle stukken telkens voor 100 % voldoen aan de normen: geen slechte stukken, dus geen verspilling van productietijd en verlies van materiaal en geen herstellingen; minder afval, minder stockeren van het slechte materiaal, geen retours, en geen herstellingen onder garanties.

Voor Frankrijk bijvoorbeeld heeft men berekend dat de kost van niet-kwaliteit 1000 Franse frank per maand en per werknemer bedraagt in de industrie; dat is 300 miljard Franse frank per jaar of 6 % van het bruto binnenlands product.

3o Kwaliteit krijgt in de nieuwe productiemethodes bovendien een veel bredere betekenis dan alleen de duurzaamheid en de betrouwbaarheid van het product. Het omvat ook snelheid van levering en kwaliteit van p. 92de service. Het is bijgevolg van toepassing op het verloop zelf van het hele productieproces, vanaf de top tot aan de productielijn en in alle fasen van de ontwikkeling. De klassieke tayloristische productie was ingedekt door stocks, buffers; de nieuwe productie moet hoge kwaliteit leveren in alle productiefases om volgens het JIT-principe te kunnen werken. ‘Integrale kwaliteitszorg’ onderscheidt zich in die zin van ‘kwaliteitscontrole’, die achteraf gebeurt. De ‘zorg’ is een voorafgaande instelling en het ‘integrale’ karakter omvat alle aspecten van het bedrijfsgebeuren. Integrale kwaliteitszorg moet instaan voor een perfect geoliede machine, met een zo minimaal mogelijke productiekost, die kwaliteitsproducten aflevert binnen zo kort mogelijke productietijd. IKZ is de proef op de som van de JIT en MBS-methodes. Voor het patronaat vormt ze dan ook een onverbrekelijk geheel. (Zie 224 bis.)

Bij het klassieke taylorisme werd de controle op het productieverloop toevertrouwd aan aparte eenheden. Het participatief management gaat ervan uit dat niemand zo goed geplaatst is om de kosten te drukken, verspillingen uit te schakelen en het productieverloop bij te sturen dan de werkers zelf. Uit de directe confrontatie met de realiteit wordt de kennis geboren, een materialistisch principe dat ondanks alle minachting voor de capaciteiten van de arbeidersklasse, willens nillens door de kapitalisten erkend moet worden. Er worden trainingen en vormingen opgezet om het personeel methodes te leren van diagnose en analyse.

— Het Ishikawa-diagram (de visgraatanalyse) gaat alle mogelijke redenen na van fouten (de vier M’s, Materie, Milieu, Machines, Mens).

— Het Pareto-diagram leert de belangrijkste oorzaak van problemen opsporen en prioriteiten formuleren in de aanpak van het hoofdprobleem.

— De kring van Deming leert hoe men door voortdurende wisselwerking praktijk-theorie-praktijk tot een stijgende spiraal van prestatie komt.

Het zijn stuk voor stuk toepassingen van de materialistische en dialectische denkmethodes, die worden aangeleerd om de belangen van het kapitalistisch privébezit te dienen.

Een tweede soort trainingen ligt op een ander vlak: in de methoden van leiding geven, in de methoden om problemen op te lossen. Er wordt training in brainstorming georganiseerd (hoe laten we alle ideeën naar voor komen?); in communicatie (hoe brengen we onze ideeën naar voor?); in oplossen van conflicten (hoe tot eenstemmigheid te komen); in tijdbesteding (hoe verdelen we de hoeveelheid werk en op welke manier).

p. 93

224 bis.
Een geschiedenis van de kwaliteitszorg

Het Japanse model

Iedereen weet dat de ‘kwaliteitskringen’ uit Japan zijn overgewaaid. In Japan werd dit systeem inderdaad naar de perfectie gevoerd, maar eigenlijk werd de technische basis ervan in Amerika ontwikkeld.

Het taylorisme is niet alleen het opdelen van taken met het handwerk als uitloper, het is ook en vooral een methode om taken in meetbare gegevens te vatten en in statistieken te verwerken. Ook de kwaliteit van de productie valt daaronder. Kwaliteitscontrole werd in de VS een wetenschap die vooral in de oorlogsindustrie tot ontwikkeling kwam. Het is voor iedereen duidelijk dat er een groot verschil bestaat tussen een bom die op tijd ontploft en een bom die niet, te vroeg of te laat ontploft … Kwaliteitsmetingen werden daarom geperfectioneerd. Na de oorlog waren vooral de Japanse patroons geïnteresseerd in de ervaringen van de Amerikaanse pioniers in het vak, zoals prof. Deming. Zijn concepten werden door de Japanse patroons ontwikkeld tot nieuwe productiemethodes waarin de ‘kwaliteit’, in de brede zin van het woord, een vitaal onderdeel is. Voorlopers hierin werden Sakichi en Kiichiro Toyota van de gelijknamige automobielgroep en prof. Taiichi Ohno’.1

Typisch voor de Japanse toepassing is de ‘medebeheer’-vorm. Kwaliteitscontrole was niet langer meer een zaak van technici achteraf, maar werd ingebouwd in het productiesysteem zelf: elke arbeider werd verantwoordelijk voor de kwaliteit van zijn werk. Ze noemden het ‘kwaliteitszorg’, wat een preventieve tussenkomst veronderstelt. De kwaliteitszorg werd al vlug een complete discipline. In 1960 waren al 8 000 kaders en ingenieurs opgeleid, in 1962 werd begonnen met de opleiding op lagere niveaus, ploegbazen en meestergasten. Nadien kwamen de kwaliteitskringen waarbij alle arbeiders aangesproken werden voor kwaliteitszorg. In 1970 waren er al 35 000 kwaliteitskringen in Japan. De nieuwe productieleer werd in 1970 door prof. Ishikawa in een echte ‘bijbel’ van de ‘integrale kwaliteitszorg’ uiteengezet.

De integrale kwaliteitszorg doet een beroep op een sterke bedrijfscultuur, waarvoor in Japan een sterke voedingsbodem aanwezig is. Ondanks de snelle industrialisering bleef de feodale ideologie in heel de maatschappij verankerd met de Toyota’s, Toshiba’s en Matsushita’s in de rol van nieuwe keizers. Maar al te vaak wordt vergeten dat die klassensamenwerking maar kon opgelegd worden door een strijd op leven en dood tegen de communistische en p. 94strijdbare vakbonden na de Tweede Wereldoorlog. De ‘huisvakbonden’ van vandaag zijn niet zonder slag of stoot aan de Japanse arbeiders opgedrongen.

Kwaliteitskringen in Europa en de VS

Als midden de jaren 70 de structurele crisis doorbreekt, steekt het grote Japanse economisch succes de Amerikaanse en Europese patroons de ogen uit. Studiemissies worden opgezet om de geheimen van het Japanse wonder te doorgronden en de ‘kwaliteitskringen’ lijken het gemakkelijkst over te nemen.

De eerste golf van kwaliteitskringen in België komt er in 1980-1983: FN, Glaverbel, General Motors met zijn Quality of Worklife, Ford met Employee Involvement, Caterpillar met zijn Margrieten en vele andere met simpelweg kwaliteitscirkels. Het concept van die cirkels was overal hetzelfde: ze bestonden uit kleine groepen arbeiders die op vrijwillige basis bijeen kwamen en zaken bespraken als kwaliteit en veiligheid. Voor de rest veranderde er niets. Men probeerde dus het Japanse systeem toe te passen binnen de klassieke arbeidsorganisatie (het handwerk).

Een groot deel van die kwaliteitskringen werkte niet en ze verdwenen even snel als ze opgericht waren. Veel syndicalisten en arbeiders dachten toen dat het gevaar geweken was en dat het Japanse systeem in Europa — omwille van de ‘andere mentaliteit’ — nooit een kans zou maken. De patroons maakten ook hun analyse van die mislukking. Er bleek vooral dat zij enkel de oppervlakkige kenmerken van het Japanse model hadden proberen na te bootsen. Kwaliteitskringen werden los gezien van de globale productieorganisatie.

De Europese en Amerikaanse patroons bestuderen nu niet langer alleen de vormelijke kant van het Japanse model, maar proberen zich de globale productiemethodes eigen te maken, waarvan integrale kwaliteitszorg een deel uitmaakt. In dit tweede offensief wordt de kwaliteitszorg een centraal bestanddeel van de bedrijfsstrategie en niet langer een ‘aanhangsel’. Dit gaat gepaard met technische, organisatorische en sociale omwentelingen.

1.
Taiichi Ohno, L’esprit Toyota, Masson 1989.
p. 95

225.
De flexibele arbeider

De nieuwe productiemethodes worden met veel trompetgeschal voorgesteld als een ‘herwaardering’ van de arbeid. In tegenstelling tot het taylorisme en het handwerk zou in het moderne bedrijf de arbeider niet langer een aanhangsel zijn van de machine. Dit wordt op de meest radicale manier door de feiten tegengesproken. De nieuwe machines en de nieuwe werkorganisatie leggen op dictatoriale wijze de werkvoorwaarden op. Om maximaal rendement te halen moeten alle sociale verworvenheden wijken, moet het hele sociale leven worden ontregeld. Want flexibele productie eist flexibele arbeidskrachten!

1o just-in-time en flexibele productie moeten kunnen evolueren op het ritme van de vraag. De productie moet snel opgedreven kunnen worden en even snel samengedrukt, beantwoordend aan een piek of een dal in de bestellingen. Japanse bedrijven lossen dit op door, naast een kern van vaste arbeiders, steeds met een zeker percentage van losse arbeidscontracten te werken. Dit wordt op dit ogenblik ook al in de Verenigde Staten nagevolgd: het nieuwe Saturnus-modelbedrijf van General Motors werkt met 80 % vaste contracten (‘Saturnus-leden’) en 20 % losse contracten (‘Saturnus-medewerkers’). Bij ons wordt hetzelfde gerealiseerd door aanwerving van tijdelijke arbeidskrachten, door stagiairs en door onderaanneming in het bedrijf. Flexibele werkroosters vangen de korte termijnschommelingen op. Tijdelijk verplicht zaterdag- of weekendwerk is daarvan een vorm (vaak gebruikt door Ford-Genk bijv.). In de distributiesector wordt meer en meer gewerkt met oproep-contracten: op elk moment van de dag moet men beschikbaar zijn. Uurroosters wijzigen voortdurend op het ritme van de piekuren en piekdagen.

2o Het optimale gebruik van de machines kan een bron van enorme besparingen zijn. Kostelijke installaties moeten zo snel mogelijk afgeschreven worden en zo lang mogelijk produceren. Dit wordt op de beste manier bereikt door een verlenging van de machinetijd, dus van de totale productietijd per dag. Het automobiel-patronaat heeft het gevecht ingezet voor de negenurendag (Renault-Vilvoorde), de tienurendag (GM-Antwerpen), het nachtwerk (Ford-Genk, Volkswagen-Vorst), weekendploegen en draaiende ploegen (Caterpillar-Gosselies). Op enkele jaren tijd heeft het patronaat een doorbraak bekomen in de wetgeving: het begon met de ‘experimenten’ Hansenne, die daarna werden veralgemeend door de CAO 42 (met medewerking van de vakbondsleiding). Naar Belgisch voorbeeld heeft de Internationale Arbeidsorganisatie nu ook het verbod op nachtarbeid voor vrouwen uit haar normen geschrapt (zomer 1990).

Om de verlenging van de productietijd aanlokkelijk te maken adviseert de OESO om ze te koppelen aan een verkorting van de individuele totale arbeidstijd per jaar. Het patronaat kan zich dit best veroorloven: de ‘gunst’ wordt dubbel en dik teruggewonnen door langere benutting van de machines, snellere rotatie van het kapitaal, minder dure overuren.

p. 96

3o Het teamwerk en de polyvalentie die van iedereen vereist wordt, leiden tot een herziening van de classificatieschalen en de anciënniteitsrechten. De classificatie is gebaseerd op de aard van de job; het patronaat wil die classificaties en de daarbij horende loonschalen helemaal herzien om de uitwisselbaarheid van de jobs te bereiken. De polyvalentie moet toelaten om elke onderbreking in de arbeid te voorkomen, maar de oude schalen zouden de prijs (loon) voor deze polyvalentie veel te hoog doen oplopen.

4o De nieuwe productiemethode is het best gediend met sterke individuele prikkels en een brede waaier van premies en loon volgens prestatie. Op die manier probeert het patronaat de inzet en toewijding aan te moedigen. In het al vermelde Saturnus-project wordt 80 % van het loon ‘vast’ betaald en ongeveer 20 % volgens collectieve of individuele prestatie. Hierin zit een winstdeling, een individuele verdienstenpremie en een productiviteitspremie per team. Herinvoering van individuele puntensystemen zijn de meest schandelijke uitingen van deze loonroosters.

5o Door de veralgemening van onderaanneming en toelevering wordt niet alleen het meest wisselvallige deel van de productie uitbesteed, maar worden ook arbeidskrachten van ‘tweede categorie’ geschapen die qua beloning en arbeidsvoorwaarden vaak in deplorabele toestanden werken.

226.
Stijging van de winstvoet door flexibel produceren

Flexibel produceren omvat een geheel van technologische (computersystemen, robotten …), organisatorische (JIT, MBS, teamwerk, onderaanneming …) en beheerstechnische (participatief management) maatregelen. Op sociaal vlak zien we een verlengde productietijd van de machines en een herziening van de loon- en kwalificatiesystemen. In alle industrieën worden zowel de technologische als de organisatorische en de sociale vernieuwingen in snel tempo doorgevoerd. Naargelang de sector en de plaats ligt de prioriteit meer op het een of het andere. Het is soms moeilijk de wirwar van veranderingen in hun samenhang te vatten, maar het strategisch doel blijft hetzelfde. Het resultaat zijn flexibele productiesystemen (‘Flexible Manufacturing Systems’, FMS), die de vijf zero’s nastreven: zero leveringstijd, zero stook, zero fouten, zero onderbrekingen, zero papier.

Als we het globale effect van al deze maatregelen op de winstvoet samennemen, begrijpen we waarom flexibel produceren voor het patronaat de belangrijkste strategie van het ogenblik is. Er wordt bespaard op stocks, op de doorlooptijden, op de ‘dode’ momenten, op de transporttijden, op de schakeltijden, op de ruimte. Met andere woorden, er is een enorme productiviteitswinst op het ‘niet-levende kapitaal’. Er zit minder kapitaal bevroren in stocks, het kapitaal circuleert sneller en brengt dus meer winst voort, er wordt gevoelig bespaard op de kwaliteitskosten. (Zie 224 bis.)

De volgende tabel geeft een idee over de omvang van deze besparingen op de productiekosten die door toepassing van just-in-time en integrale p. 97kwaliteitszorg in de Verenigde Staten werden bekomen.

De cijfers geven de besparing in %.6
Automobiel
toebehoren
Drukkerij Kleding Werktuigen Elektrische
componenten
Doorgangstijd 89 86 92 83 85
Stocks brute
materie
35 70 70 73 50
tussen-
product
89 82 85 70 85
eind-
product
61 71 70 0 100
Omschakeltijd 89 86 92 83 85
Kwaliteitskosten 89 86 92 83 85

Naast besparingen op het ‘dode kapitaal’ wordt ook bespaard op de arbeidskracht. Door het veelvuldige gebruik van onderaanneming wordt de kostprijs van de arbeidskracht gedrukt. Er wordt bespaard op de lonen door flexibele beloningssystemen, door betaling volgens prestatie, door nieuwe classificaties, door het ‘banaliseren’ van overuren en weekendwerk. De flexibele machines zijn doorgaans ook productiever zodat uiteindelijk dezelfde productie met minder arbeiders gerealiseerd kan worden. Er wordt gesnoeid op niet-productieve diensten, op ‘indirecte’ werkposten (stockbeheer, transport …). Het resultaat vertaalt zich dus meestal in minder arbeidsplaatsen en meer winst. Caterpillar heeft een wereldomvattend plan 1989-1993 lopen waarbij 2 miljard dollar (80 miljard Belgische frank) wordt geïnvesteerd in de bedrijven die tot PWAF-bedrijven (Plant With A Future) werden uitgeroepen. Volgens het plan moeten deze bedrijven in 1993 met 30 % minder arbeidskrachten werken.7

Door het bandwerk werd in 1913 de montagetijd van de Ford-T tot een tiende teruggebracht. De arbeid werd enerzijds gedekwalificeerd, maar werd anderzijds veel intensiever. Om zijn arbeidskrachten te kunnen houden, werd Ford verplicht — ook al door het opkomende syndicalisme — tot het betalen van hogere lonen (de 5 dollar-dag). Van daaruit werd de mythe geweven van Henry Ford, ‘vriend van de arbeiders’. Voor vele vakbondsleiders ontstond hieruit de illusie van het ‘historisch compromis’, bestaande uit een ruil tussen productiviteit en hogere lonen. Ook de ‘productiviteitsverklaring’ van 1954 steunt op deze ‘deal’: de vakbondsleiders werken mee om de productiviteit op te voeren en de opbrengst ervan wordt verdeeld. Ford zelf bekeek het minder idyllisch: “Bij het aanschaffen van arbeidskracht, zoals bij elke andere grondstof, moet men er zeker p. 98van zijn waar voor zijn geld te krijgen.”8

Vandaag wordt door de nieuwe arbeidsorganisatie een nieuwe sprong gemaakt in de globale productiviteit van het ingezette kapitaal. Ook hierrond wordt een mythe geweven: de mythe van de ‘herwaardering van de arbeidskracht’. Voor het kapitaal is het een methode om de winstvoet te verhogen, om extra-meerwaarde te veroveren op de concurrenten en niets meer. (Zie 226 bis.)

226 bis.
Nieuwe technologie en winstvoet

Wat de individuele kapitalist interesseert is de winstvoet: de verhouding van de winst tot het totale voorgeschoten kapitaal. De grondwet van het kapitalisme (maximum meerwaarde) neemt daarom de vorm aan van een streven naar een zo hoog mogelijke winstvoet. Bekijken we eerst het effect van de nieuwe technologie op het algemeen maatschappelijke vlak, voor alle kapitalisten. De gemiddelde winstvoet is hier gelijk aan de totale geproduceerde meerwaarde of winst, gedeeld door het totale ingezette kapitaal onder vorm van machines, grondstoffen en arbeidskracht.

w = m c + v      of      winstvoet = meerwaarde constant + variabel kapitaal

Steeds vanuit globaal kapitalistisch standpunt kan de aanwending van nieuwe technologie dus de winstvoet als volgt doen stijgen:

1o Door verhoging van de meerwaardevoet ( m = m v ). (Zie 12 bis). Alle methoden voor verhoging van de uitbuitingsgraad doen de winstvoet stijgen. Het betalen van de arbeidskracht onder zijn waarde en het veralgemenen van onderaanneming, neemt hier een belangrijke plaats in.

2o Door de rotatiesnelheid van het kapitaal te vergroten. Hoe sneller een kapitaal de productie en circulatiecyclus doorloopt, des te vaker kan het ingezet worden in eenzelfde tijdseenheid. De jaarlijkse winstvoet wordt dan met n rotaties:

w = m c + v = n m v c + v = n m v c + v

waarin de rotatiesnelheid (n), de uitbuitingsgraad (m’) en de inzet van constant kapitaal (% c) de bepalende factoren zijn.

Het produceren zonder stocks en het versnellen van de doorgangstijd hebben een versnellende werking op de kapitaalcyclus.

p. 99

3o Door besparingen op de aanwending van het constant kapitaal (c).

Daardoor vergroot het relatieve aandeel van het variabel kapitaal, de enige bron van meerwaarde. Bij de technologische vernieuwingen wordt bespaard op c door

— een rationelere omgang met de arbeidsmiddelen (natuur, machines, werktuigen) en arbeidsgrondstoffen;

— een langer inzetten van het vaste kapitaal per dag (machines, gebouwen) om meerwaarde voort te brengen; dus door de uitbreiding van de arbeidsdag tot 24 uur per dag (ploegenwerk, nachtarbeid).

Het produceren zonder stocks, de integrale kwaliteitszorg (minder verlies), de verkorte omsteltijden en de verlenging van de arbeidsdag, zorgen voor belangrijke besparingen op het constant kapitaal (het vaste en circulerende deel) en voor een grotere voortbrengst van meerwaarde. De gemiddelde winstvoet stijgt dus door een intensieve aanwending van de nieuwe technologie en vooral van de nieuwe organisatiemethodes. Dit lijkt in tegenstelling tot het feit dat alleen arbeidskracht nieuwe waarde voortbrengt. Nieuwe technologie vergroot in de regel het procent kapitaal dat geïnvesteerd wordt in ‘dood kapitaal’ (of het aandeel van het constant kapitaal tegenover het variabel kapitaal of de organische samenstelling van het kapitaal). Vermits alleen het ‘levend kapitaal’ nieuwe waarde voortbrengt, formuleerde Marx hieruit de wet van de tendens tot dalende winstvoet. (Zie 111 bis.) De nieuwe organisatiemethodes zijn op dit ogenblik de belangrijkste manier om die winstvoet terug op te krikken. Maar ze kunnen de historische tendens tot dalende winstvoet slechts tijdelijk ombuigen.

Ingewikkelder wordt het wanneer we het effect van de nieuwe technologie niet langer op algemeen maatschappelijk vlak (gemiddelde winstvoet), maar op vlak van de afzonderlijke sectoren en bedrijven bekijken. In bovenstaande formule vertrekken we ervan dat de geproduceerde meerwaarde gelijk is aan de gerealiseerde winst. Dit is zo op algemeen maatschappelijk vlak. Indien dit ook op het vlak van de individuele kapitalen zou gelden, dan zouden de kapitalen met de hoogste organische samenstelling de kleinste winsten realiseren. De reproductie van het kapitaal en van de verschillende sectoren vereist echter dat alle ingezette kapitalen onder voorwaarden van vrije concurrentie een gelijke winstvoet voortbrengen, onafhankelijk van hun organische samenstelling (een ongelijke winstvoet heeft een verplaatsing van kapitaal tot gevolg tot de winstvoet terug gelijk is). Dit betekent dat er een verschil is tussen de meerwaarde die voortgebracht wordt (vermits de kapitalen van ongelijke organische samenstelling zijn), en de p. 100meerwaarde die gerealiseerd wordt onder vorm van winst. Dit gebeurt omdat de waren niet verkocht worden overeenkomstig hun reële waarde, maar overeenkomstig de productieprijs. Tot hiertoe steunden we ons op de (onzichtbare) onderliggende waardewet en de corresponderende meerwaarde. De productieprijs is, in tegenstelling tot de waarde, een zichtbaar gegeven en wordt bepaald door de productiekost, vermeerderd met de gemiddelde winstvoet.

pp = c + v + w

De waardewet uit zich onder het kapitalisme in een andere vorm, namelijk als de wet van de productieprijs en de wet van de gemiddelde winstvoet. Tussen sectoren van ongelijke organische samenstelling heeft een overdracht van meerwaarde plaats. Bedrijven die hun productiekost per eenheid product kunnen drukken ónder de gemiddelde productiekost, eigenen zich een extra-meerwaarde toe. Daardoor ontstaat er een overdracht van geproduceerde meerwaarde van de minst productieve naar de meest productieve bedrijven.

De productiekost per eenheid is afhankelijk van de globale productiviteit van het geïnvesteerde kapitaal en van de globale voortbrengst die met inzet van eenzelfde som aan middelen (constant en variabel kapitaal) bereikt kan worden. Besparingen op constant en variabel kapitaal hebben een dubbele werking:

1o Ze drijven de globale productiviteit omhoog van alle maatschappelijk ingezette productiemiddelen (waardoor de gemiddelde waarde van de geproduceerde goederen daalt). 2o Ze bewerken een tijdelijke waardeoverdracht van de minst productieve naar de meest productieve kapitalisten, van de minst productieve naar de meest productieve sectoren.

De nieuwe productiemethodes werken zo een tijdelijk herstel of verhoging van de winstvoet (collectief en individueel) in de hand, maar kunnen de historische tendens tot daling van de winstvoet niet afwenden.

227.
De patronale tactiek: mét de vakbonden

Bij het mislukken van de eerste golf van ‘kwaliteitscirkels’ trekken de patroons als les dat het inkapselen van vakbondsleiders en délégués een absolute voorwaarde is om de nieuwe organen tot leven te brengen. Zij p. 101hebben ondervonden dat het systeem niet kan functioneren als de vakbondsvertegenwoordigers er dwars tegenin gaan. Een cruciaal punt is immers het wantrouwen tegenover patronale initiatieven te overwinnen. Met het gewoon aanstellen van kaders en ploegleiders als verantwoordelijken van teams en ‘cirkels’ bereikt men niet het beoogde doel, de medewerking van de arbeiders.

Die ‘syndicale associatie’ werd ook in andere landen de overheersende tactiek. Het uiteindelijke doel van het participatief management is het uitschakelen van de klassereflex en de syndicale strijd en dus de feitelijke ontmanteling van de syndicale macht. Maar het meest voordelig is de vrijwillige ontmanteling die bekomen wordt wanneer vakbondsleiders zelf aanhangers worden van het participatief management. In Japan stelt het probleem zich amper, vermits de patroons over eigen huisvakbonden beschikken. In Californië volgen heel wat hoogtechnologische bedrijven de tactiek van de antisyndicale confrontatie. Maar de meeste Amerikaanse patroons hebben begrepen dat die tactiek slechts tijdelijk kan lukken. Het GM Saturnus-project is het nieuwe patronale model. Vakbondsleiders zijn vanaf het begin mee betrokken in het bedrijfsconcept, zijn tot op de hoogste niveaus vertegenwoordigd, werken loyaal mee om het bedrijf competitief te maken tegenover de Japanse concurrenten. Zij hebben hun oude syndicale structuren ontmanteld, sluiten alleen specifieke bedrijfsakkoorden, hebben hun basisvertegenwoordigers ingeschakeld als productieleiders en doen zelf dienst als aanwervingsbureau waarbij de toewijding aan de Saturnus-filosofie als criterium geldt. Hetzelfde medebeheer-model werd in 1989-1990 in een aangepaste vorm opgestart in General Motors in Antwerpen. Het plan werd in het geheim bedisseld door een ‘oriëntatiegroep’ met topmanagers en met de vijf lokale vakbondssecretarissen. Met de ‘Nieuwe Aanpak’ worden op elk niveau van het management vakbondsafgevaardigden ingeschakeld: provinciale secretarissen op topniveau, hoofddélégués en secretarissen in de beleidsraad; verantwoordelijken van de vakbondsafgevaardigden in het middenkader; délégués telkens naast de sectiehoofden als teamverantwoordelijken. (Zie 227 bis.)

Het participatief management volgt een strategie. Men bouwt geduldig in de richting van het huissyndicaat, streeft intensieve samenwerking met lokale vakbondsverantwoordelijken voor het ‘welzijn’ van het bedrijf en de ‘lokale werkgelegenheid’ na. Men is hierbij verstandig genoeg om niet te raken aan de ‘wettelijke’ organen (Ondernemingsraad en Comité Veiligheid) om de vakbondsleiding niet te provoceren. Men laat ze gewoon verschrompelen in hun eigen onmacht, terwijl de organen van medebeheer steeds meer gewicht krijgen.

Tegelijk is er een offensief naar alle arbeiders toe voor het aankweken van een ‘bedrijfscultuur’. Meer en meer wordt er bij de aanwervingen de nadruk gelegd op het belang van ‘de goede mentaliteit’. Bij het opstarten van Nissan in Engeland werden 25 000 sollicitanten opgeroepen waaruit er 1 500 werden geselecteerd. Passen in de bedrijfscultuur is belangrijker dan kennis, voor de kennis zorgt het bedrijf zelf wel.

p. 102

227 bis.
Het medebeheer bij General Motors — Antwerpen

Het protocol dat midden 1989 door GM-directie en vakbondsleiders werd ondertekend kadert volgens de betrokkenen in de strijd voor het marktaandeel in Europa die in de komende jaren zal uitgevochten worden met de Japanse concurrentie. “De vakbonden die op General Motors Continental de werknemers vertegenwoordigen, hebben er zich toe verbonden door intensieve samenwerking tussen directie en vakbonden het bedrijf in deze strijd te ondersteunen”, zo stelt het protocol.

Daartoe werd volgende medebeheer-structuur opgezet:

GMC — CMB — CCMB — ACLVB — LBC — BBTK
Management-vakbonden intensieve samenwerking
Samenstelling Verantwoordelijkheid
Stuurcomité Top management + vijf vakbondssecretarissen (Provinciaal) langetermijnplanning en algemene politiek

Beleidsraad Management + vijf hoofdafgevaardigden syndicale afvaardiging + vakbondssecretarissen Middellange en korte termijnplanning en politiek

Verantwoordelijken operationele bedrijfs­eenheden carrosserie, verfspuiterij, assemblage Bedrijfseenheid manager + twee bedrijfs­eenheids­verantwoordelijken syndicale afvaardiging + een afgevaardigde arbeidsverhoudingen Coördinatie dag-aan-dag operatie zelfstandige bedrijfseenheid — drie teams

Team­verantwoordelijken A, B, C team Superintendenten, sectiehoofden + afgevaardigde ONR-CVGV syndicale afvaardiging Dag-aan-dag operatie zelfstandige bedrijfseenheid — een team

Onder voogdij van deze medebeheer-structuur werd begin 1991 een nieuwe kwalitatieve stap gezet in de georganiseerde klassensamenwerking. Steeds naar Japans model wordt een nieuwe methode uitgetest om de bedrijfsgeest aan te wakkeren. “Het proces van voortdurende verbetering” genaamd. (In Japan heet het kaizen.) Indien ideologische beïnvloeding en indoctrinatie alleen niet werkt, dan zijn er nog altijd materiële stimulansen mogelijk. Het systeem vertrekt van drie uren opleiding in “voortdurende verbetering”, verzorgd door een specialist of “champion”. Op het einde van de opleiding beslissen de deelnemers om een proces van voortdurende verbetering (V.V.) in gang te zetten door het afsluiten van een contract, ondertekend door diegenen die eraan meewerken. Probeer hier maar als individu langs de lijn te blijven staan! “Wanneer het proces van V.V. resulteert in meetbare besparingen, mogen de medewerkers een verbeteringsvoorstel indienen via een erkenningssysteem”. p. 103Na een kosten-batenanalyse kan de verbetering ‘erkend’ worden en dan hebben de ondertekende medewerkers recht op 10 % van de besparing (de patroon 90 %!) Wordt 4 500 000 Belgische frank bespaard dan heeft het team recht op 450 000 Belgische frank die als volgt verdeeld worden:

Het proces van voortdurende verbetering
Erkenning voor bereikte resultaten
Premieverdeling Deel-
nemers
Delen Totale
nettopremie
(BEF)
Individuele
nettopremie
(BEF)
Betrokken medewerkers 18 36 330 624 18 368
Over te plaatsen medewerkers 3 9 82 656 27 552
Sectiehoofden 3 3 27 552 9 184
Ondersteunende medewerkers 1 1 9 184 9 184
Totaal 25 49 450 016

Dat het hierbij vooral gaat over het liquideren van werkplaatsen is in het systeem ingerekend. Een procedure voor de keuze van de “over te plaatsen werknemer” is opgesteld, waarbij vrijwilligers de voorrang krijgen, of desnoods diegenen met de laagste anciënniteit worden aangeduid. De overgeplaatste krijgt “onvoorwaardelijk, in tijd ongelimiteerde loonbescherming”. Het bedrijf zal wel andere mogelijkheden uitdenken om overtollige werkkrachten te doen afvloeien, door niet vervanging van het spontane verloop bijv. Iedereen wordt op die manier aangespoord — en financieel vergoed — om de personeelssterkte af te slanken, om werkplaatsen te vernietigen.

23.
Vakbond en nieuwe technologie

231.
‘We kunnen de vooruitgang niet tegenhouden’

Kunnen we hoe dan ook tegen de technologische evolutie ingaan? Dit is de eerste opwerping die menig strijdbaar vakbondsmilitant voor de voeten geworpen wordt. Doorwinterde verdedigers van de klassensamenwerking zullen zelfs voorhouden dat ‘Marx toch ook voor de ontwikkeling van de productiekrachten’ was …

Marx heeft nooit nagelaten te onderstrepen dat de productieverhoudingen bepalend zijn voor de aanwending van de technologie. Met andere woorden: de technologie is geen fetisj, geen ‘neutraal’ gegeven zonder p. 104klasse-inhoud. Marx sprak niet in de figuurlijke maar in de letterlijke zin over de verlaging van menselijke wezens tot aanhangsels van de machines en tot slaven van de kapitaalbezitters. Ogenschijnlijk gaat het patronaat niets anders doen dan meer ‘rationele’ principes toepassen, meer materialistisch te werk gaan (steunend op betere metingen, kennis, analyse van de tekortkomingen). De mythe wordt geschapen dat dit een onontkoombare wet van de vooruitgang is. Waarbij het motief van de productie, de maximumwinst, zoveel mogelijk verdoezeld wordt.

Op het laatste CMB-congres maakten de rapporteurs volgende opmerkingen over de nieuwe productiemethodes: “Als wij ons in het kader van het historisch materialisme plaatsen, zouden we het kunnen ontleden als een wijziging in de productieverhoudingen, opgelegd door de niet te vermijden en — door het kapitalistisch stelsel — niet beheerste evolutie van de productiemiddelen. […] Heeft de geschiedenis ons niet geleerd dat de ontwikkeling van de productiemiddelen slechts mogelijk is indien, tegelijkertijd, de productieverhoudingen gewijzigd worden? […] Vanaf het moment dat de productieverhoudingen een hinderpaal vormen voor de ontwikkeling van de productiemiddelen, moeten zij, voor de overleving van het systeem, gewijzigd worden. Tegenover deze noodzaak tot aanpassing, is het participatief management een minimalistische benadering in het zoeken naar oplossingen die het overheersende economische systeem niet radicaal in vraag stellen.”9 Dit is een correcte inschatting van de ‘nieuwe productieverhoudingen’: een noodgedwongen aanpassing om de essentie van het systeem te vrijwaren. Er is dus geen enkele reden waarom de arbeidersbeweging zich weerloos zou neerleggen bij een ‘vooruitgang’ die enkel gedicteerd wordt door de patronale noden en waarvan de arbeiders het gelag betalen. Elke klassenstrijd houdt in mindere of meerdere mate de patronale ‘vooruitgang’ tegen. De arbeidersklasse vecht niet tegen vooruitgang, maar verzet zich tegen de tol van die vooruitgang, die binnen de kapitalistische productieverhoudingen steeds door de werkers betaald wordt. En het probleem is dat de meeste vakbondsleiders die komen aandragen met de ‘onvermijdelijkheid van de vooruitgang’ zich zodanig laten inpakken door de patronale logica en door de kapitalistische wetten van de concurrentie dat zij de arbeidersbelangen offeren op het altaar van de winst.

232.
Een uitweg uit de crisis?

Vele vakbondsleiders zijn er rotsvast van overtuigd dat de nieuwe technologie de enige uitweg is uit het moeras van crisis en werkloosheid. Een analyse van de syndicale teksten en standpunten levert twee argumenten voor dit geloof, beide ontleend aan de patronale opiniemakers.

1o Vooreerst is er de ‘vulgaire versie’, die zonder meer het hoofdargument in het patronale betoog, de concurrentiekracht, tot het zijne maakt. Het managerssyndicalisme kijkt niet verder dan dit patronale concurrentiekader en verwacht alle heil van het verslaan van de concurrenten. ‘Ons’ p. 105patronaat mag de trein niet missen. Deze syndicale ‘managers’ willen de patroons voorbijsteken op hun eigen terrein en toezien of er wel genoeg en tijdig gerationaliseerd wordt.

2o Sommigen proberen deze uitgangspositie wat steviger te onderbouwen en verwijzen naar de theorieën van Schumpeter. Volgens deze burgerlijke economist worden de structurele crisissen van het kapitalisme enkel veroorzaakt door ‘uitputting’ van de technologische evolutie. De nieuwe technologische revolutie zou aldus de basis vormen voor een nieuwe lange periode van hoge groei. Voor sommige vakbondsleiders is het perspectief dan ook zeer eenvoudig: samen met het (‘dynamische’) patronaat de nieuwe technologie bespoedigen. Helpen saneren, verouderde industrieën afbouwen en alle staatsmiddelen naar de spitstechnologie draineren. In 1983, op een dieptepunt van de crisis, kon men op het CMB-congres van Charleroi volgende redenering lezen10:

“Stellen dat het kapitalisme crisis voortbrengt helpt ons niets vooruit. We moeten a-priori’s en gescleroseerde denkbeelden overboord gooien en met nieuwe blik de toekomst onderzoeken. De crisis komt voort uit een ineenstorting van de productiviteitswinst. Dit is het gevolg van de uitputting van de technologie. Schumpeter toonde aan dat de grote golven van het kapitalisme gelijklopen met de innovatiegolven (pakketten nieuwe technologie). Aangezien de investeringen zeer hoog zijn in deze sectoren, riskeert de huidige golf aan onze neus voorbij te gaan als de Waalse regio niet alles op alles zet om de nieuwe technologie te lanceren. Daarom moet Charleroi een attractieve investeringspool worden. Vroeger waren stakingen nodig omdat de arbeiders 12 uur per dag werkten. Het werk onderbreken was de enige manier om te kunnen militeren, om problemen te bespreken. Vandaag, met werkdagen van soms zes uur gaat dat argument niet meer op. Staken speelt vaak in de kaart van het patronaat dat met overproductie wordt geconfronteerd. Bovendien worden stakingen dikwijls door de pers toegeschreven aan anarchisten, gauchisten met grote messen. De vakbeweging moet daarom zeer voorzichtig zijn in het hanteren van het stakingswapen.”

De hooggeleerde theorie laat geen enkele twijfel over de inzet van het debat: het moet gedaan zijn met de klassenstrijd. Alles moet wijken voor de nieuwe technologie.

In Luik en in Charleroi zetelen zowel ACV- als ABVV-leiders in plaatselijke organen van klassensamenwerking, verenigd rond bovenstaande visies. In Luik heet dat de ‘Groupe Japon’, in Charleroi de ‘CAAEC’. Begin 1988 werd in Wallonië in acht economische sectoren een ‘Concertation stratégique’ opgestart. De werkgroepen zoeken gezamenlijk naar nieuwe pistes voor de bedrijven. Bedoeling is de “syndicale beweging en het geheel van haar délégués naar het economische vlak te trekken en ze op dat vlak een rol van analist en acteur te doen spelen”11

Ook in Vlaanderen en Brussel is de nieuwe technologie het bindmiddel p. 106voor de ‘nieuwe klassensamenwerking’. De Sociaal-Economische Raden, de Stichting Technologie Vlaanderen en de Reconversiemaatschappijen vervullen er een gelijkaardige rol, beheerd door patroons en vakbondsleiders samen.

Sommige vakbondsleiders zijn permanent in de weer alsof zij zaakgelastigden of handelsreizigers zijn van het patronaat. Dit ‘managerssyndicalisme’ ondermijnt de bestaansreden zelf van de vakbond. Behalve het feit dat het patronaat een aantal onbetaalde werkkrachten bij heeft lost het maar weinig van de problemen op die men beweert aan te pakken.

Werkgelegenheid? Ofwel helpt men nieuwe bedrijven te creëren in de spitstechnologie en dan gaat het meestal om zeer kapitaalsintensieve bedrijven met zeer weinig werkkrachten. Ofwel helpt men bestaande bedrijven om te schakelen naar hoogtechnologische productiemethodes en dan betaalt men met rationalisaties, hogere uitbuiting en meestal verlies van werkplaatsen. (Dit wordt goed aangetoond door het voorbeeld van Caterpillar, zie 226.) Bovendien betaalt men een prijs voor de klassensamenwerking, namelijk de vernietiging van de autonomie van de vakbond.

De crisis oplossen? Het is uiterst naïef te geloven dat men bijdraagt tot de oplossing van de acute crisisproblemen door de patroons ter wille te zijn. Een oplossing voor de crisis betekent trouwens helemaal niet hetzelfde voor de patroons als voor de arbeiders. Voor de patroon is de crisis opgelost als hij zijn winst heeft hersteld en zijn concurrenten eronder heeft gewalst. Als men al aan iets bijdraagt, dan is het aan de concurrentieoorlog en aan de verdeling van de arbeiders. Wat eruit volgt is een veel productiever productieapparaat dat nog scherper zal botsen op de grenzen van de koopkracht van de werkers. Met een nieuwe, scherpere crisis van overproductie tot gevolg Kortom die hoogtechnologische klassensamenwerking brengt niets op en is uiterst vernietigend voor de vakbond.

233.
Het einde van het taylorisme?

De nieuwe productiemethodes zijn veel menselijker dan het taylorisme, luidt een van de argumenten die tot inschikkelijkheid aansporen. Waarbij men ervan uitgaat dat het monotone bandwerk zal wijken voor meer zinvolle arbeid.

Sommige vakbondsleiders aarzelen dan ook niet om de nieuwe productiemethodes als een bevrijding van het gehate taylorisme voor te stellen. “Een van de niet onaanzienlijke gevolgen van de invoering van het participatief management is ongetwijfeld de verdwijning van de beheers- en productiemethode die door de vakbonden zeer sterk op de korrel werden genomen: het taylorisme.”12 Zo gesteld, komt men tot volledig verkeerde conclusies, zoals deze: “De verdwijning van het taylorisme gaat er ons dus toe verplichten, in de loop van de komende jaren, onze actieschema’s te herzien.” (id.) Het klinkt al vreemd te vernemen dat de vakbondsleiding het taylorisme sterk op de korrel heeft genomen (was de ‘productiviteitsverklaring’ p. 107niet precies het tegenovergestelde?), maar wat mogen die ‘nieuwe actieschema’s’ ons nog voorbehouden? Een grondige analyse van de flexibele productie toont aan dat het eerder een verdere en verfijndere ontwikkeling van het taylorisme en het fordisme is.

1o Zoals het taylorisme de complexe arbeid opdeelt in eenvoudige bewegingsonderdelen, zo wordt door de informatisering de intellectuele besturing van de productie opgedeeld in eenvoudige controlefuncties. Dit maakt de besturing veel productiever en het maakt het mogelijk om ze door een veel minder gekwalificeerd personeel te laten uitvoeren. Dit heeft vooral ingrijpende gevolgen in de dienstensector, in de handels- en financiële sector. De informatica ontneemt aan de activiteiten van de intellectuele werker zijn individueel en ‘creatief’ karakter, leidt tot dekwalificering voor een grote groep en tot verlies van arbeidsplaatsen. Intellectuele arbeid wordt herleid tot routineoperaties die door de computer overgenomen worden.

2o Er wordt gedeeltelijk teruggekomen op de scheiding van intellectuele en manuele arbeid. Dit is wellicht de belangrijkste breuk met het taylorisme. Hoe complexer het productieproces werd, hoe zwaarder het bureaucratische hoofd ging wegen. Het beheer van die complexiteit van bovenaf kon zelfs met de grootste technologische wonderen niet bevredigend opgelost worden. “De technocratische praktijken hebben als gevolg gehad dat de bedrijven afgesneden waren van de immense voorraad aan creativiteit die verborgen zit in de mensen die dagelijks in contact staan met de realiteit van de productie.”13 Daarom mikt elk programma van participatief management op vier punten: de vindingrijkheid van de arbeider, zijn creativiteit, zijn vakkennis en zijn ervaring. Tot hun schade en schande hebben de kapitalisten ondervonden dat niemand het productieproces beter kent dan de arbeiders. En die kennis wordt in het tayloristische model niet benut. De technocratische oplossing wordt daarom vervangen door een beroep op de volledige inzet, door een ideologisch offensief om de geesten van de arbeiders te winnen.

Maar zoals blijkt uit de beschrijving van de management by stress methode (zie 223) moet deze ‘breuk’ met het taylorisme tegelijk gerelativeerd worden. Het is een hersenspinsel dat bij teamwerk en just-in-time productie de arbeiders hun creativiteit bot kunnen vieren. Het doel is en blijft dat van het taylorisme: zo snel en zo goedkoop mogelijk produceren. Daarvoor heeft het patronaat vooral behoefte aan creatieve tussenkomst van de werkers om problemen op te sporen en op te lossen, om de keten zo strak mogelijk gespannen te krijgen. Die ‘kennis’ wordt hierbij in gedetailleerde, uniforme schema’s gegoten zodat uiteindelijk de doorgangstijd praktisch gelijk is aan de benodigde werktijd. De arbeiders worden georganiseerd opdat ze zelf de tijd- en kostenbesparende ideeën zouden aanbrengen, om een soort super-taylorisme te ontwerpen. Elke kleine verbetering wordt ingebouwd in het raderwerk dat steeds sneller gaat draaien. Als IBM een reclamecampagne voert met een opgetogen p. 108Charlie Chaplin om de illusie te scheppen dat het afstompende handwerk van ‘Modern Times’ definitief tot het verleden behoort, dan is dit een magistrale manipulatie.

3o ‘Big brother is watching you’. Orwell voorspelde in zijn boek 1984 gestroomlijnde ateliers waarin alle verrichtingen door een alziend oog worden gecontroleerd. De Orwell-voorspelling is waar geworden. De informatisering laat een zeer precieze controle toe op de uitgevoerde arbeid (kwaliteits- en snelheidscontrole) en op de individuele prestaties. De controle laat toe om op elk moment de prestatie van de werkers te beoordelen en hen onder druk te zetten. De controle door atelierchefs en bureauchefs, ploegbazen en meestergasten is vervangen door elektronische controle. Het opent de baan voor (her-)invoeren van individuele prestatielonen, van geïndividualiseerde winstpremies, van puntensystemen met verdienstenpremies, enz. In plaats van zinvoller, minder afstompend werk te scheppen, maakt de informatisering de werker tot een slaaf van het computerprogramma. Ingenieuze systemen van ‘zelfcontrole’ en wederzijdse controle moeten de indruk geven dat het allemaal op vrijwillige basis gebeurt.

4o Een van de ontwerpers van het ‘Toyota-systeem’, Taiichi Ohno, legt in zijn boek uit hoe hij nauwkeurig voortbouwde op de ideeën van Henry Ford om het ‘toyotisme’ uit te denken.14 Hij heeft Ford niet alleen overtroffen in productiviteit, maar ook in het belasten van de arbeid. Permanent fysische en geestelijke stress is het hoofdkenmerk van de nieuwe werksystemen. Onderzoeken in Japan laten weinig illusies over het ‘humane’ karakter van de werkvoorwaarden. Een vervelend probleem waarmee de Japanse regering worstelt is de karōshi, dood door overbelasting en stress op het werk. Een groot verschil met het handwerk is dat een permanente geestelijke inspanning gevraagd wordt: men is zelf verantwoordelijk voor fouten, onderbrekingen en herstellingen. “De productieman aan de band was opgelucht bij panne, hij kon uitblazen. Dezelfde man vandaag loopt de band af om die opnieuw gestart te krijgen. De opluchting is omgezet in overspanning. De dwang zit in het hoofd, iedereen moet een superman zijn …”15

234.
De doorbraak naar ‘zelfbeheer’?

Het fordisme wordt door sommigen vereenzelvigd met een pact ‘productiviteit — hoge lonen’. Vanzelfsprekend leiden de nieuwe productiemethodes tot allerlei speculaties over een ‘nieuw sociaal pact’. Dit keer zou niets minder dan de ‘democratisering van de onderneming’ op het prijskaartje staan. Niets minder dan de honderd jaar oude droom van het reformisme: de deling van de macht in de onderneming, de realisatie van de ‘economische democratie’. Voor deze dagdromers is het participatief management noch min noch meer een tegemoetkoming van het patronaat aan de eis tot democratisering. Er zou weliswaar nog een bittere strijd p. 109aan de gang zijn binnen het patronaat tussen voor- en tegenstanders van deze historische toegeving, maar de overwinning zou in zicht zijn. Dit is duidelijk de richting waarin de sociaaldemocratie denkt.16 Voor hen is het participatief management een verovering op het patronaat! Dit is ook de geest waarin het laatste ACV-congres spreekt over het participatief management. “Die initiatieven (PM, n.v.d.r.) komen in grote trekken overeen met de voorstellen tot werkoverleg die het ACV in 1971 deed: gedeeltelijk autonoom werkende kleine groepen die zelf het werk organiseren, zelf herstellingen doen, zelf de resultaten controleren en taakwisseling inbouwen. Zo’n werkoverleg zou goed zijn voor de taakverrijking en meer menselijke gezagsverhoudingen en als leerschool voor verdere democratisering van de onderneming”.17

De referentie naar 1971 verwijst naar het zelfbeheer-model dat toen door het ACV werd aangenomen. De ‘democratisering’ zou bereikt worden op drie niveaus: werkoverleg, werknemersraad en raad van toezicht. Hieruit blijkt eens te meer dat de eigenlijke referentie het medebeheer-model blijft. De ACV-leiding heeft nooit de hoop opgegeven een klassenverzoening tussen kapitaal en arbeid tot stand te brengen door samenwerking en ‘deling van de macht’ in de economie. Deze droom heette in de jaren 30 het corporatisme, heette na de oorlog het medebeheer, heette in de jaren 70 het ‘zelfbeheer van alle producenten’ en heet nu het participatief management. Zo belandt het patronaat nog op de voorposten van de strijd voor economische democratie … met Toyota en General Motors als baanbrekers!

Binnen het ABVV lijkt op zijn minst meer betwisting ten gronde, van het participatief management te leven. Zo kan men in het CMB-rapport van maart 1990 een duidelijke waarschuwing vinden tegen de valstrik die door het patronaat gespannen wordt. De schijn van ‘democratie’ wordt in vier punten weerlegd:

1o Het PM verandert de natuur van het economisch systeem niet: “De onderneming blijft nog altijd de plaats van uitbuiting waar de werknemers uitgesloten blijven uit de echte economische en strategische keuzen.” (P. 41.)

2o Het PM is een aanval op de vakbond: “De vrees dat het PM gebruikt wordt als een wapen tegen de vakbond wordt in onze organisatie zeer sterk aangevoeld.” (P. 35.)

3o Het doel van het PM is het scheppen van een ondernemingsgeest: “Schuilt hier niet het ergste gevaar voor de doelmatige organisatie van de werknemers? Betekent het niet het einde van elke sectoriële of interprofessionele actie?” (P. 35.)

4o Het PM is bedrog: “Wij willen noch de kruimels van de macht, noch de verantwoordelijkheden dragen, waarbij wij slechts van zeer ver zouden betrokken zijn.” (P. 36.)

Op de praktische opstelling die hieruit volgt, komen we direct terug, maar niet alle analyses zijn op zijn minst even radicaal. Het document voor het Buitengewoon ABVV-congres van 23-24 november 1990 is al p. 110veel vager en voorzichtiger en zal zeker de vakbondsverantwoordelijken niet meer voor het hoofd stoten die zich ondertussen hals over kop in het participatief management hebben gestort. En die zijn er. Was het thema van het Vlaams ABVV-congres in april 1990 soms niet ‘Voorsprong nemen’, letterlijk het patronaat ‘voor zijn‘? Die voorsprong hebben in elk geval al de regionale metaal- en bediendesecretarissen van Antwerpen genomen, die al in oktober 1989 het afsluiten van een integraal medebeheerakkoord met General Motors op een feestdis hebben bezegeld. Zoals heel vaak in de vakbonden, past het programma zich snel aan bij de praktijk, in plaats van omgekeerd.

235.
De wettelijke overlegorganen en de syndicale delegatie in het gedrang

Het patronaat doet soms beroep op de vakbondsafgevaardigden om gezag te geven aan de ‘nieuwe overlegvormen’, maar tegelijk zijn die een regelrechte bedreiging voor de autonome strijdfunctie van de syndicale delegatie. De délégués worden ingekapseld in organen die van nature een corporatistische oriëntatie hebben: allen samen voor het algemeen belang. Daardoor wordt ook het werk in de wettelijke overlegorganen (Ondernemingsraad, Comité Veiligheid) uitgehold. Alle recente vakbondscongressen onderkennen het gevaar en onderstrepen dat het bestaande wettelijke en conventionele kader moet gerespecteerd en zelfs versterkt worden. Het ACV stelt als voorwaarde voor de medewerking dat de plaats van de vakbond in de onderneming ten volle wordt gegarandeerd. Het ABVV spreekt over een versterking van de arbeiderscontrole als ‘tegengewicht tegen de ideeën, verspreid door het PM’. Maar is dat voldoende? Zoals we hebben aangetoond zal het patronaat er zich voor hoeden om een openlijke aanval op de wettelijke organen te lanceren. In de meeste ondernemingen probeert het patronaat de twee vormen van ‘overleg’ naast mekaar te laten bestaan. Door een antisyndicaal apparaat op te bouwen naast de ondernemingsraad en het comité veiligheid kan de rol ervan steeds meer gemarginaliseerd worden. Het gevolg laat zich raden: in Japan stappen nog 7 % van de arbeiders met hun problemen naar de délégués.18 In Frankrijk worden de meer dan 40 000 bestaande kwaliteitscirkels intensief gebruikt om het strijdbare CGT te kortwieken en de syndicalisatiegraad nog te verminderen. Op General Motors, een bedrijf van 12 000 werkers, duurt de ondernemingsraad doorgaans een kwartier. Het patronaat wil gerust wat ‘arbeiderscontrole’ dulden in de wettelijke organen, als er ondertussen ‘medebeheer’ wordt toegepast in de niet-wettelijke organen. Wat kan er trouwens van ‘arbeiderscontrole’ terechtkomen als de syndicale delegatie haar onafhankelijke positie moet opgeven om mee te werken aan het organiseren van de productie?

Het nationaal ABVV-congres van november 1990 stelt terecht dat totalitaire ‘bedrijfsculturen’ de kiemen zaaien van een totalitaire maatschappij (p. 75) en dat tegenover de ‘bedrijfscultuur’ de ‘syndicale cultuur’ gevrijwaard p. 111moet worden. De versterking van de syndicale delegatie en de vakbondsrol op ondernemingsvlak gebeurt ons inziens precies in de strijd tegen de patronale structuren. De syndicale delegatie is de enige vertegenwoordiger van de werkers tegenover het patronaat. Zij beschikt over de Ondernemingsraad en het Comité veiligheid waar zij informatie moet krijgen van het patronaat en waar zij problemen in verband met arbeidsorganisatie, werkregeling, sociale planning en veiligheid kan bespreken. Zij kan zich beroepen op een wetgeving in verband met de invoering van nieuwe technologie, die weliswaar zeer onvoldoende is, maar veel te weinig gebruikt wordt om informatie af te dwingen. (Zie 235 bis.) Zij kan haar autoriteit vergroten door zich strijdbaar op te stellen in de verdediging van werk, loon en goede werkomstandigheden. Verder is het antwoord op de patronale initiatieven inderdaad: “Een open syndicale communicatie met de werknemers ontwikkelen. Ook wij moeten de afstand vakbond-lid zo kort mogelijk maken. Leden en militanten moeten maximale inspraak krijgen in de vakbondswerking. Ook wij moeten de creativiteit van de militanten en de leden maximaal stimuleren.”19

235 bis.
Wetgeving en controle op de invoering van nieuwe technologie

CAO 9 (1972)

Beleid inzake werkgelegenheid en personeelsbeleid.

Deze algemene cao bepaalt welke jaarlijkse, trimestriële en occasionele inlichtingen verstrekt moeten worden aan de ondernemingsraad inzake werkgelegenheid, structuur van de tewerkstellingen en voorziene wijzigingen. Deze cao “heeft tot doel de werknemers nauwer te betrekken bij het leven van de onderneming en bij het op de toekomst gericht beleid inzake werkgelegenheid, ten einde een beter klimaat tussen werkgevers en werknemers te scheppen.”

KB van 27-11-1973

De verplichting om economische en financiële informatie aan de werknemers voor te leggen en te verantwoorden in de Ondernemingsraad. Deze algemene informatieplicht geldt dus in feite ook voor de nieuwe technologie.

KB (1974)

Het Voorkomingsbesluit (ARAB). De verplichte aanpassing van de machines, werktuigen en apparaten aan de werknemers, om zo ongevallen, ziekte en klachten te voorkomen.

CAO 39 (1983)

Het Technologieakkoord is van toepassing op alle ondernemingen met meer dan 50 werknemers (uitgezonderd overheidsdiensten). Het voorziet in informatie- en overlegrecht wanneer nieuwe technologie ingevoerd wordt als die ‘belangrijke p. 112collectieve gevolgen’ met zich meebrengt. Dit houdt in dat minstens 50 % en tien werknemers, behorende tot één beroepscategorie, sociale gevolgen bij de introductie moeten ondergaan. Sociale gevolgen zijn mutaties, ontslag en gewijzigde arbeidsvoorwaarden.

CAO 39 bepaalt dat de werkgever in dat geval, uiterlijk drie maanden voor het begin van de inplanting van de nieuwe technologie, schriftelijk informatie dient te verschaffen. Die moet gaan over de economische, financiële of technische factoren die de invoering verantwoorden, over de aard van de sociale gevolgen en over de planning met betrekking tot de invoering van de nieuwe technologie. De gevolgen voor de werkorganisatie, de arbeidsvoorwaarden, de vakbekwaamheid en de omscholingsmaatregelen zijn hierin begrepen.

Uit een onderzoek naar het gebruik van CAO 39 blijkt voor de periode 1983-1988 dat van de 315 bedrijven waarin CAO 39 toepasselijk was, in 22,5 % van de gevallen geen enkele informatie gegeven werd, alhoewel dit wettelijk verplicht is.1 De patroons zijn duidelijk minder inschikkelijk tegenover de syndicale delegatie en de ondernemingsraad dan tegenover de kwaliteitscirkels.

1.
M. Albertijn, B. Hancké, D. Wijgaerts, “Het Belgisch technologieakkoord CAO 39”, Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, jaargang 4, 1988/3. M. Albertijn, L. Baisier, D. Wijgaerts, “Niet-institutioneel overleg in Vlaanderen”, STV-informatiedossier, februari 1990.

236.
De positieve flexibiliteit en de positieve kwaliteitszorg

Zodra het duidelijk werd dat de flexibele werkorganisatie en arbeidstijden een hoofdstrategie was geworden van het patronaat, hebben sommigen zich vooral ingezet ‘om de patronale eisen ten goede te keren’. De redenering is aanlokkelijk: “Het patronaat wil flexibiliteit? Oké, laat ons praten over flexibiliteit maar dan over goede flexibiliteit, namelijk deze in het voordeel van de werkers.” Deze aanpak werd onder meer verdedigd door de werkgroep Polekar20 en snel overgenomen in de ACV-teksten. “Laten wij werkgeversflexibiliteit opeisen,” stelt het laatste ACV-congres (april 1990): “Ruimte maken voor tijdschema’s die beter aan de individuele werknemersvoorkeuren beantwoorden: glijdende werktijden, vrijwillige deeltijdse arbeid, vrije opname van verlof en inhaalrust, loopbaanonderbreking, uitgroeibanen, vierdaagse werkweek, flexibele arbeidsduur naar voorkeur, flexibele pensionering …” (P. 24.) Het CMB-congres (maart 1990) is voorzichtiger en stelt voorwaarden voor een dergelijk ‘syndicaal geïnspireerd flexibiliteitsoffensief: dat eerst de werkloosheid wordt verkleind, dat algemene akkoorden hierover worden afgesloten die geen ruimte laten p. 113voor patronale willekeur (gedwongen ‘vrijheid’) en dat de collectieve werkersbelangen hierdoor niet in het gedrang worden gebracht. (P. 47.) Daarmee werden de drie grote gevaren van een dergelijke tactiek correct aangeduid, maar ons inziens niet resoluut bezworen. Het is niet verboden om te dromen, als men maar tijdig beseft dat men in een klassenmaatschappij leeft. De patroon is baas en weet waar hij naar toe wil. Hij speelt in op de aantrekkingskracht van de ‘individuele keuze’ en probeert op die manier bressen te slaan in het afwijzingsfront. De individuele keuze zal zich hoe dan ook beperken tot wat het patronaat wil aanbieden. Het recht op ‘vrije vakantie’ wordt een afschaffing van het collectief verlof en een verplichting om het verlof op eender welk moment te nemen. De individuele vrijheid keert zich onvermijdelijk tegen de collectieve rechten. Deeltijdse arbeid bijvoorbeeld is hét patronale middel om de arbeidsduurverkorting met loonbehoud te counteren. Het recht op deeltijdse contracten wordt het recht voor de patroons om allen nog dit soort contracten aan te bieden (grootwarenhuizen bijv.).

Dit kan helemaal niet in de hand worden gehouden door een kader-cao, zoals het ACV voorstelt (naar analogie met CAO 42). De vakbond wordt machteloos omdat alles versnipperd wordt in onderhandelingen per bedrijf, in individuele keuzes. Men laat op die manier het individualisme en de ‘ieder voor zich’ mentaliteit vrij woekeren en ondermijnt de bestaansreden zelf van de vakbonden. Het ‘syndicale offensief draait volledig in het voordeel van het patronaat uit. Een gelijkaardige ervaring werd al opgedaan met de ‘offensieve inlevering’ die in dezelfde hoek werd uitgewerkt begin de jaren 80. De redenering was dezelfde: als het patronaat inlevering wil, laten we er dan tenminste werkgelegenheid aan koppelen. Arbeidsduurvermindering met loonverlies was dé oplossing. De idee werd een regeringsplan (de 5-3-3 operatie), het werd dus een ‘algemeen bindend akkoord’. Er werd inderdaad 3 % ingeleverd maar er kwamen geen 3 % arbeidsplaatsen. Elke patroon wist te melden dat hij door inlevering het verlies van arbeidsplaatsen had verminderd. Het eerste en beste antwoord op een patronaal offensief is nog altijd een klaar en vastberaden ‘neen’. Of zoals prof. Mateo Alaluf het uitdrukt. “Tegenover de patronale flexibiliteit moet de rigiditeit van het arbeidsreglement en de syndicale rechten worden geplaatst.”21 Daarnaast moeten collectieve eisen worden gesteld die voordelen bieden aan iedereen en de hele arbeidersklasse, privé en openbaar, werkend of werkloos, arbeiders en bedienden kunnen verenigen in een reëel tegenoffensief: zoals 32-urenweek met loonbehoud en aanwervingen. (Zie 236 bis.)

p. 114

236 bis.
Opiniepeiling over flexibiliteit

Zijn de werknemers zelf vragende partij inzake flexibiliteit? Patronale — en zelfs sommige syndicale — vertegenwoordigers antwoorden daar nogal gemakkelijk instemmend op. Maar hoe staan de zaken er in werkelijkheid voor? Het weekblad Solidair vroeg in de maanden maart tot mei 1990 de mening van 2535 werknemers (arbeiders en bedienden, mannen en vrouwen) uit uiteenlopende sectoren en uit de drie landstreken.1

Persoonlijke voorkeur

In een eerste reeks vragen werd gepeild naar de persoonlijke voorkeur van de ondervraagden. Waarvoor zou je kiezen indien je volledig vrij was? De resultaten zijn ronduit onthullend. Zo kiest 89 % van de ondervraagden voor werken tussen maandag en vrijdag, 8 % voor afwisselend werken in de week en tijdens de weekends en slechts 2 % voor vast weekendwerk. Opmerkelijk is dat 81 % van hen, die nu al geconfronteerd worden met weekendwerk de voorkeur geven aan werken tussen maandag en vrijdag.

Verder geeft 74 % van de ondervraagden de voorkeur aan werken in een vaste dag- of ochtendploeg. Slechts 9 % kiest vrijwillig voor een of andere vorm van nachtarbeid (2 % in een vaste nachtploeg, 7 % in een drieploegensysteem). Van de ondervraagden, die nu met nachtarbeid worden geconfronteerd zijn er slechts 23 %, die daar vrijwillig zouden voor kiezen.

In de automobielsector — een sector waar het patronaat hevig aandringt op uitbreiding van de productietijd naar de weekends en de nacht — kiest 95 % voor werken in de week en slechts 3 % zou vrijwillig kiezen voor nachtarbeid.

90 % van alle ondervraagden kiest vrijwillig voor vaste uurroosters en dit cijfer is 80 % bij hen, die nu geconfronteerd worden met variabele uurroosters. Wat de flexibele contracten betreft geeft 95 % de voorkeur aan contracten van onbeperkte duur. 84 % van de ondervraagden geeft de voorkeur aan een voltijds contract, 9 % kiest voor een 3/4de contract en 5 % voor halftime-werk.

Wat moeten de vakbonden eisen?

In een tweede deel werd gepeild naar de vakbondseisen. Wat blijkt?

72 % is van oordeel dat de vakbonden moeten opkomen voor een beperking van de arbeidsduur tot maximum 8 uur per dag en 40 per week. Slechts 17 % geeft steun aan de huidige vakbondsopstelling: maximum 11 uur per dag en 50 uur per week.

p. 115

Zoals blijkt uit de bijgevoegde tabel vindt 52 % van de ondervraagden dat de vakbonden een verbod moeten eisen op het zaterdagwerk in sectoren waar continuarbeid niet nodig is om sociale of technische redenen; 42 % eist ‘meer compensaties’. Wat betreft werk op zondag zijn die cijfers respectievelijk 62 % en 34 %. 43 % eist er een verbod op nachtarbeid voor mannen én vrouwen, 18 % enkel voor vrouwen en 33 % meer compensaties. 68 % van alle ondervraagden eist een verbod op variabele uurroosters.

58 % van de ondervraagden is voorstander van een verbod op tijdelijke contracten. En voor 66 % is de invoering van een 32-urenweek met loonbehoud het alternatief voor deeltijdse arbeid.

Krachtsverhoudingen

Er zijn dus belangrijke meerderheden, die opkomen voor een principiële afwijzing door de vakbonden van flexibele arbeidstijden. Daarnaast is er een groep van 30 tot 40 %, die persoonlijk niet zouden kiezen voor weekend- of nachtarbeid maar toch de voorkeur geven aan compensaties in plaats van een principieel verbod te eisen. (Zie tabel.) Het is deze groep, die door het patronaat bewerkt wordt om flexibiliteit aan alle werknemers op te leggen. Opmerkelijk is dat deze groep groter is in sectoren waar continuarbeid al bestaat (zoals de staal) dan in sectoren (zoals de automobiel) waar het niet bestaat en waar het patronaat het zou willen doorvoeren. Hij is kleiner bij vakbondsleden en bij mensen, die een antikapitalistische opstelling innemen. (Zie tabel.)

% dat vindt dat de
vakbonden moeten
opkomen voor:
Alle
ant-
woor-
den
Wil werken
in de
weekends
Ge-
syndiceerd
Vinden dat
“patroons
moeten
betalen”
neen ja ja neen ja neen
— verbod op
zaterdagwerk
52 55 20 54 42 64 44
— meer compensaties
voor zaterdagwerk
42 39 67 41 48 32 48
— verbod op
zondagwerk
62 66 21 64 53 72 56
— meer compensaties
voor zondagwerk
34 30 71 32 40 26 38
— verbod op nachtarbeid
voor vrouwen
18 19 12 18 18 16 20
— verbod op nachtarbeid
voor mannen en vrouwen
43 46 21 44 37 56 35
— meer compensaties
voor nachtwerk
33 30 61 32 37 25 38

Het is duidelijk dat deze mensen bij hun uiteindelijke beslissing niet alleen de persoonlijke voorkeur maar ook de krachtsverhoudingen laten meespelen. ‘Als wij het dan toch niet kunnen tegenhouden laten de patroons er dan maar meer voor betalen’, zo ongeveer luidt de redenering, die overigens door de nationale vakbondsinstanties zeer intens wordt gepromoot. Er bestaat geen twijfel over dat deze mensen een ander standpunt zouden innemen p. 116indien de vakbondsleiding een klare positie zou innemen tegen flexibiliteit en de werkers voor de strijd zou mobiliseren. Aan de strijdsyndicalisten om daarvoor op te komen binnen de bonden. Zij kunnen zich steunen op de cijfers van deze opiniepeiling.

1.
Solidair, 13 juni 1990. De volledige resultaten kunnen besteld worden op het redactieadres: Lemonnierlaan 171, 1000 Brussel.

237.
De syndicale opstelling en tactiek tegenover het PM

Op enkele maanden tijd hebben zowat alle nationale vakbondsinstanties besloten tot medewerking aan het participatief management. De ene met enthousiasme: “We zullen positief meewerken aan initiatieven tot werkoverleg” (ACV-congres), “We zullen ze op een verstandige manier gebruiken” (VLIG-congres). De andere met veel reserves: “Door een conflictueuze participatie herbevestigen we onze trouw aan een socialistische maatschappijvisie en vrijwaren wij onze conflictueuze benadering van de sociale betrekkingen” (CMB-congres).

Waarom hebben zelfs diegenen die zich werkelijk zorgen maken over de gevolgen van het PM, zich vrijwel zonder slag of stoot tot medewerking laten bewegen? Overal horen en lezen we dezelfde argumenten:

1o We zijn verplicht tot medewerking anders worden we buitenspel gezet. “Tegenover het PM zullen wij tussen twee klippen moeten varen: buiten spel geplaatst en uitgesloten worden enerzijds, en anderzijds het risico, dat steeds reëel is, van een inschakeling in een bedrijfscultuur.” (CMB-congres)

Deze defensieve redenering steunt op een verkeerde beoordeling van de krachtsverhoudingen. De patroons hebben de medewerking van de vakbondsleiders én de délégués broodnodig om hun bedrijfscorporatisme uit te bouwen. (Zie 227.)

2o “De arbeiders willen het.” Op een merkwaardig gelijklopende manier wordt zowel op ACV- als ABVV-congressen plots de ‘nieuwe arbeider’ ontdekt, de arbeider die uit is op individuele vrijheid en ontplooiing en daarom aangetrokken wordt door flexibiliteit en participatief management. “Een zeer duidelijke tendens tot meer individualisme tekent zich af als een niet te verwaarlozen element in deze problematiek.” — “Zo wij niet willen dat een gedeelte van onze leden ons de rug toekeert, zullen we dus op zeker moeten spelen …” (CMB-congres) Dit laat toe om de eigen capitulatie volledig op de schouders van de ‘nieuwe arbeider’ te laden. ‘Op welke ‘arbeiders’ vraagt men zich hierbij af‘? Heeft de vakbond dan geen enkele collectief opvoedende en beschermende taak meer? De p. 117echte breuk met de arbeiders dreigt vanuit een andere hoek: de breuk met de arbeidersbelangen door een toenemende integratie van de vakbondsvertegenwoordigers in een patronaal stramien.

3o De idee van een tegenoffensief op het vlak van de ‘kwaliteit’ werd gelanceerd door de CMB-Luik. Vermits het patronaat kwaliteit wil, laten we onze kwaliteitseisen ertegenover stellen. Kwaliteit van het werk is lager ritme hogere veiligheid, betere informatie, hogere lonen, beter beheer, enz.22 Waarop het patronaat natuurlijk zal antwoorden: dit is allemaal bespreekbaar binnen het kader van onze kwaliteitszorg en -cirkels. Daardoor wordt de zaak bespreekbaar, de patroons pikken er wel uit wat hen interesseert. Een tegenoffensief op het vlak van de kwaliteit moet beginnen met het afwijzen van de patronale initiatieven ter zake.

Samengevat kunnen we stellen dat de eerste doctrinaire aanpassingen met veel verbale voorzorgen worden ingekleed (wellicht om de tegenstanders te sussen). In de praktijk capituleren vele vakbondsleiders voor het patronale ‘participatie’-offensief. Sommigen met enthousiasme.

24.
Nieuwe technologie: de noodzaak van het socialisme

241.
Technologie in dienst waarvan?

Zolang het privébezit van de productiemiddelen overheerst, wordt de technologie aangewend om meer winst te maken, om de wereld te controleren. De machtige monopolies vechten voor de meest winstgevende sectoren en markten. De kosten voor onderzoek naar nieuwe producten zijn ontzettend hoog. Maar de eerste producent van een nieuwe generatie componenten (bijv. de megachip), de eerste die een nieuwe toepassing weet te ontwikkelen (bijv. de digitale tv) of de eerste die de prestaties en de levensduur van een product weet te verbeteren kan rekenen op megawinsten. Hij kan concurrenten uitschakelen, zijn markt uitbreiden en een nieuwe voorsprong verwerven. De technologische vooruitgang wordt gedreven door de concurrentie. De technologie is niet neutraal omdat de aanwending ervan altijd wordt bepaald door de productieverhoudingen. Onder het kapitalisme bepalen het privébezit van de productiemiddelen en de winstjacht welke technologie wordt ontwikkeld, onder wiens controle ze valt, welk gebruik ervan wordt gemaakt.

1o Er werd nog nooit zoveel rijkdom geproduceerd, maar de armoede in de wereld was nog nooit zo groot. Dit is wel het duidelijkste bewijs dat de technologische vooruitgang niet optimaal wordt ingezet. Technologie zou moeten leiden tot een betere beheersing van de natuur. De problemen van de derde wereld, de honger, de armoede, de droogte, de ongelijkmatige p. 118ontwikkeling zouden door de nieuwe technologische middelen efficiënt kunnen bestreden worden. Omdat het privébelang de wet stelt, wordt de kloof tussen rijke en arme landen steeds groter, ondanks alle technologische vooruitgang.

2o 85 % van de nieuwe technologische octrooien worden toegekend aan de vijf rijkste industrielanden. Tijdens de Uruguay ronde (GATT, Brussel december 1990) stond de bescherming van de ‘intellectuele eigendom’, van het opdrijven van de patenten en octrooien op de dagorde. De internationale instellingen snellen de multinationals ter hulp die hun producten willen afschermen tegen namaak. De derdewereldlanden worden op die manier nog verder in de verdomhoek geduwd. Het rijke Westen beschermt zijn monopolie van de kennis en probeert op die manier elke zelfstandige ontwikkeling onmogelijk te maken.

3o Onder het kapitalisme is technologisch onderzoek intens verstrengeld met militarisering. Europese, Amerikaanse en Japanse monopolies zijn in een regelrechte economische oorlog gewikkeld waarbij de respectievelijke staatsapparaten figuurlijk en letterlijk voor de wapendepots instaan. De Amerikaanse staat besteedt jaarlijks 300 miljard dollar aan bewapening, waarvan 4 à 5 miljard dollar voor het hoogtechnologische Star Wars-project. Europa stelt daartegenover het EUREKA-project waarin civiel en militair onderzoek onmerkbaar in mekaar overlopen.

4o De nieuwe technologie zou kunnen dienen om de werkvoorwaarden te verbeteren, om het initiatief van de werkers te vergroten, om de vrije tijd uit te breiden. In handen van het grootkapitaal dient de nieuwe technologie alleen om de winst te verhogen, om de arbeidskost te verminderen. Dit betekent uitschakeling van arbeidskrachten, een striktere controle op het gepresteerde werk en de doorvoering van onmogelijke werkregelingen.

5o In plaats van instrument te zijn ter vergroting van de individuele vrijheid en de democratie, wordt de nieuwe technologie ingezet om de bevolking ideologisch te manipuleren, om progressieve krachten te schaduwen en onder druk te zetten.

242.
Het kapitalisme remt de ontwikkeling van de productiekrachten

Ogenschijnlijk kan geen enkel systeem de snelheid van de technologische ontwikkeling evenaren die door het huidige kapitalisme bereikt wordt. Liberale ideologen schrijven die snelle evolutie toe aan het privé-initiatief. Zij beschouwen het als een mokerslag voor de marxistische theorie die stelt dat de kapitalistische productieverhoudingen historisch achterhaald zijn omdat zij de ontwikkeling van de productiekrachten tegenwerken. Hierop kunnen we het volgende antwoorden:

p. 119

1o Het kapitalisme cultiveert een grenzeloze bewondering en verering voor de technologische snufjes. De super-gesofisticeerde hoogstandjes van de techniek wekken de indruk dat geen enkel probleem bestand is tegen het vernuft en de vindingrijkheid van IBM, Honda, Eriksson … productiekrachten zijn echter niet tot de techniek te beperken; mens en natuur maken ook deel uit van de productiekrachten. En op dat vlak blijft ten volle de spreuk van toepassing: ‘Socialisme ou barbarie‘. Het kapitalisme leidt tot een immense vernietiging van productiekrachten.

40 000 kinderen sterven elke dag als gevolg van de onderontwikkeling die het grootste deel van de aardbol teistert. Het imperialisme veroordeelt het grootste deel van de mensheid onherroepelijk tot economische stagnatie en achteruitgang, grenzeloze miserie en moderne slavernij. De technologische revolutie leidt niet tot nieuwe werkplaatsen maar eerder naar structurele werkloosheid van tientallen miljoenen in het hart van de ‘rijke wereld’. Grotere kwalificatie van de enen leidt tot toenemende dekwalificatie en marginalisering van een grote massa werklozen, tot een toenemende kanker van maatschappelijke nutteloosheid.

De kapitalistische winsthonger leidt ook tot een onomkeerbare vernietiging van de natuur. Al die problemen worden opzij geschoven door een blinde, eenzijdige verheerlijking van de technologie.

2o In het stadium van de mechanica heeft het kapitalisme de handenarbeid gedeeltelijk overgedragen aan de machine. In het huidige stadium van de informatica wordt een deel van de geestesarbeid overgedragen aan de computer. In beide gevallen wordt door de uitschakeling van de levende arbeid een hogere productiviteit nagestreefd. In beide gevallen probeert de kapitalist een hogere uitbuitingsgraad van de resterende arbeidskrachten te bereiken. Met andere woorden: de technologische vooruitgang zet de meerwaardewet, de basiswet van de kapitalistische productie niet opzij, maar gehoorzaamt er volledig aan. De volle ontplooiing van de menselijke capaciteiten kan nooit gerealiseerd worden in een systeem dat gericht is op uitbuiting, waarin een minderheid van kapitaalbezitters zich verrijkt op de rug van de grote meerderheid. Alleen als de arbeiders en bedienden werkelijk mee kunnen beslissen over de productie kan er een volledige ontplooiing zijn van alle fysische en intellectuele capaciteiten, een harmonieuze samenwerking van manuele en intellectuele arbeid. Met andere woorden: wanneer de productieverhoudingen in overeenstemming zijn gebracht met de ontwikkeling van de productiekrachten, wanneer de productiemiddelen collectief bezit zijn.

Een systeem waarin de mens centraal staat en niet de winst zou de technologische mogelijkheden anders inzetten en zou streven naar het toepassen van volgende principes in de organisatie van het productieproces:

— Recht op arbeid voor iedereen. De productiviteitsstijgingen moeten gecompenseerd worden door uitbreiding van de productie in dezelfde of andere branches, door het scheppen van nieuwe jobs, door arbeidsduurverkorting en door uitbreiding van de niet-productieve sector (de collectieve p. 120voorzieningen).

— Aanpassing van de jobs aan de arbeider. Dit veronderstelt een brede waaier van keuzes in de aard van jobs. De mogelijkheid om van job te veranderen op vraag, de mogelijkheid om in een roterend jobsysteem te werken, zoveel mogelijk combinatie van manuele en intellectuele arbeid. De mogelijkheid om zelf te experimenteren met de organisatie van het werk en zelf de meest aangepaste oplossingen te zoeken, moet er zijn.

— Flexibele aanpassing van de werkorganisatie aan de noden en problemen van de arbeider. Soepele mogelijkheid om vrijaf te nemen bij ernstige familiale of persoonlijke problemen. Inbouw van buffers in het productieproces, zodat ritmeaanpassingen, onderbrekingen kunnen opgevangen worden en de arbeider zijn eigen ritme kan variëren. Mogelijkheid tot onderlinge hulp in noodsituaties.

— Uitsluiting van alle nachtwerk en weekendwerk als het niet technisch of sociaal noodzakelijk is.

We beweren niet dat deze principes reeds consequent worden toegepast in de socialistische landen. We beweren wel dat ze alleen kunnen toegepast worden in een systeem van collectieve eigendom van de productiemiddelen. Daarom zijn de huidige productieverhoudingen een rem op de ontplooiing van de productiekrachten.

3o De centrale aandacht van de kapitalisten gaat naar het uitdenken van nieuwe, productievere installaties en productiemethodes. Dezelfde, of een grotere hoeveelheid goederen wordt geproduceerd met minder arbeidskrachten, waardoor de globale loonmassa daalt. De productiviteitsverhoging die wordt veroorzaakt door de nieuwe productiesystemen zal onvermijdelijk terug in botsing komen met de ongelijke groei van de koopkracht. De overproductiecrisis van de jaren 30 volgde op de scherpe toename van de productiecapaciteit die het taylorisme meebracht. Een evenwichtige ontwikkeling van de productiekrachten en de koopkracht kan alleen in een geplande economie die niet onderhevig is aan de anarchie van de privé-investering. Ook dit cyclische onevenwicht tussen productie en koopkracht is een rem op de ontwikkeling van de productiekrachten.

243.
Heeft het socialisme gefaald?

Heeft de ineenstorting van de Oost-Europese regimes uiteindelijk toch niet de superioriteit van de markteconomie over de planeconomie bewezen? Zelfs na de gebeurtenissen van de laatste jaren kan dit onmogelijk volgehouden worden.

1o Alle socialistische landen zijn met een grote historische achterstand vertrokken, meestal vanuit een situatie van onderontwikkeling. De echte vergelijking tussen systemen moet dus niet met de verst gevorderde p. 121kapitalistische landen worden gemaakt, maar met landen die vanuit een gelijkaardige situatie een niet-socialistische koers hebben gevolgd. Daaruit blijkt dat alle socialistische landen een enorm snelle ontplooiing hebben gekend. Tot in de jaren 70 kende de Sovjet-Unie groeivoeten die boven die van de kapitalistische wereld uitstaken. China kent bijna ononderbroken de hoogste groeivoeten ter wereld en dit op eigen kracht, zonder uitbuiting van andere landen. China met zijn miljard inwoners heeft de armoede en de schrijnende ongelijkheid uitgebannen; een reusachtige prestatie als men dit vergelijkt met de hongercatastrofes in andere derdewereldlanden.

2o De economische realisaties van de kapitalistische landen zijn onafscheidelijk verbonden met de imperialistische uitbuiting van het grootste deel van de wereld. Waar zou het kapitalisme staan zonder goedkope, onderbetaalde grondstoffen en arbeidskrachten uit de derde wereld? Twintig, dertig of vijftig jaar achteruit? Het imperialisme moet als een wereldorde beoordeeld worden. Men kan niet het rijkste deel van die ‘orde’ isoleren van zijn onafscheidelijke tegenpool. De rijkdom van de enen is de armoede van de anderen, een cynische wedloop met altijd dezelfde winners en altijd dezelfde verliezers. De superioriteit van het socialisme bestaat er onder meer uit dat het de ongelijkmatige ontwikkeling, de uitbuiting van het ene land door het andere uitschakelt. De nieuwe kapitalistische landen zullen zich snel opnieuw inschakelen in de imperialistische wereldorde.

3o De socialistische regimes hebben in het algemeen de economische, sociale en politieke rechten van de werkers tot een hoger niveau ontwikkeld dan in de kapitalistische landen. De lagere productiviteit in de Oost-Europese industrie was niet alleen een kwestie van slechte organisatie en technologische achterstand maar ook van afwezigheid van afjakkerij, het handelsmerk van het kapitalisme. Na een bezoek aan Polen schreef Maxim Stroobant, professor aan de VUB en gecoöpteerd SP-senator: “In de gesocialiseerde ondernemingen beschikken de werkers over een indrukwekkende sociale bescherming en over opvallend veel vrijheid bij het organiseren van hun werkzaamheden. Een economische democratie die duizendmaal verder gaat dan een westerse arbeider ooit kan dromen.”23 En hoe kan men ‘vrij’ zijn als men in de grootste misère leeft, zoals miljoenen in het hart van de rijkste kapitalistische steden?

4o Technologisch hadden en hebben de socialistische landen globaal een grote achterstand op de rijke imperialistische landen. Hun economisch ontwikkelingspeil, hun sociale prioriteiten lieten niet toe om op alle vlakken tegelijk miljarden verslindend en vaak nutteloos onderzoek te doen zoals de multinationals dit doen op kosten van de derde wereld. Op uitgelezen terreinen kunnen de (ex-)socialistische landen echter reeds wedijveren met de besten: de DDR had een uitstekende optische industrie (Zeiss) en een goede micro-elektronica basis (Robotron); Cuba heeft een p. 122vergevorderde biotechnologie; China heeft een ruimtevaartprogramma en staat mee aan de spits in het onderzoek naar supergeleiding (wat onder meer stockeren van energie zou mogelijk maken). Een groot deel van het Russisch financiële en technologische potentieel ging verloren in bewapening. Een socialistische maatschappij hoeft niet dezelfde technologische keuzes te maken als de kapitalistische, maar moet in de eerste plaats de technologie ontwikkelen die de mens en het milieu ten goede komt.

5o De revisionistische ontaarding van de communistische partijen aan de macht is het hoofdprobleem in het interne verval van de socialistische regimes. Die ontaarding heeft fenomenen als bureaucratie, corruptie en verstarring meegebracht. Hoewel deze verziekte socialistische regimes nog op vele vlakken superieur waren aan het kapitalisme, hebben de politieke en economische vergissingen het onmogelijk gemaakt dat deze superioriteit zich volledig ontwikkelde. De terugkeer naar het kapitalisme is een stap achteruit en is in elk geval geen oplossing voor de problemen die worden gesteld door de socialistische opbouw. Alleen een interne vernieuwing, een terugkeer naar de revolutionaire geest en een vernieuwde band met de massa’s kon en kan de krachten vrijmaken om de politieke, economische, wetenschappelijke en technologische uitdagingen van een socialistische opbouw aan te pakken.

6o De ineenstorting van uitgeholde socialistische regimes kan in geen geval een argument zijn om welgevallend de kapitalistische uitbuiting te ondergaan en de strijd tegen de nieuwe spitstechnologische uitbuitingsvormen op te geven. De klassenstrijd is niet gestopt met de val van het Oost-Duitse of Hongaarse regime en het doel van de strijd blijft hetzelfde: een maatschappij zonder uitbuiting, zonder superrijke profiteurs en met een reële democratie voor de werkende massa’s.

244.
De negatieve gevolgen voor de arbeidersklasse bekampen

De nieuwe productiesystemen en het participatief management worden verkocht als een aantrekkelijk product: wie wil geen nieuwe zaken leren, wie wil niet meer waardering voor zijn werk, wie wil niet meer zeggenschap over zijn arbeidssituatie? Maar wat zijn de directe gevolgen die men constateert bij het doorvoeren van teamwork, JIT en participatief management?

1o Een hogere stress bij het werk. Deze productiemethodes eisen een totale vereenzelviging en inzet: ik ben verantwoordelijk voor ‘mijn productie’. De ‘managerziekte’ (stress) waait over naar de arbeiders. In Japan is die zelfs bijna als beroepsziekte erkend.

2o Hogere intensiteit. De ‘verloren’ tijd wordt tot een minimum herleid, men moet zonder onderbrekingen werken en daar voortdurend zijn aandacht bij houden. In plaats van een grotere ‘kwaliteit van de arbeid’ wordt p. 123het een grotere inzet van fysische en intellectuele vermogens.

3o Grotere controle en zelfcontrole. De controle gebeurt zowel door de machines (computers) als door de werkmakkers. Zaken als verspilling, kwaliteit maar ook absenteïsme en werkgeest worden aan individueel toezicht en kritiek onderworpen. Toezicht van een ploegbaas wordt vervangen door een allround controle vanwege de ploeg en elke verrichting wordt op computer opgeslagen.

4o Grotere concurrentie onder de arbeiders, iedereen wordt meegezogen in een spiraal zonder einde: concurrentie tussen de fabrieken (de ene vestiging tegen de andere); concurrentie tussen de verschillende teams in een fabriek en concurrentie tussen de arbeiders binnen een team.

5o Polyvalentie. Men moet verschillende taken aankunnen. Dit kan verrijkend zijn, maar is het niet meer als daarmee het werkritme wordt opgedreven, de anciënniteit als onderdeel van de vakbekwaamheid vervalt, de beloning niet in verhouding staat tot de vereiste veelzijdigheid.

6o Rationalisaties die leiden tot verlies van werkplaatsen. Besparingen op de indirecte of niet-productieve arbeid (onderhoud, controle, stockeren, administratie …) leiden in de meeste gevallen tot vernietiging van arbeidsplaatsen.

7o Syndicale ontmanteling. De syndicale organisatie en weerbaarheid wordt ondergraven door rechtstreekse beïnvloeding van de arbeiders door kaders en propagandisten van de ‘bedrijfscultuur’. Het wordt er alleen maar erger op, wanneer de syndicale verantwoordelijken dit spel meespelen.

De vakbondsbasis heeft maar een ding te doen: vechten om haar autonomie te vrijwaren, door klasseposities te verdedigen en haar banden met de massa te versterken. Een ‘charter van de nieuwe technologie’ moet in elk geval de volgende punten opnemen:

1o Geen verlies van werkplaatsen. De productiviteitswinst moet besteed worden aan radicale vermindering van de arbeidsduur, met behoud van loon en nieuwe aanwervingen.

2o Verbetering van de werkvoorwaarden. Geen invoering van lange productiedagen, ploegensystemen, nachtwerk, weekendwerk of andere schadelijke systemen. Geen enkele flexibiliteit die de algemene en individuele belangen van de werkers schaadt.

3o De nieuwe technologie mag op geen enkele wijze gebruikt worden om de intensiteit op te drijven.

p. 124

4o De nieuwe technologie mag niet gebruikt worden om de individuele controle op het werk toe te passen. De politieke en syndicale vrijheid mag niet in het gedrang komen.

5o De vakbondsafgevaardigden zullen het volledige en onbeperkte toezicht op de toepassing van deze principes hebben. Dit betekent ook dat geen enkele wijziging wordt doorgevoerd zonder voorafgaandelijke raadpleging van de délégués, in de hiertoe wettelijk voorbestemde organen. Dit gebeurt met behoud van de volle autonomie van de vakbondsvertegenwoordigers.

245.
Het participatief management van buiten uit en van binnenuit bekampen

Het patronaat wil niet alleen arbeidskracht, maar ook een totale geestelijke inzet en verbondenheid met het bedrijf. Dit is onverzoenbaar met een klasse-opstelling en schaadt de klassenstrijd. Het participatief management moet daarom principieel afgewezen worden. Dit wil zeggen dat het van buiten- en van binnenuit moet bekampt worden. Als het al bestaat, kan het best zo snel mogelijk verdwijnen.

1o In elk geval mag geen enkele vorm van allesomvattend medebeheer op bedrijfsvlak (stijl GM-Antwerpen) worden aangenomen. Akkoorden die reeds zijn afgesloten, moeten ingetrokken worden.

2o Er zijn beperktere vormen van toepassing op de markt: allerlei vormen van ‘kwaliteitscirkels’. In de patronale optiek zijn die bijna organisch verbonden met de nieuwe productiemethodes. Is het dan haalbaar om ze tegen te houden? Wat voor de arbeiders bespreekbaar is, kan perfect binnen de bestaande legale organen en met de syndicale delegatie gebeuren. De patroons hebben de délégués nodig om hun parallelle organen op te zetten (zie 227) en dat verleent de vakbond een machtspositie die tot het uiterste gebruikt moet worden. De ervaring wijst uit dat de doorvoering kan geboycot worden zolang de krachtsverhoudingen in de delegaties gunstig zijn. In Caterpillar-Gosselies is de doorvoering voorlopig tegengehouden (ondanks zware druk). Zo handelde bijvoorbeeld het CGT bij Michelin in Clermont-Ferrand en tijdelijk bij Peugeot in Mulhouse.

Het heeft alle voordelen om zolang mogelijk de doorvoering van dit soort PM tegen te houden. Zelfs als het management uiteindelijk zijn slag thuis haalt, is die mobilisatie van de massa van uitzonderlijk belang om achteraf het bilan van de ervaring te maken en de zaak van binnenuit te bekampen. Het waarschuwt iedereen tegen de gevaren en wapent alle syndicalisten tegen het patronale samenwerkingsvirus.

3o Indien de participatieorganen voor werkorganisatie onder patronale druk toegestaan moeten worden, moeten délégués erin aanwezig zijn om er opvoeding te geven en een consequent klassenstandpunt in te nemen. Deze tactiek werd onder meer toegepast door het CGT bij Renault in p. 125Douai. Het doel is dan, deze vorm van klassensamenwerking te doen barsten door permanent de interne tegenstellingen van het systeem bloot te leggen en elke tegenstelling uit te buiten.

Woorden als ‘arbeidsvreugde’ en ‘voldoening’ zijn woorden zonder enige klasse-inhoud. Ook voor fascisten en fascisten in de dop was en is het een voorkeursthema (‘Arbeit macht frei’). Het zijn woorden die de werkelijkheid van de uitbuiting niet raken. Van elke van de propagandawoorden van het participatief management moeten we de inhoud vanuit een klassestandpunt bekijken.

‘PM = zelf beslissen?’

Op voorwaarde dat er aan de echte patronale macht niet geraakt wordt. Dat is het uitgangspunt van elke opleidingsbrochure over participatief management: ‘de directie behoudt zijn verantwoordelijkheid luidt het dan. Heel vaak worden de patronale verzuchtingen zo ingekleed dat ze overkomen als ‘arbeidersbeslissingen’. De aanval van fanatieke orde en netheid in de bedrijven is daarvan een goeie illustratie. Moderne patroons willen grote, lichte en goed verluchte, kraaknette en stofvrij onderhouden werkplaatsen ‘om het werkgenot te verhogen’. Deze eigenschappen komen niet op rekening van het PM maar zijn eisen die worden gesteld door het delicate elektronisch materiaal, door de robotten en geautomatiseerde machines.

PM wordt heel dikwijls ‘vrij beslist’ onder chantage. We spreken niet meer over een dreigende sluiting als het PM aanvaard wordt; we stellen afvloeiingen of afdankingen uit als er kwaliteitskringen komen … Als jullie dat niet aannemen, plaatsen we de productie over naar het buitenland. De enige redding is klassensamenwerking.

Doorgaans duurt het meebeslissen zolang als de optimale ‘stress’ en de optimale routines niet op punt staan, bij het opstarten van een nieuw systeem of productieproces. Wanneer de optimale werkwijze eenmaal vastligt, wordt er niet meer gepraat maar gewerkt: elke job is tot in de details afgemeten en gestandaardiseerd. De meest rendabele standaard wordt dan snel in alle bedrijven van de groep ‘democratisch’ opgelegd.

‘PM = eindelijk kwaliteit maken?’

Betere kwaliteit maken zou willen zeggen meer aandacht, dus meer tijd besteden in plaats van hetzelfde werk te doen met minder mensen. Maar voor het patronaat is kwaliteit ‘veel breder’: het is vooral kwaliteit van de productiekost en de productiviteit. ‘Kwaliteit is niet tegengesteld aan snelheid’ luidt het dan.

‘PM = kwaliteit van het leven?’

Het enige werkelijk criterium is kwaliteit van de winst. Door de volle verantwoordelijkheid bij de arbeider zelf te leggen wil het patronaat de intensiteit van de arbeid opdrijven. Wat is kwaliteit van het leven als jacht wordt gemaakt op de kleinste onderbreking of ‘dode arbeidstijd’. Dikwijls p. 126wil het ook zeggen dat een aantal ‘goede’ jobs verdwijnen, jobs die meestal ten goede kwamen aan mensen met veel ervaring en anciënniteit, oudere arbeiders voor wie het ritme aan de lijn een probleem kan zijn.

‘PM = meer arbeidsvreugde?’

Waar ligt de vreugde bij afvloeiing en afdanking? Bij meer stress? Bij flexibele uren en dagen? Binnen een team worden de jobs evenredig verdeeld en dus binnen de groep zo geschikt dat iedereen telkens voor 100 % werkt. Wie een manier ontdekt om seconden te sparen zal die niet ‘recupereren’ maar krijgt er een andere taak bij.

‘Polyvalentie = meer kwalificaties?’

Iedereen moet verschillende taken aankunnen. Maar de opleiding is niet langer een volwaardige beroepsopleiding, want die valt duurder uit. Iedereen krijgt ter plaatse dezelfde beperkte opleiding, voor de vele taken die hij op zijn werkplaats moet aankunnen. Iedereen is dus vervangbaar en bij verlies van job of verandering van werk, staat men bijna opnieuw op kwalificatie nul.

‘PM = wij vormen een team?’

Vormen arbeiders, kaders en directie een team, zoals een voetbalploeg met voetballers, trainer en bestuur? Het enige dat klopt in de vergelijking is de opgeklopte concurrentie om te presteren. Verschillende afdelingen, ploegen, fabrieken worden tegen mekaar opgejut om de beste cijfers te halen. Er wordt een permanente verklikkersgeest geschapen om elk individueel falen op te sporen. De groep wordt gestraft voor individuele fouten, afwezigheid, enz., omdat de patroon wil dat iedereen zich als meestergast gaat gedragen.

‘PM = eindelijk democratie in de fabriek?’

Tegenover diegenen die mee marcheren wordt de grootste inschikkelijkheid betoond. De dwarsliggers daarentegen … Het individueel gedrag, de houding wordt minutieus gecontroleerd en dan blijkt dat het patronaat de dictatuur niet heeft verleerd.

246.
Zolang er uitbuiting is zal het patronaat nooit de klassenstrijd kunnen uitschakelen

De patroons willen de klassegeest onder de arbeiders vervangen door de ‘bedrijfsgeest’. Het patronaat legt daarbij dikwijls veel geduld aan de dag. Na mislukte pogingen wordt opnieuw gestart vanuit een andere invalshoek. De ‘strategie van het geduld’ wordt echter regelmatig omver gekegeld door een niet voorziene staking. Als er een staking of strijd losbreekt, dan is de betoverde cirkel verbroken en wordt de mythe van klasseneenheid voor jaren teruggeslagen. Bij Ford Tractor in Antwerpen werd de afdeling, die het verst mee ging met het ‘Employee Involvement’, gesloten. p. 127Toen vormden de arbeiders een team dat eensgezind staakte. Bij Caterpillar, dat stond te dringen om de ‘satisfaction du personnel’ in te voeren, werden alle liefdesverklaringen plots vervangen door bruut geweld toen een spontane staking uitbrak tegen een ontslag (november 1989). De patroon dankte op staande voet 110 stakers af, die hierop het bedrijf bezetten. Gedaan met de ‘satisfaction du personnel’. Bij Ford Genk begonnen de arbeiders een strijd tegen overuren, zaterdagwerk en nachtploeg en voor hoger loon (maart 1990). Het JIT-systeem werd een geducht wapen in handen van de arbeiders: als één groep het werk neerlegde lag binnen het uur de hele fabriek stil. Gedurende vier weken legde elke dag op hetzelfde uur een andere afdeling het werk neer: just-in-time-guerilla en het was afgelopen met de mooie klassenvrede. In Mexico heeft Ford een modelbedrijf bij Hermosillo. Met zijn ‘nieuwe arbeidsrelaties’ was het bedrijf zogezegd immuun voor staking. In 1990 stuurde de patroon een gewapende knokploeg af op een stakingspiket, waarbij een dode viel.

p. 129

Hoofdstuk 3
De internationalisering van de economie

31.
Concentratie en centralisering op internationaal vlak

311.
Vormen van accumulatie

Winst is de ultieme drijfveer van de kapitalist. Om steeds grotere winsten te realiseren wordt hij gedreven tot een steeds grotere accumulatie van kapitaal. Dit betekent dat gemaakte winst wordt geherinvesteerd, zodat grotere kapitalen worden ingezet in de productiecyclus. Deze accumulatie noemt Marx ook de ‘concentratie’ van kapitaal: kapitaal schept niet alleen meerwaarde maar uit die meerwaarde wordt ook nieuw kapitaal opgehoopt. De concurrentie dwingt de kapitalist om te accumuleren, zo niet gaat hij ten onder; zo luidt de ijzeren wet van het kapitalisme (Vakbondsmilitanten die bij dit spontane inzicht blijven steken verwijten de patroons vaak dat ze niet tijdig of onvoldoende geïnvesteerd hebben).

In de concurrentieslag heeft ook een tweede vorm van ophoping van kapitaal plaats: de ‘centralisering’, of ophoping van kapitaal door overnames (uitschakeling van concurrenten), fusies (samengaan in een groter geheel) en kapitaaldeelnames (als middel tot controle of samenwerking). In tegenstelling tot de eerste vorm is het geen uitbreiding van het productieve kapitaal, maar een centralisering van bestaande kapitalen in steeds minder handen.

Een kenmerk van de huidige periode is dat dit concentratie- en centralisatieproces zich steeds meer op internationaal vlak afspeelt. Op zich is dit geen nieuw fenomeen, maar de omvang en snelheid van die evolutie is dat wel. Het kapitaal doorbreekt in toenemende mate de landsgrenzen waarbinnen het vroege kapitalisme is ontwikkeld. Buitenlandse investeringen en grensoverschrijdende herstructureringen hebben een toenemende p. 130internationalisering van het economisch systeem tot gevolg. In het zog daarvan ontwikkelen de nationale staten nieuwe vormen van tussenkomst in de economie, zit de vorming van een supranationaal staatsapparaat op Europees vlak in een stroomversnelling en krijgen de internationale imperialistische instellingen (Wereldbank, IMF, OESO, Gatt …) meer gewicht.

Bij elke grote crisis van het kapitalisme was de internationalisering een van de mogelijkheden van het kapitaal om de grenzen van de accumulatie te verleggen. De grote crisis van 1974-’75 gaf een nieuwe spoorslag aan de internationalisering en dit beïnvloedt in toenemende mate de werkingsmechanismen van de kapitalistische economische wetten. Een goed begrip van de ontwikkelingstendensen is daarom onontbeerlijk.

312.
De kapitaalcyclus

De marxistische analyse van de kapitaalaccumulatie vertrekt vanuit de kapitaalcyclus. Deze cyclus ligt ten grondslag aan de hele kapitalistische ontwikkeling. (Zie 312 bis.)

312 bis.
De kapitaalcyclus

Marx tekende de opeenvolgende fasen die het kapitaal doorloopt in het volgende schema:

G PM W A W′ G′ geld [investering] productiemiddelen waren arbeidskracht [productie] waren [verkoop] geld

Het wezen van deze cyclus, haar sociale betekenis, is dat W′ groter is dan W, en G′ groter dan G. Dit kan alleen omdat in de fase p. 131van de productie een meerwaarde wordt geproduceerd, die door de verkoop van de waren wordt ‘gerealiseerd’.

Deze kapitaalcyclus gaf het ontstaan aan afzonderlijke kapitaalfracties: het bankkapitaal (G … G′) en het handelskapitaal (G … W′ … G′). Zij nemen een deel van de globale kapitaalcyclus voor hun rekening. De verschillende kapitaalfracties verdelen onder elkaar de meerwaarde die in de productie tot stand komt.

De sociale kapitaalcyclus is een bruikbaar instrument om zich rekenschap te geven van de internationalisering.1 Vanaf het begin van de kapitalistische productiewijze heeft de kapitaalcyclus een internationale dimensie. De verschillende onderdelen van de kapitaalcyclus zijn echter niet meteen en in dezelfde mate betrokken bij deze internationalisering. Vanuit dit oogpunt kunnen we drie grote etappes onderscheiden in de ontwikkeling van het kapitalisme en kunnen we drie fasen onderscheiden binnen de laatste etappe.

Eerste etappe: de primitieve accumulatie

De eerste grondslagen van de kapitalistische productiewijze ontwikkelden zich binnen het feodale stelsel. De technologische vooruitgang van de vijftiende en de zestiende eeuw geeft het ontstaan aan een lokale markt voor artisanale goederen, aan stedelijke burgerij maar ook aan de expansieve veroveringstochten die het ontstaan van een wereldmarkt inluiden. Terwijl rond 1500 verschillende culturen op ongeveer gelijk niveau van technische, economische en sociale ontwikkeling staan2 zal de beginnende kapitalistische ontwikkeling in West- en Midden-Europa nieuwe wereldverhoudingen inluiden.3 De accumulatie van kapitaal gebeurt op gewelddadige wijze, door het veroveren van koloniale rijkdommen en markten, door de slavenhandel, de goud- en zilverroof, door verdrijving en uitroeiing van de lokale bevolking, door slavenarbeid in de goudontginning en de katoenplantages. Bij de overgang naar de zeventiende eeuw kopen de Spaanse en Portugese handelaars katoen in Indië, wisselen het uit voor slaven in Afrika die ingezet worden om goud te delven in Zuid- en Midden-Amerika. Op drie eeuwen tijd zijn ongeveer 115 miljoen slaven verscheept van Afrika naar de beide Amerika’s.4 Tijdens de verovering van Zuid-Amerika stierven ongeveer 60 miljoen Indianen, vermoord of ten gevolge van Westerse ziekten.5

In deze etappe van ‘primitieve accumulatie’ speelt het handelskapitaal de rol van historische voorloper van het kapitalisme (G-W-G′). Afgezien van directe roof en gewelddadige plundering, gebruikte het handelskapitaal de verschillen in productie- en marktvoorwaarden van verschillende p. 132landen in zijn voordeel. De ‘internationale handel’ was niets anders dan de overzeese expansie van de Europese belangen. Achtereenvolgens Portugal, Spanje, Frankrijk, Holland (zeventiende) en Engeland (achttiende eeuw) dringen zich op als overheersende handelsnaties. Engeland maakt als eerste de overgang naar het industriële kapitalisme, mede dank zij de rijkdommen die zij als eerste koloniale supermacht uit haar overzeese bezittingen rooft.

Tweede etappe: het liberale kapitalisme (negentiende eeuw)

De kapitalistische productiewijze heeft de feodale productiewijze verdrongen in West-Europa. De productie zelf is hoofdzakelijk op nationale schaal gestructureerd en gedomineerd door nationale kapitaalgroepen. De kapitalistische staten garanderen de buitenlandse invloedssferen (kolonies), waarmee een intensieve handel wordt gedreven. De producten die door de veel productievere kapitalistische fabrieken worden gemaakt, beconcurreren de artisanale productie in de kolonies. Het handelskapitaal wordt nu een zelfstandig maar ondergeschikt deel van de gehele kapitaalcyclus, waarin het industrieel kapitaal de overheersende factor is. Ook het bankkapitaal eist een centrale rol op en evolueert van kredietverstrekker in dienst van de industrie tot financieel controlecentrum. Dit is onder meer de evolutie die de Société Générale kenmerkt: van bank tot holding.6

Derde etappe: het imperialisme (twintigste eeuw)

Op het einde van de negentiende eeuw wordt een kwalitatieve sprong gemaakt in de groei naar een kapitalistische wereldeconomie: de overgang naar het imperialistische tijdperk. Door concentratie en centralisatie zijn in de rijkste kapitalistische landen nationale monopolies ontstaan. Bank en industriekapitaal zijn verstrengeld in financiële groepen die grote delen van de nationale industrie controleren (door Lenin het ‘financierskapitaal’ genoemd). Dit ‘nationale’ kapitalisme zoekt uitwegen uit een aanslepende economische crisis (1873-1896), de monopolies exporteren hun kapitaaloverschotten en investeren massaal in het buitenland. De export van kapitaal gaat samen met een verhevigde jacht op kolonies. Gedurende de laatste twintig jaar van de negentiende eeuw wordt de verdeling van de wereld onder de rijkste kapitalistische landen voltooid. “Imperialisme is kapitalisme dat een ontwikkelingsstadium heeft bereikt, waarin de monopolies en het financierskapitaal heersen, de kapitaalexport een enorme betekenis heeft gekregen, de verdeling van de wereld tussen de internationale trusts is begonnen, en de territoriale verdeling van de aarde tussen de grootste kapitalistische landen is voltooid.”7 De herverdeling van de wereld wordt de inzet van de Eerste Wereldoorlog.

In essentie is er sindsdien niets gewijzigd: de wereldeconomie wordt gedomineerd door enkele honderden gigantische monopolies, die hun p. 133thuisbasis hebben in de rijkste imperialistische landen. Volgens een schatting van de Verenigde Naties produceren de 600 belangrijkste ondernemingen tussen de 20 en 25 % van de totale toegevoegde waarde in de goederenproductie van de markteconomieën.8 Nochtans is er een evolutie die ons toelaat om verschillende fasen te onderscheiden in de graad en de vormen van internationalisering.

In een eerste fase is de export van kapitaal verbonden met de jacht op ‘eigen’, nationale kolonies en beoogt het vooral een verzekerde, goedkope aanvoer van grondstoffen en basisproducten (G … Pm). Deze ‘nationale’ invloedssferen bakenen ook de afzetmarkten (W′ … G′) af voor geproduceerde goederen op wereldvlak. Zo wordt de periode van de jaren 20-30 gekenmerkt door een grote bloei van de koloniale exploitatie en door het ontstaan van wereldkartels tussen de grote monopolies, die de afzetmarkten verdelen. De crisis van de jaren 30 roept voorlopig een halt toe aan deze internationaliseringsgolf. De protectionistische muren worden hoog opgetrokken, het economisch nationalisme staat centraal, zowel in de fascistische doctrines als in de nieuwe bourgeois-doctrines van Keynes. De wereldhandel daalt met een derde. De directe investeringen in het buitenland (export van kapitaal) die 4 à 5 % van de totale wereldinvesteringen bedroegen bij het begin van de eeuw, dalen terug tot minder dan 1 % vlak voor de Tweede Wereldoorlog.9 Dit is slechts de aanloop naar een nieuw gevecht voor herverdeling.

Na de Tweede Wereldoorlog wordt een tweede fase ingeluid. De grote internationale vrijhandelsakkoorden, de monetaire- en militaire akkoorden bekrachtigen de hegemonie van het Amerikaanse imperialisme. Veel van de vroegere remmen op de internationale handel en kapitaalmobiliteit worden onder deze nieuwe wereldverhoudingen opgeheven, omdat de vrije circulatie van kapitaal en goederen een voorwaarde is voor het installeren van de Amerikaanse suprematie. Vrijhandel is doorgaans het slagwoord geweest van de sterkste of de opkomende krachten, protectionisme van de zwakste of tanende krachten.

Terwijl de ‘oude’ imperialistische mogendheden nog grotendeels functioneren op het model van grondstoffeninvoer en uitvoer van afgewerkte producten, brengt het Amerikaanse imperialisme de verschillende vormen van neokolonialisme tot bloei. (Dit verklaart waarom de meest anticommunistische vakbond ter wereld, de AFL-CIO, een antikoloniale politiek voerde in de derde wereld.)

Voortaan worden op grote schaal (de eerste buitenlandse filialen dateerden al van de negentiende eeuw) de productie-eenheden over verschillende landen en werelddelen gespreid. Het fenomeen van de Amerikaanse multinationale onderneming domineert deze evolutie. Een stroom van Amerikaanse investeringen komt op gang, enerzijds naar de ontwikkelingslanden, maar vooral naar Europa, met als belangrijkste doel de verovering van de plaatselijke markten. De Amerikaanse multinationals hebben in 1960 32 miljard dollar kapitaal in het buitenland, 124 miljard dollar in 1975 en 220 miljard in 1980.10 De omvang van de buitenlandse kapitaalstocks (totale som van geïnvesteerd kapitaal) stijgt van 67 miljard dollar in 1960 tot p. 134275 miljard dollar in 1975; 44 % daarvan is in handen van Amerikaanse multinationals. Eind de jaren 70 wordt de productie in de Belgische verwerkingsindustrie voor 40 % voortgebracht in filialen van multinationale ondernemingen. De Europese groepen volgen dezelfde weg van de internationale expansie om ‘hun’ markten te verdedigen en te heroveren. Kortom, het zwaartepunt van de internationalisering verschuift van grondstoffenimport en warenexport (G — Pm en G — W — G′) naar directe investering en productie in het buitenland (P — W′).

Dit belet niet dat gedurende die hele periode de wereldhandel sneller toeneemt dan het productievolume: de groei van de handelsstromen bedraagt gemiddeld meer dan 8 % per jaar in de periode 1961-1975, tegenover 6 % voor de productie. In 1950 wordt ongeveer 9 % van het BBP (Bruto Binnenlands product) in de kapitalistische landen uitgevoerd; dit stijgt tot 17 % in 1980.

De internationalisering van productie en de toename van de internationale handel gaan gepaard met een intensievere internationalisering van het financieringssysteem (G … G′). Die wordt ook aangezwengeld door de stroom dollars die de Verenigde Staten verlaten (de eurodollarmarkt). Met andere woorden: de kapitaalcyclus als geheel en al haar onderdelen apart, kennen een toenemende internationalisering (G … W … P … W′ … G′).

Wellicht kan men spreken van een nieuwe fase in de internationalisering van de economie gedurende de laatste 15 jaar. Een nieuwe fase, omdat de veranderde internationale context ingrijpende veranderingen heeft meegebracht in alle compartimenten van de kapitaal- en productiecyclus: de financies, het bezit van de productiemiddelen, de productie, de diensten en de handel. Die veranderingen worden tegenwoordig in een woord omschreven als ‘mondialisering’ of ook ‘globalisering’ van de economie. Vooraleer dit concept nader te bekijken willen we eerst ingaan op de oorzaken van de nieuwe evoluties.

313.
Waarom nu?

Verschillende factoren liggen aan de basis van deze nieuwe vlucht van de internationalisering.

1o Vooreerst zijn er de nieuwe krachtsverhoudingen op wereldvlak. (Zie ook 114.) De periode van onbetwiste Amerikaanse suprematie is voorbij. Op economisch en financieel vlak wordt de VS bij gebeend en regelmatig voorbijgestoken door Japan en door Europa. De VS is van grootste kapitaaluitvoerder tot grootste kapitaalinvoerder geworden op wereldvlak en van grootste schuldeiser tot grootste schuldenaar. Tegenover het handelstekort (rond de 150 miljard dollar) van de VS staan de handelsoverschotten van Japan en Duitsland. Op technologisch gebied heeft de VS haar grote voorsprong op vele gebieden moeten prijsgeven. En in het zog van de Japanse handelssuccessen kennen nu ook de Japanse buitenlandse investeringen in de VS en Europa een grote vlucht. De Amerikaanse monopolies p. 135stoten overal ter wereld op evenwaardige rivalen, wat de intensiteit van het wereldgevecht op de markten van de ‘Triade’ (Europa-Japan-VS) vergroot. De strijd tussen die machten is ook intenser geworden door objectieve ontwikkelingen die het kapitalistisch accumulatieproces grondig dooreenschudden: de crisis en de explosie van de productiekrachten.

De verhouding tussen crisis, nieuwe technologie en internationalisering kan op de volgende manier worden samengevat:

2o De crisis leidt tot verscherpte concurrentie op de afzetmarkten. Er is overproductie en schrijnende overcapaciteit van het machinepark. Een geografische uitbreiding van de afzetmarkten was tot voor de ineenstorting van de Oost-Europese regimes uitgesloten. De hele wereld was verdeeld in invloedssferen, de derdewereldlanden bieden geen enkel perspectief als ‘nieuwe’ afzetmarkt. Ondanks enkele plaatselijke nieuwe groeizones is de globale koopkracht van de derde wereld sterk aangetast door de crisis, het protectionisme van de rijke landen, de ineenstorting van de grondstofprijzen en de zware aderlatingen van de schuldenlast. In die situatie neemt de concurrentie onder de monopolies een bijzondere vorm aan: er kunnen alleen markten worden veroverd ten koste van de concurrentie. In het gevecht voor het veroveren van elkaars afzetmarkten is de directe aanwezigheid ter plaatse, met bedrijven en distributienetten een vitale kwestie, net als het drukken van de productiekost door de keuze van de meest voordelige productieplaatsen, door schaalvergroting en door uitbouw van systemen van onderaanneming (soms op wereldschaal). Men spreekt over ‘mondiale concurrentie’, over een ‘mondiale markt’ en ‘globale productie’.

3o De nieuwe technologie stuwt op twee manieren de internationalisering vooruit.

* Vooreerst schept ze technologisch nieuwe mogelijkheden en breekt ze materiële belemmeringen af die tot nu toe de internationalisering afremden. Dit is het duidelijkst in de stormachtige ontwikkeling van de telematica (de combinatie van telecommunicatie en informatica). Er worden informatienetwerken gesponnen die een strategische coördinatie over de hele wereld vergemakkelijken. De mobiliteit van het kapitaal wordt er geweldig door verhoogd. Met de nieuwste systemen worden complexe productieprocessen, bevoorradingssystemen en financiële constructies gecoördineerd op wereldvlak en dit zonder tijdsverloop (in real time).

* Ten tweede, is de internationalisering een noodzaak om de nieuwe technologie rendabel uit te baten. De nieuwe technologieën zijn de meest beloftevolle sectoren voor het kapitaal, zowel wat betreft marktomvang als wat betreft winstvoet. Maar er zijn drie grote barrières, die alleen door grotere internationalisering te nemen zijn.

p. 136

1o Kapitaalbarrières. Hoogtechnologische sectoren vergen reusachtige investeringen voor onderzoek en ontwikkeling. Internationale schaalvergroting, samenwerkingsakkoorden, buitenlandse overnames en supranationale blokvorming worden door de kapitaalgroepen steeds scherper als een noodzaak aangevoeld.

2o Technologische barrières. De concurrentie wordt vooral op technologisch vlak uitgevochten. Samenwerking op internationaal vlak, fusies of overnames zijn dikwijls een noodzaak om monopolieposities op een deelmarkt uit te bouwen of op een gespecialiseerd terrein door te dringen.

3o Marktbarrières. Er moet een voldoende grote markt zijn om de ingezette kapitalen snel te recupereren. De producten hebben een steeds kortere levensduur, zijn snel verouderd. Het model van ‘eerst de binnenlandse markt veroveren en daarna naar het buitenland’ is voorbijgestreefd. De thuismarkten zijn de thuisfronten van een gevecht dat ineens op het front van de wereldmarkten wordt gestreden. Ook dat drijft hen tot internationale investeringen, allianties en overnameraids.

De wetenschappelijke en technische revolutie dwingt op die wijze tot doorgedreven internationalisering. Het is een ontwikkelingsvereiste van de moderne technologie en de productiekrachten.

314.
De globale economie

De belangrijkste dragers van deze internationalisering zijn de transnationale ondernemingen en de transnationale banken. ‘Transnationaal’ drukt beter dan ‘multinationaal’ uit dat we spreken over ondernemingen of groepen die opereren vanuit een centrum, in 95 % van de gevallen gelegen in een rijk, imperialistisch land. In het centrum zijn de strategische activiteiten geconcentreerd, namelijk de uiteindelijke beslissingsmacht voor alle grote oriëntaties, de investeringspolitiek en het onderzoek.

Het aantal transnationals stijgt snel sinds het begin van de jaren 60 en kent een nieuwe gevoelige stijging sinds het begin van de crisis. Er waren 7 276 multinationale bedrijven over heel de wereld in 1969, 11 000 in 1976 (met 82 600 filialen, waarvan 21 000 in de derdewereldlanden) en reeds 18 000 in 1982 (met meer dan 100 000 filialen). Ondanks de stagnatie van de wereldeconomie, is de rol van de transnationale ondernemingen in de laatste tien jaar steeds maar toegenomen. Naast de klassieke mastodonten kiezen nu ook steeds meer middelgrote ondernemingen voor internationale expansie of voor toelevering binnen internationale netwerken.

In de financiële sector beheersen de transnationale banken de internationale markten. De eerste 100 wereldbanken hadden 4 660 buitenlandse filialen in 1985. Maar voor de banken en andere financiële instellingen is de internationalisatie minder een kwestie van buitenlandse filialen dan wel van aard van de financiële operaties. Alleen de grootste banken hebben voldoende kapitaalsterkte, spanwijdte en infrastructuur om de p. 137internationale kapitaalstromen te verwerken. De klassieke kredietverstrekking maakt plaats voor grote financiële operaties, financiële engineering en ‘investment banking’. De grensoverschrijdende activiteit, vooral de aankoop en de verkoop van waarden (aandelen, obligaties, munten) op internationale beurzen is in felle uitbreiding. De omvang van de internationale operaties op de Londense eurodollarmarkt bedraagt 25 maal het volume van de internationale handel in goederen en diensten. De omvang van de wisselverrichtingen (handel in nationale munten) is verdubbeld tussen 1979 en 1984 en opnieuw verdubbeld tussen 1984 en 1986. De grote banken proberen zich als tussenschakel en verkoper van nieuwe financiële spitsvondigheden op deze speculatiemarkten te vestigen.

Een nieuwe vorm van internationalisatie ontwikkelt zich heel vlug: de vervlechting van groepen binnen de ‘Triade’. Binnen de Triade zijn de meest ontwikkelde markten beschikbaar, vooral voor hoogtechnologische producten. De markt van de elektronica bijvoorbeeld stijgt momenteel tot 20 000 miljard Belgische frank per jaar, waarvan enkel 5 à 10 % in de derdewereldlanden. De hoge kosten van research en ontwikkeling voor de hoogtechnologische producten verplichten de kapitalisten ertoe zich te groeperen, allianties te vormen. De ontwikkelingssnelheid van de nieuwe producten verplicht hen het kapitaal, geïnvesteerd in de ontwikkeling, heel vlug te recupereren. Dit is alleen maar mogelijk door tegelijk op de belangrijkste wereldmarkten te verkopen. Al deze factoren versterken de alliantiepolitiek. Indrukwekkende netten van gekruiste participaties, gemeenschappelijke investeringen, technologische akkoorden, verdeling van octrooien en markten komen tot stand. Honderden banden verbinden de Amerikaanse, Europese en Japanse groepen onderling. Ze ‘bewaken’ mekaar van dichtbij, ze werken samen en ze bestrijden elkaar voor de overheersing van de wereldmarkt. Het is niet meer uitzonderlijk dat de grootste concurrenten zoals GM en Toyota of Philips en Sony gezamenlijke initiatieven nemen. De meerderheid van deze groepen mikken eveneens op een aanwezigheid in de drie polen van de Triade. Zo is zowel de strategie van Philips als van Siemens gericht op een gelijkwaardige aanwezigheid in de drie regionen (Europa, Amerika, Zuidoost Azië).

Een netwerk van samenwerkingsakkoorden staat de genadeloze concurrentiestrijd niet in de weg. De zekerste manier om markten te veroveren is nog altijd de concurrenten uit de weg te ruimen. En de snelste manier om markten te winnen is de markt van anderen op te kopen. Daarom spelen de overnames, fusies, openbare boden (al dan niet vijandelijke raids) een snel groeiende rol in de mondialisering van de economie. Vele allianties spatten hierbij uiteen in een overnameraid. In de periode juni 1988-juni 1989 gebeurden op wereldvlak 2 675 overnames of fusies, voor een totaal bedrag van 4 600 miljard Belgische frank. De 1 000 belangrijkste Europese ondernemingen realiseerden in 1987-1988 45 % meer fusies, overnames of joint-ventures dan het jaar ervoor. 450 van de 1 025 opgetekende operaties (44 %) waren grensoverschrijdend.11 (Zie ook 123.)

Dit alles leidt tot een nooit geziene vorming van ondernemingsclusters p. 138op internationaal vlak en tot een geweldige aanwas van het fenomeen internationaal financierskapitaal (supranationaal gestructureerd, strategisch en financieel versmolten bank- en industriekapitaal). De raid op de Generale Maatschappij van 1988, waarbij een Frans-Belgische groep Suez-Generale tot stand kwam, is hiervan een uitstekend voorbeeld en kan alleen in die context begrepen worden.

32.
Patronale uitbuiting zonder grenzen

321.
De mondiale strategie van de monopolies en banken

De transnationale groepen passen wereldstrategieën toe; dat wil zeggen dat ze montage-eenheden, productie-eenheden spreiden over heel de wereld en daarbij zoeken naar de meest winstgevende factoren: lage lonen, geen syndicale werking, te veroveren lokale markten, autoritaire regimes aan de macht, vormingsniveau van de arbeidskrachten. Deze nieuwe arbeidsverdeling over de hele wereldbol wordt omschreven als de ‘globalisatie van de productie’. Deze globalisatie neemt verschillende vormen aan.

1o De productie voor een lokale markt is niet langer de regel. Bedrijven specialiseren zich op een of enkele producten waarmee ze een wereldmarkt bevoorraden. Landenorganisatie wordt vervangen door productorganisatie. Het concept en de productiemethode voor het GM-model Opel/Kadett/Vauxhall Astra werden uitgewerkt in Duitsland, de productie gebeurt in Zuid-Korea (waar GM de controle deelt met de Koreaanse groep Daewoo) en de wagen wordt uiteindelijk ingevoerd in de Verenigde Staten waar hij wordt verkocht onder de naam Pontiac Le Mans.

2o De productie van onderdelen kan gespreid worden over heel de aardbol. Assemblage van computers in Eindhoven gebeurt met componenten vervaardigd in Sri Lanka, Singapore of Maleisië.

Directe investeringen in derdewereldlanden worden ook vaak vervangen door minder risicodragende onderaannemingscontracten. Bedrijven in de derde wereld spelen leverancier tegen lage kostprijs voor de assemblagebedrijven in de rijke landen.

De verweving van de arbeid van vele mensen over heel de planeet, de afhankelijkheid van het werk van anderen is zo groot geworden dat het maatschappelijk karakter van de productie een nooit gezien hoogtepunt bereikt heeft. De montageketens van een en hetzelfde product liggen gespreid over de hele planeet. Het feit dat ongeveer 30 % van de wereldhandel gebeurt binnen de multinationale firma’s, tussen filialen van eenzelfde groep, toont dit aan.12

De mobiliteit van het kapitaal wordt veel groter. De productie kan in kleinere eenheden verdeeld worden en kan gemakkelijker verplaatst worden. Het kapitaal sluit fabrieken, verplaatst pionnen met als enig motief: de winst. Na de exodus van kapitalen naar lagelonenlanden als Taiwan, Singapore, Maleisië of Sri Lanka, lijkt zich nu ook een terugkeer naar p. 139de industrielanden af te tekenen, waar de hoogtechnologische flexibele productie zich gemakkelijker ontwikkelt. De ‘internationale werkverdeling’ is in volle beweging: technologisch kunnen complexe productieplannen de hele aardbol omspannen. Het imperialisme ontwikkelt nieuwe circuits die sterk beïnvloed worden door de nieuwe technologie, de nieuwe productiemethodes.13

De normen voor de competitiviteit worden op wereldvlak bepaald, waarbij het patronaat zich automatisch afstelt op de laagste sociale verworvenheden, de hoogste productiviteit. Daardoor krijgen de patronale strategieën zeer snel een wereldomvattende dimensie. De flexibiliteit, de fiscale hervorming, de afbraak van de sociale zekerheid worden naar internationale maatstaven gemeten. Zo wordt een spiraal van afbraak op gang gebracht. In de rijkste landen wordt een marginale sector ontwikkeld, afgestemd op de werk- en loonvoorwaarden van de ‘lagelonenlanden’ en waarin vooral immigranten en vrouwen worden betrokken. De bevordering van onderaanneming en thuisarbeid zijn hiervan een verlengstuk.14

De politiek van de nationale regeringen wordt meer en meer gestroomlijnd volgens de dwangwetten van de internationale concurrentie. Internationale organismen zoals het IMF, de Wereldbank en de OESO dicteren de wereldnormen van het kapitaal.

322.
Internationale arbeidsverdeling

Als we deze evolutie bekijken vanuit het oogpunt van de derde wereld, kunnen we gelijklopende historische fasen van het imperialisme onderscheiden. Ze worden bepaald door de plaats die deze landen in de overheersingsstrategie van de rijke landen innemen (internationale arbeidsverdeling).

Er is vooreerst de ‘oude’ internationale arbeidsverdeling, uit de koloniale periode, die op het einde van de negentiende eeuw begint en tot in de jaren 50-60 verder loopt. Het imperialisme voert kapitalen uit naar de derde wereld om er vooral grondstoffen, mineralen en landbouwproducten te ontginnen. De kapitalistische landen profiteren van de goedkope basisproducten en de verwerking gebeurt meestal in de koloniserende mogendheden. Dat deden België en de Société Générale in Congo. Deze ‘oude’ arbeidsverdeling blijft voor vele derdewereldlanden vandaag nog de basis van het neokolonialisme. Voor 42 van de 59 derdewereldlanden waarvoor de Wereldbank cijfers geeft tellen grondstoffen en landbouwproducten voor meer dan 70 % van de uitvoer. Een groot aantal derdewereldlanden is compleet afhankelijk van de uitvoer van een of twee basisproducten. Maar daarnaast ontwikkelde zich een ‘nieuwe’ internationale arbeidsverdeling.

Na de tweede wereldoorlog, waren er verschillende investeringsgolven van transnationals in bepaalde derdewereldlanden, in de verwerkingssector en de sector van de verbruiksgoederen. De eerste investeringsgolf (in de jaren 50-60) beantwoordde vooral aan de politiek van bepaalde p. 140Zuid-Amerikaanse landen om zich te industrialiseren via ‘importsubstitutie’. Dit wil zeggen dat men probeerde de ingevoerde producten te vervangen door een lokale productie. De transnationals hebben hiervan ten volle geprofiteerd om in deze landen productiefilialen op te richten en om ter plaatse te produceren voor de lokalen markten.

Een tweede investeringsgolf gebeurde in de loop van de tweede helft van de jaren 70. De economische wereldcrisis veroorzaakte een overproductie voor de monopolies en ontketende een jacht op winstgevende markten en investeringen. De derdewereldlanden dienden als toevluchtsoord voor kapitalen op zoek naar rendabele besteding. 25 % van de rechtstreekse buitenlandse investeringen vonden hun weg naar de ontwikkelingslanden. Deze investeringen hebben niet meer als belangrijkste objectief de lokale markten te controleren (zoals de eerste golf), maar om te produceren voor de export. De derdewereldlanden die volledig faalden in de ‘importsubstitutie’, proberen nu transnationals aan te trekken die voor de buitenlandse markt produceren. Er worden ‘vrijhandelszones’ opengesteld. De transnationals genieten er van een totale vrijheid, van een volledige belastingvrijstelling. Het aantal zones steeg van 52 in 1975 naar 183 in 1985.

Op die manier ontstaat een ‘nieuwe’ internationale arbeidsverdeling: sommige derdewereldlanden (de nieuwe geïndustrialiseerde landen zoals Brazilië. Mexico en de vier Zuid-Aziatische ‘draken’, Zuid-Korea, Taiwan, Hongkong en Singapore) worden overstroomd door multinationale filialen, die produceren voor de wereldmarkten, voor de uitvoer. De transnationals profiteren er van de arbeidskracht die maar een tiende of een twintigste van de ‘normale’ lonen bedraagt. De grote banken nemen volledig deel aan deze kapitaaluitvoer. De overschotten van de ‘petrodollars’ die in de banken van de rijke landen werden geplaatst, worden massaal geleend aan de arme landen om de infrastructuren te bekostigen die nodig zijn om fabrieken te beginnen. De grote producenten van machines en zware uitrustingen vinden in deze derdewereldlanden een onverwachte markt die de verzadiging en de overproductie doet vergeten. Transnationals zoals Caterpillar halen in die periode tot 40 % van het zakencijfer (in 1981) in de derdewereldlanden.

Daarna komt de economische teruggang van 1981-1982 met een nieuwe ineenstorting van de wereldmarkten. De rijke landen sluiten de grenzen voor producten uit de derde wereld. Mexico, dat als eerste verpletterd wordt onder de enorme buitenlandse schuld, stopt de terugbetaling. De dreiging van een financiële wereldcrisis is reëel. In Amerika lanceert Reagan zijn neoliberale politiek om de ‘grootsheid’ en het ‘prestige’ van de Verenigde Staten te herstellen: een politiek van de sterke dollar, van militarisering, van aanmoediging van Amerikaanse monopolies. Tot aan de beurskrach van 19 oktober 1987 zullen de Verenigde Staten een locomotief-rol in de wereldeconomie spelen, met een nieuwe schuldenberg als gevolg. (Zie 114).

Dit alles heeft gevolgen voor de oriëntatie van de investeringen en de p. 141financiële stromen over de wereld.

* De transnationals blijven in de derde wereld investeren maar minder en minder onder de vorm van rechtstreeks kapitaal. Daarentegen blijven de ‘niet-liquide investeringen’ verder stijgen. Een multinational neemt bijvoorbeeld voor 50 % deel aan een investering in Indië. Deze 50 % vertegenwoordigen geen vers, liquide kapitaal maar licenties, knowhow, bijdragen tot het beheer, technologische octrooien. Ofwel sluiten de transnationals contracten van onderaanneming met lokale bedrijven of ze verkopen bedrijven met ‘de sleutel op de deur’.

* De transnationale banken trekken zich maximaal terug uit de landen met ‘groot risico’ en lenen enkel nog met stevige garanties vanwege de internationale instellingen zoals het IMF. Ze richten de beschikbare fondsen naar beleggingen in de Verenigde Staten (de buitenlandse schuld) en naar speculatie op de financiële markten (obligaties, aandelen …). Deze markten kennen een ongeziene uitbreiding: van 45 miljard dollar in 1981 naar 213 miljard dollar in 1985.

323.
Catastrofale gevolgen voor de derdewereldlanden

Een overrompeling door transnationale ondernemingen ontwricht totaal de nationale economie, hun terugtrekking laat alleen puinhopen achter. Nemen we een ‘doorsnee’ land zoals de Filipijnen. Dit land heeft buitenlandse investeerders aangetrokken door vrije zones te openen zoals de grote Bataan Export Processing Zone. De Filipijnse communisten zeggen hierover: “Deze investeringen versterken de greep van het imperialisme op ons land. Ze versterken eveneens de klasse van de lokale burgerij die samenwerkt met het buitenlands kapitaal. Daarentegen is de economische winst die de Filipijnen eruit halen zeer betwistbaar, omdat de economie meer en meer exportgericht is. Dat willen we niet. We hebben behoefte aan een progressieve ontwikkeling van de landbouw en een industrialisatie ten dienste van deze ontwikkeling Maar alles wat in deze richting wordt ontwikkeld door de lokale burgerij, wordt door de multinationale invasie beconcurreerd, omdat de transnationals beroep doen op beschikbare kapitalen en op de meest gekwalificeerde werkkrachten. De bestaande sectoren zoals de textiel en de confectie worden uitgeschakeld. De werkloosheid stijgt. De financiële moeilijkheden van het land worden erger. De winsten gaan naar het buitenland. Voor elke dollar die geïnvesteerd werd tijdens de periode 1975-1985 zijn 3,75 dollar naar het buitenland gegaan. Het land wordt gewurgd door schulden. De transnationals dragen niets bij om dit gat te dichten omdat ze zelf al het beschikbare geld naar hun investeringen draineren. 75 % van de geïnvesteerde kapitalen zijn goedkope leningen op de lokale markt. Ze ontvangen verschillende subsidies en invoervrijstellingen die uiteindelijk via de bevolking worden gerecupereerd.”

Zonder nog maar te spreken van de onmenselijke werkomstandigheden p. 142van de arbeiders in die landen. In de meeste gevallen gaat het over fabrieken met een hoge graad van handarbeid, waarbij de transnationals bij voorkeur vrouwen aannemen die ze driedubbel uitbuiten: als werkkracht zoals bij ons, als werkkracht in de derde wereld (vijf tot zes keer goedkoper dan hier), als vrouwelijke werkkracht (tweemaal goedkoper dan de mannen).

Men ziet hier nog het kapitalisme in zijn primitieve en meest wreedaardige vorm: de arbeidskracht moet zelfs niet voldoende betaald worden om zichzelf en het nageslacht te reproduceren. Er zijn voldoende reserves aanwezig. Maar we zien ook reeds ultramoderne en flexibele bedrijven in de derde wereld opduiken, die als proefbank dienen voor de arbeidsvoorwaarden die het grootkapitaal wil veralgemenen. Het spitsbedrijf van Volkswagen in Mexico heeft enkel arbeiders met een tijdelijk contract in dienst!

Bepaalde derdewereldlanden zijn op die manier belangrijke industriële exporteurs geworden. Die nieuwe industrielanden betalen hun industriële ontwikkeling met een groeiende schuldenlast en met een verstikkende afhankelijkheid. Zij zijn de speelbal van de internationale markten, die gedomineerd worden door de rijke imperialistische landen. Zij blijven technologisch in grote mate afhankelijk en deze technologische kloof verhindert hen de toegang tot de meest gevorderde industrietakken. Brazilië, dat de grootste toevloed kende van transnationals, heeft een buitenlandse schuld van 80 miljard dollar, een inflatie van 1 800 % in 1989.

De laatste jaren spreekt men meer en meer over recentrage. Tegenover de tendens van investeringen naar de derde wereld stelt zich een andere: deze van een terugkeer naar de sterk geïndustrialiseerde landen. Er zijn verschillende redenen die deze stroming uitleggen:

* Het stijgende belang van de technologische factor, van de kennisfactor in de productie vermindert tegelijkertijd het belang van de loonkost. Wanneer we zien dat de meest vooruitstrevende bedrijven in Japan, zelfs in de automobiel- of staalsector, slechts een loonkost van 5 à 10 % in de totale productiekost hebben, betekent dit dat het voordeel van lagelonenlanden vermindert.

* De concurrentie tussen monopolies speelt vooral op technologisch vlak. De geïndustrialiseerde landen hebben eveneens het monopolie over de technologie. 80 % van de nieuwe octrooien (uitvindingen) worden opgetekend in de vijf belangrijkste kapitalistische landen. Daar speelt zich de hardste concurrentiestrijd af, daar willen de monopolies hun krachten bundelen.

324.
Blokvorming

De internationalisering en de stijgende concurrentie op de meest geëvolueerde p. 143markten gaat samen met de vorming van nieuwe blokken. Het Europa-92 project is daarvan de meest spectaculaire uiting. Om beter de strijd op de wereldmarkten te kunnen voeren zetten de Europese groepen zich samen om de Europese ‘thuismarkt’ beter te overheersen, om de kosten van research te delen, om vanwege een Europees staatsapparaat een efficiëntere steun te krijgen dan de afzonderlijke nationale staten kunnen bieden.

De ‘Europese eenheidsmarkt’ dekt formeel gezien niets anders dan de vrije circulatie van personen, goederen, diensten en kapitalen. Maar het proces dat ingezet werd op bevel van de grote monopolies (sinds 1983 verenigd in de ‘Ronde Tafel van Europese Industriëlen’) heeft ingrijpende gevolgen op alle vlakken.

1o De grote herstructureringen die dit project ‘Europa zonder grenzen’ veroorzaakt versterken de internationale hergroeperingen en centralisatie in Europa. Er ontstaat een versnelde Europese monopolievorming. De eengemaakte markt is zegen voor de grootste, de financieel sterkste en de geografisch meest vertakte groepen. Door een nooit geziene golf van fusies, overnames, raids (zoals die op de Generale Maatschappij in 1988) jagen de Europese groepen de beste uitgangspositie na met het oog op de eengemaakte markt. Dit betekent een nog grotere concentratie van macht en rijkdom in de handen van enkelen.

2o Een frontaal offensief wordt ingezet tegen de arbeidersklasse en heel de bevolking. De wilde herstructureringsgolf van de monopolies en de nivelleringsdruk vanuit de Europese structuren, brengen een nieuwe, versnelde spiraal van afbraak op gang, waarbij de sociale verworvenheden, de werkplaatsen en de werkvoorwaarden, de lonen, de openbare voorzieningen, de democratische en syndicale rechten in het gedrang komen. De sociale chantage en dumping kunnen zich vrij ontwikkelen op ondernemingsniveau bij gebrek aan enig dwingend gebod tot gelijkschakeling naar boven.

3o Er wordt gewerkt aan een Europees staatsapparaat dat de belangen van de monopolies behartigt en de dictatuur van de monopolies bekrachtigt. De ‘eengemaakte markt’ spoort er de Europese burgerij toe aan haar supranationale besluitvorming te versterken. De werkers worden onderworpen aan een Europese dwangbuis die de economische eisen van het grootkapitaal oplegt en de sociale normen naar beneden drukt. Het eengemaakte Duitsland wordt een nieuwe supermacht die de Europese eenmaking naar zijn hand zet.

De burgerij werkt aan de uitbouw van een Europees repressieapparaat. Haar doel is tot een Europese wetgeving te komen, waarvan de motor de strijd tegen de ‘binnenlandse vijand’ is (of de progressieve en arbeidersbeweging) en de ‘buitenlandse vijand’ (vooral de progressieve derdewereldlanden en de politieke vluchtelingen). Onder het voorwendsel van de strijd legen het terrorisme, wil deze eenmaking de democratische p. 144wetgeving naar beneden toe ‘harmoniseren’, dat wil zeggen tot het Duitse niveau. De Europese eenmaking wil een soort ‘sanitair cordon’ uitbouwen aan de buitengrenzen, waardoor de jacht op ‘clandestiene inwijkelingen’ en politieke vluchtelingen nog wreder zal worden. Om deze wetgeving te doen toepassen, bereidt men een spionnen- en politie-Europa voor dat door niemand wordt gecontroleerd, maar zelf de hele bevolking onder controle houdt.

4o De cultuur van het Eurochauvinisme versterkt de verontrustende stroming om de inwoners van Europa, afkomstig uit de derde wereld, definitief in een statuut van tweederangsburgers te duwen. Verwerpelijke ideologieën als het racisme en het fascisme kunnen zich in dat klimaat vrij ontplooien. Thema’s die door extreemrechts worden gelanceerd, worden overgenomen in de programma’s en de politieke praktijk van de grote burgerlijke partijen.

5o Europa gaat zich als een versterkt imperialistisch blok opstellen tegenover de derde wereld. De vrije circulatie van personen binnen Europa geldt niet voor migranten uit de derde wereld en de barrières voor nieuwe economische en politieke vluchtelingen worden hoger opgetrokken. Het Europees gebundelde onderzoek naar nieuwe productieprocedés en materialen, duwt de derde wereld verder in een industrieel en technologisch marginale positie. De technologische kloof wordt groter, de huidige internationale arbeidsverdeling wordt erdoor versterkt: de derde wereld als leverancier van goedkope grondstoffen en goedkope industriële arbeidskrachten.

De schuldenberg zorgt voor een permanente aderlating van de derde wereld. De netto-kapitaalstroom van Zuid naar Noord bedroeg 38 miljard dollar in 1987, 43 miljard dollar in 1988. Europese banken en staten slokken een flink deel hiervan op. Ook op dat vlak wordt de machtspositie van de Europese landen tegenover de derde wereld versterkt door de eenmaking.

325.
Het Vierde Rijk in de maak?

De val van de socialistische regimes in het Oostblok, de economische inlijving van die landen door de transnationale banken en bedrijven schept een nieuwe situatie in Europa. De dreiging van een Vierde Reich, van een nieuwe economische en politieke grootmacht midden in een ‘groot-Europa’ wordt reëel. De Duitse en andere Europese monopolies concentreren zich op het inpalmen van de Oost-Europese bedrijven en markten.

De nieuwe situatie zal de tegenstellingen in de wereld op het eerste zicht verminderen, maar zal uiteindelijk leiden tot een veel scherper gevecht voor de wereldsuprematie tussen het ‘groot-Duitse Europa’, Japan en de VS. De kloof met de derde wereld wordt er alleen maar groter door. Anderzijds zullen grote delen van Oost-Europa als neokoloniaal achterland van de rijkste Europese staten dienst doen. De internationale p. 145arbeidsverdeling zal in dit groot-Europa belangrijke wijzigingen ondergaan. Nu al stelt men twee fenomenen vast. Vooreerst, een uittocht van werkloze arbeidskrachten naar ‘het Westen’, waar ze met open armen worden ontvangen door het patronaat (in tegenstelling met de ongeschoolde arbeidskrachten uit de derde wereld). De hier reeds aanwezige vreemdelingen uit de derde wereld dreigen nog verder uitgestoten te worden en mikpunt te worden van racistische haatcampagnes, omdat hun arbeidskracht (op het ogenblik) kan gemist worden. Ten tweede, een verplaatsing van bepaalde onderdelenproductie naar Oost-Europa, waarbij de pas tot ‘vrij’ land gepromoveerde staten al dienst doen als goedkope leveranciers en onderaannemers voor de westerse bedrijven.

33.
Vakbond en internationalisering

Het syndicalisme wordt meer en meer geconfronteerd met de gevolgen van de internationalisering. De vakbonden moeten hun positie bepalen tegenover de herstructureringen die tegen een steeds sneller tempo worden doorgevoerd:

— Verschuiving van de productieplaatsen naar lagelonenlanden (zoals de overplaatsing van Philips-Leuven naar Singapore).

— Sluitingen die worden beslist door buitenlandse hoofdkwartieren, zoals Concord-Lighting, Michelin, British Leyland, Prestige, enz.

— Herstructureringen die Europe 1993 voorbereiden, zoals die van de Generale Maatschappij, de voedings-, de bank- en verzekeringssector …

— Bedrijven die zich afstemmen op segmenten van de markt, overgaan tot interne herstructurering en daarbij productafdelingen afstoten of sluiten.

De vakbonden moeten anderzijds hun positie bepalen tegenover de grote evoluties die de ‘mondialisering’ bepalen, de nieuwe machtsverhoudingen in de wereld, Europa 92, de nieuwe circuits van uitbuiting en de strijd daartegen op wereldvlak.

331.
De vakbondsinternationales

De opstelling van de nationale vakbonden in de bestaande wereldorde wordt officieel uitgedrukt in hun aansluiting bij internationale vakbondsorganisaties. Hoewel die vaak heterogeen zijn qua samenstelling en er mogelijkheid is tot verschillende tendensen, verloopt de groepering in verschillende internationales langs duidelijke ideologische lijnen. (Zie 331 bis.)

In twee van de drie grote internationales spelen de Belgische vakbonden een belangrijke rol.

Het ABVV maakt deel uit van het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen (IVVV). De lijn van het IVVV wordt gekenmerkt door p. 146de grondslagen die haar oprichting hebben bepaald. ‘Vrije vakbonden’ waren anticommunistische vakbonden. De WVV-vakbonden werd hun afhankelijkheid tegenover de communistische partijen verweten, maar de band vakbond-partij was minstens even evident tussen de West-Europese vakbonden en de sociaaldemocratische partijen of tussen de Britse TUC en de Labour Party. ‘Vrije’ vakbonden kozen duidelijk voor hervormingen binnen een kader van vrijemarkteconomie, voor een bourgeois-democratie.

Binnen de aangesloten IVVV-vakbonden is er echter altijd een verschil in ‘dosering’ geweest tussen anticommunisme en hervormingen, wat leidde tot een permanente spanning tussen de Amerikaanse vakbond AFL-CIO en de Europese sociaaldemocratisch georiënteerde vakbonden.

Toen het IVVV in 1949 werd opgericht als scheuring van het WW werd de internationale (ideologisch en financieel) gedomineerd door de Amerikaanse vakbond AFL, voor wie elke min of meer radicale hervorming gelijk stond met communisme. De vakbonden die afgestemd waren op de Europese sociaaldemocratie kwamen geleidelijk op voor een meer pragmatisch reformistisch beleid. Na de koude oorlog verloor de ondertussen gefusioneerde AFL-CIO aan invloed en verliet ze zelfs de organisatie in 1969, als protest tegen de toenadering tussen IVVV en WW. Via haar eigen, machtige ‘vormingsinstituten’ en via de Amerikaanse beroepscentrales (chemie, metaal, communicatie …) bleef het AFL-CIO echter onverminderd het spook van het communisme bekampen in de derde wereld, waardoor ze op zijn zachtst gezegd eerder het embleem AFL-CIA verdient.15 De AFL-CIO bleef ook onverminderd de regionale IVVV-organisatie in Latijns-Amerika domineren (de ORIT). Verschillende derdewereldvakbonden die bij het IVVV zijn aangesloten zijn pure producten van de AFL-CIO (vooral in Zuid-Azië en Latijns-Amerika). Verschillende van hen werden in Zuid-Azië, in Zuid-Korea, de Filipijnen en de Asean-landen (Maleisië, Singapore en Thailand) de officiële regeringsvakbond en de steunpilaren van de pro-Amerikaanse regimes (de TUCP op de Filipijnen was de enige door Marcos erkende vakbond!) Zij belijden een systeemvriendelijk en anticommunistisch syndicalisme. Dit wordt onderwezen in de speciaal hiervoor opgerichte instituten van het AFL-CIO, die rechtstreeks door de Amerikaanse regering worden gesubsidieerd. Het AIFLD-instituut bijvoorbeeld opereert officieel sinds 1961 in Latijns-Amerika en ontvangt hiervoor jaarlijks naar schatting minstens 10 miljoen dollar van de Amerikaanse regering, naast giften van de Amerikaanse patroons. Het AIFLD en de ORIT bekampten er progressieve regimes door het steunen of oprichten van eigen vakbonden en bereidden daarmee de weg voor CIA-staatsgrepen (o.a. in Guatemala in 1954, Brazilië in 1964 en Chili in 1973).

De AFL-CIO heeft een gelijkaardig instituut voor Azië (AAFLI) en in Afrika (AALC). Op 25 jaar tijd passeerden minstens 600 000 à 700 000 vakbondsleiders langs een van deze drie vormingsinstituten. Het West-Europese IVVV-model voor hulp aan derdewereldvakbonden, de Duitse p. 147Friedrich Ebert Stiftung, verricht op gelijkaardige wijze sponsoring van de bevriende vakbonden en heeft een eigen vormingsinstituut in Jakarta.

Het is ongetwijfeld mede omwille van de controle over derdewereldvakbonden dat de AFL-CIO in 1981 opnieuw volwaardig lid is geworden van het IVVV.

Over cruciale derdewereldkwesties zoals Palestina, Nicaragua, de Filipijnen, Korea, China, Irak … zit het IVVV doorgaans op de koers van de AFL-CIO, van de Amerikaanse liberals (democraten) en … van de CIA. Dit leidt wel geregeld tot oppositie. Op aansturen van de Europese vakbonden worden momenteel pogingen ondernomen om meer radicale derdewereldvakbonden aan te trekken (zoals COSATU in Zuid-Afrika). Vanuit haar fundamentele reformistische en anticommunistische opstelling is het IVVV echter gekant tegen echt anti-imperialistische vakbonden in de derde wereld, zoals de KMU in de Filipijnen. Het IVVV wil de scherpe kanten van het imperialisme en de onbeperkte willekeur van de transnationals onder ‘controle’ brengen. Het IVVV wil de Westerse overleg- en medebeheerpraktijken uitbreiden op wereldvlak. Een bekend exponent hiervan was Charles Levinson, gewezen voorzitter van het ICEF (internationale van de chemie): grote aanklager van de transnationals, groot voorstander van medebeheer en visceraal anticommunist.16

De aangesloten beroepssecretariaten van het IVVV spelen soms een actieve rol bij het organiseren van internationale solidariteit bij stakingen, syndicale repressie, enz. Als positief voorbeeld vermelden we de wereldwijde boycot-campagne tegen Coca-Cola als steun aan de 450 arbeiders in Guatemala die gedurende negen jaar vochten tegen een van de machtigste transnationals.17 De campagne werd geleid door de IUF (voeding). Ook in de boycot van Zuid-Afrika spelen de beroepssecretariaten een actieve rol. De reeds vernoemde ICEF (chemie, energie) en de FIOM (metaal) liggen ook aan de basis van verschillende ‘Wereldconcernraden’, met vakbondsafgevaardigden van wereldgroepen als Philips. General Motors. Ford, Nestlé, Akzo, Unilever, Solvay, BSN-Glaverbel, enz.

Het ACV bekleedt een vooraanstaande plaats in het Wereldverbond van de Arbeid (WVA). Op het congres van Caracas in november 1989 werd de kersverse ACV-voorzitter Peirens tot voorzitter van het WVA verkozen. Men kan zelfs stellen dat het WVA staat of valt met het ACV.

Christelijke vakbonden zijn opgericht om het socialisme en communisme te stoppen, om de ‘misbruiken’ van het kapitalisme in een geest van klassensamenwerking te verhelpen, om arbeid en kapitaal te doen samenwerken (Rerum Novarum). De opeenvolgende ACV-voorzitters zullen zich in het kader van het WVA met hart en ziel aan deze taak wijden, vooral aan het indijken van het communisme over de hele wereld. In het kader van het WVA voerde de voormalige ACV-voorzitter August Cool na de Tweede Wereldoorlog een anticommunistische kruistocht in Afrika, Azië en Latijns-Amerika.18 Op die basis heeft het WVA een relatief belangrijke invloed opgebouwd in de derdewereldlanden, in p. 148het bijzonder in Latijns-Amerika (langs de regionale vakbondsorganisatie CLAT) en sommige Afrikaanse landen (zoals Zaïre).

Maar verschillende van die organisaties worden anderzijds beïnvloed door de bevrijdingstheologie, meer bepaald in Latijns Amerika. Op het congres van Evian in 1973 wordt onder druk van het Franse CFDT en van Latijns-Amerikaanse vakbonden een belangrijke verbale radicalisering doorgevoerd. Er wordt een anti-imperialistisch programma goedgekeurd waarin onder meer wordt gesteld: “Ontwikkeling is alleen nog denkbaar buiten het kapitalistisch systeem, dat in de loop van zijn bestaan mannen en vrouwen heeft onderdrukt in de geïndustrialiseerde landen en in nog veel ergere mate in de derde wereld.” Het WVA wil opkomen voor ‘het echte socialisme, d.w.z de socialisering van de grote productie- en ruilmiddelen in handen van de werkende mensen en in dienst van het volk, de democratische planning van de economie en haar ontwikkeling, de weg van het zelfbeheer en de opheffing van het salariaat.’19

Een radicalisering die daarna snel weer afgevlakt wordt. Houthuys (die op dat moment in de Trilaterale zetelt naast Carter en Brzeziński) trekt onmiddellijk op kruistocht tegen de congresbesluiten van Evian en weet na 1977 (wanneer het CFDT het WVA verlaat) het tij te keren. De huidige WVA-posities lopen weer mooi in de pas. In de pas van de Europese christendemocratie, die bijzonder grote aandacht besteedt aan Latijns- en Midden-Amerika. Een van de belangrijke instituten waarlangs deze ‘interesse’ verloopt is de Konrad Adenauer Stiftung die door de Duitse CDU opgestart werd om “vormingsactiviteiten op te zetten in Latijns-Amerika (en later in andere werelddelen)”. De KAS steunt jaarlijks met miljoenen marken de Christendemocratische Organisatie voor Amerika20 en financiert vormingsinstituten van de CLAT en de BATU (respectievelijk in Caracas en Manilla). De wegen van de Europese christendemocratie (én haar geldstromen) lopen merkwaardig gelijk met die van de Amerikaanse AFL-CIO en van de CIA.

De Poolse ‘vrije’ vakbond Solidarność (die zich zowel bij het WVA als bij het IVVV heeft aangesloten) wordt het nieuwe troetelkind van het WVA en dient nu als nieuw ‘model’ voor de derdewereldvakbonden: christelijk, sterk anticommunistisch en vóór de markteconomie. De ‘onafhankelijke’ Poolse vakbond speelde een merkwaardige politieke rol in het herstel van het kapitalisme. De gewezen secretaris-generaal van het WVA, de Pool Kułakowski, wordt in 1989 ambassadeur van het nieuwe Poolse regime bij de Europese Commissie.

De rol die beide internationales, het WVA en het IVVV sinds jaar en dag spelen langs hun ‘vormingsinstituten’ in derdewereldlanden, zal nu in nog sterkere mate worden overgedaan in het Oostblok. De rush van partijen en vakbonden om er hun kaders te vormen, om nieuwe partijen en vakbonden te financieren wordt alleen overtroffen door de snelheid waarmee de Westerse monopolies de economie inpalmen. Nadat onze monopolies de goedkope arbeidskrachten terug tot loonslaven hebben gemaakt, mogen ze zich nu ook in ‘vrije’ vakbonden organiseren om te p. 149strijden tegen werkloosheid, tegen genadeloze winstjacht van enkelen en tegen sociale ongelijkheid. Vrijheid van uitbuiting en ‘vrije’ vakbonden: het toont op treffende wijze hoe innig de twee verbonden zijn.

331 bis.
Een korte geschiedenis van de vakbondsinternationales1

De eerste vakbondsinternationales bestonden uit beroepsorganisaties (drukkers, kleermakers, metaalarbeiders, textielbewerkers …). Ze ontstonden op het einde van de vorige eeuw en bestaan nu nog steeds; ze vormen de zuil van de beroepsactie bij het sociaaldemocratische IVVV. (Zie verder.)

Een eerste poging tot vereniging van nationale verbonden, die in 1913 de naam van IFTU (International Federation of Trade Unions) meekreeg, spatte onmiddellijk uit mekaar in drie blokken: die van de twee oorlogvoerende kampen en een neutraal blok. Na de oorlog, in 1919, wordt het IFTU terug opgericht. In 1921 verlaat het Amerikaanse AFL de organisatie omwille van haar te uitgesproken socialistische doctrine (1921) en de communistische vakbonden richten een eigen vakbondsinternationale op: de Red International of Labour Unions (Profintern). In 1920 werd tenslotte ook het ICV opgericht, het Internationaal Christelijk Vakverbond.

Na de Tweede Wereldoorlog wordt deze verdeling in ideologische blokken tijdelijk doorbroken. In oktober 1945 wordt in Parijs het Wereldvakverbond opgericht (WVV) waarbij communistische en socialistische organisaties uit 71 landen met 70 miljoen leden zijn aangesloten. Alleen de Amerikaanse AFL en de christelijke vakbonden weigeren om lid te worden.

Het AFL voert (in samenwerking met de CIA) een actieve splitsingspolitiek om het communisme in West-Europa de pas af te snijden en zet de sociaaldemocratische vakbonden aan om zich achter het Marshallplan te scharen, voor de heropbouw van Europa onder Amerikaanse vleugels. Het leidt uiteindelijk tot een scheuring en de wederoprichting van het vroegere IFTU in 1949. De naam wordt ICFTU, International Confederation of Free Trade Unions (IVVV — Internationaal Verbond der Vrije Vakverenigingen). De Amerikaanse AFL-CIO beschuldigt het IVVV van tolerantie tegenover het communisme en schorst in 1969 zijn lidmaatschap op; vanaf 1981 zijn ze echter weer volwaardig lid.

De drie vakbondsinternationales:

Het WVV (WFTU) telde tot voor kort 190 miljoen leden, waarvan p. 150100 miljoen in de Sovjet-Unie. Naast de Oost-Europese communistische vakbonden waren ook het Franse CGT er lid van. (Niet de Italiaanse CGIL.) De Chinese en de Albanese vakbond zijn sinds 1960 geen lid meer. In de derde wereld zijn vakbonden uit Angola, Cuba, Ethiopië, Vietnam, Irak en kleinere vakbonden uit India (AITUC), de Filipijnen (TUPAS), Zuid-Afrika (SACTU) en Sri Lanka (DWC) aangesloten.

Hoe zal het WVV evolueren na de ineenstorting van de meeste communistische partijen en regimes in het Oostblok? De Bulgaarse, Hongaarse en Tsjechische vakbond zijn reeds (juli 1990) ontbonden en heropgericht op een lijn van ‘sociale markteconomie’. De nieuwe vakbonden belijden alle hun ‘onafhankelijkheid van staat, partijen en andere politieke organisaties’. De nieuwe Tsjechische vakbond heeft het WVV verlaten en is aangesloten bij het IVVV. De andere vakbonden hebben in de praktijk al het WVV verlaten. De Oost-Duitse vakbond is ingelijfd door de West-Duitse DGB en verhuist dus automatisch naar het IVVV. Onder die voorwaarden is het nog onduidelijk hoe het WVV zal evolueren. Spat de internationale uit mekaar door de vaandelvlucht van de meeste leden? Wordt het een nieuwe hergroeperingspool voor radicale derdewereldvakbonden? Of gaat het WVV ook de sociaaldemocratische weg op om als tijdelijk forum en overgangsbrug naar het IVVV te fungeren? De evolutie van de Russische vakbond kan beslissend zijn.

Anderzijds installeert zich in alle Oost-Europese landen een situatie van ‘vakbondspluralisme’. Verschillende nieuwe vakbondscentrales worden opgericht, die nog niet zijn aangesloten bij internationales. In Polen is de situatie specifiek: de oude ‘onafhankelijke’ vakbond Solidarność is zowel bij het WVA als het IVVV aangesloten en is ondertussen gesplitst in een pro- en een contra-Wałęsa vleugel. Solidarność ontvangt nu meer geld uit het buitenland dan van haar snel slinkende leden. De communistische vakbond is een oppositievakbond geworden die onder meer alle trouw gebleven communisten aan de basis hergroepeert.

Zowel het WVA als het IVVV hopen een maximum aan organisaties te recupereren.

Het IVVV, dat is ontstaan in oppositie tegen het WVV, telt ongeveer 85 miljoen leden, vooral in West-Europa en Noord-Amerika. Ongeveer 62 miljoen leden (75 %) komen uit de rijke landen van de OESO-zone, met de Duitse DGB, de Amerikaanse AFL-CIO, de Britse TUC, de Italiaanse CISL en de Scandinavische bonden als ‘zwaargewichten’. In de derde wereld heeft het IVVV enkele aangesloten vakbonden in Zuid-Amerika (CGT in Argentinië en kleinere in Brazilië, Colombia, Mexico, Peru, Venezuela …) en in Azië (Bangladesh, Zuid-Korea, Pakistan, Filipijnen …)

p. 151

Tot de familie van het IVVV behoren ook de belangrijke internationale beroepssecretariaten met 60 miljoen leden, die een min of meer onafhankelijke koers volgen. De belangrijkste zijn de FIOM (Metaal), de ICEF (scheikunde en energie), de IUF (voeding) en de FIET (handel en bedienden). Er is een duidelijke tendens waar te nemen tot eenmaking van de verschillende ideologische stromingen binnen deze beroepssecretariaten, die ook vakbondscentrales uit christelijke hoek (ACV-voedingscentrale) of van onafhankelijke bonden (uit de derde wereld) groeperen.

Het WVA (Wereldverbond van de Arbeid) is de verderzetting van het Internationaal Christelijk Vakverbond die in 1920 werd opgericht om de sociale leer van de encyclieken uit te dragen tegen het socialisme en het communisme. Oorspronkelijk was het ICV een uitsluitend West-Europese aangelegenheid met het ACV als belangrijkste ‘zwaargewicht’. Vanaf de jaren 50 maken de derdewereldvakbonden de overgrote meerderheid uit van het WVA, dat met zijn 15 miljoen leden de kleinste internationale is. In Afrika zijn er WVA-vakbonden in een 15-tal landen, waaronder relatief belangrijke in Liberia, Mauritius, Senegal en Togo.

In Latijns- en Midden-Amerika heeft het WVA kleine vakbonden in vrijwel alle landen, met belangrijke in Colombia, Ecuador, Puerto Rico, de Dominicaanse Republiek en Venezuela. Ze zijn georganiseerd in de regionale koepel CLAT.

In Azië zijn ze aanwezig in acht landen, met belangrijke afdelingen in Bangladesh, Indonesië, Maleisië, de Filipijnen en Sri Lanka. De regionale koepel heet er BATU.

In 1968 verandert het ICV van naam (en wordt WVA) onder druk van de derdewereldvakbonden die geen puur ‘christelijke’ organisatie willen. De deconfessionalisering van het Franse CFTC (wordt CFDT in 1964) draagt ook bij tot de wijziging: naast de christelijke leer wordt het personalisme een ideologische referentiebron. Wanneer het CFDT het WVA verlaat, blijft het ACV als enige belangrijke Europese vakbond achter, naast het kleinere CNV in Nederland.

1.
Dit overzicht is gebaseerd op: Emiel Vervliet, “Internationale Vakbeweging en de derde wereld”, Tijdschrift voor Ontwikkelingssamenwerking, NCOS, december 85 en Jean Auger, Syndicalisme d’Europe, syndicalisme des autres.
p. 152

332.
Export van het overlegmodel

De Belgische vakbonden nemen tegenover de wereldproblemen, veroorzaakt door het imperialisme, een ‘gematigd reformistische’ houding aan. Zij werpen zich op als kampioenen van het overleg en het compromis en proberen het ‘Belgische overlegmodel’ op internationale schaal te projecteren. Op de internationale vakbondsscène zijn zij de grote verdedigers van het zoeken naar oplossingen door drieledig overleg (regering, patroons, vakbonden) en conventies. De activiteit van de transnationale ondernemingen, van de imperialistische landen moet onder ‘controle’ gebracht worden door ‘gedragscodes’ zodat de negatieve aspecten worden ingetoomd. Zij hechten daarom bijzonder veel belang aan het optreden van internationale instellingen zoals de Verenigde Naties en haar Internationale Arbeidsorganisatie (IAO).

De IAO is de enige internationale organisatie waarin de vakbonden stemrecht hebben. Elk land is er vertegenwoordigd door een afgevaardigde van de patroons, een van de vakbond(en) en twee van de regering en weerspiegelt aldus het model van drieledig overleg op wereldvlak. De vakbondsinternationales ondersteunen en coördineren het werk van hun leden in de IAO-bijeenkomsten, commissies, enz. Die leiden vooral tot het vastleggen van internationale normen en aanbevelingen. Normen moeten door de lidstaat die ze aanvaard en geratificeerd heeft in de wetgeving worden opgenomen, aanbevelingen niet. In totaal heeft de IAO sinds haar oprichting in 1919 meer dan 300 normen en aanbevelingen goedgekeurd over gelijke behandeling van mannen en vrouwen, over syndicale vrijheid, over minimumnormen inzake sociale zekerheid … In 1990 nog kwam de IAO bijvoorbeeld terug op haar verbod inzake nachtarbeid voor vrouwen en maakte voortaan afwijkingen mogelijk op het protocol van 1948 dat elke nachtarbeid in de industrie uitsloot. Het illustreert heel goed hoe de IAO evolueert op de hartslag van de vakbonden uit de rijke landen, die deze normwijziging hebben aanvaard om te beantwoorden aan de patronale vraag naar flexibele werksystemen.

Er valt nog weinig onderscheid te maken tussen de opstelling van de ACV- en de ABVV-leiding inzake internationale problemen. Geen van beide vakbondsleidingen vertrekt vanuit een klassestandpunt van principiële steun aan alles wat het imperialisme verzwakt en de bevrijding van de volkeren in de hand werkt.

Bij het meest geëngageerde deel wordt de oplossing voor de onderontwikkeling in twee richtingen gezocht: enerzijds in grootse internationale hulpplannen, zoals een internationaal marshallplan voor de derde wereld (naar het rapport Willy Brandt), anderzijds in kleinschalige hulp aan plaatselijke ‘projecten’ (ACV-congres 1990). Dikwijls blijft het op niveau van morele verontwaardiging over de onmenselijke ‘schaduwzijden’ van het imperialisme, zonder globale antikapitalistische opstelling tegenover de neokolonialistische mechanismen van uitbuiting. Een kleine minderheid werkt aan de uitbouw van internationale solidariteitscontacten aan p. 153de basis voor de versterking van de strijd.

Een ander deel van de vakbond argumenteert voor ‘hulp’ en ‘rechtvaardige’ structuren vanuit een welbegrepen eigenbelang. De redenering luidt: als het kruitvat van de derde wereld niet wordt ontmijnd, dreigt de verworven welvaart hier in het gedrang te komen. Dit is ook het uitgangspunt van het rapport Brandt. Maar daarmee verandert men niet de economische wetmatigheid van het systeem, weigert men het kwaad bij de wortel aan te pakken en verschuilt men zich achter vrome wensdromen en illusies.

Een klein reactionair deel tenslotte denkt alleen vanuit de verdediging van ‘onze concurrentiepositie’, ondersteunt protectionistische akkoorden (Multivezelakkoord in de textiel) en gaat mee op handelsmissies van regering en patroons voor het veroveren van nieuwe markten. Zij hopen mee te profiteren van het imperialisme en volgen tot in zijn meest reactionaire consequenties de redenering van het Amerikaanse AFL-CIO: “wat goed is voor onze concurrentiepositie is goed voor onze arbeiders en is dus goed voor iedereen”.

De bilaterale contacten van ACV- en ABVV-leiding worden bepaald door hun steun aan die vakbonden die zich gematigd en reformistisch opstellen, wat bijna altijd gelijk staat met anticommunistisch. Zo komen ze dikwijls in het pro-imperialistische kamp terecht en spelen ze een belangrijke systeembestendigende rol, tegen de bevrijdingsstrijd in. In Nicaragua heeft de ACV-leiding consequent de provocatieactiviteiten van de oppositievakbond gesteund tegen het Sandinistische bewind. De ACV-leiding heeft dus actief meegewerkt aan de val van het Sandinistische bewind en de terugkeer van de pro-Amerikaanse marionetten en contra’s. De ABVV-leiding neemt regelmatig een duidelijke pro-Israëlische houding in, heeft uitstekende contacten met de Histadruth en neemt tijdens de Golfoorlog een bijzonder merkwaardig havikenstandpunt in. (Zie 64.) Geen van beide vakbondsleidingen ziet in de onderdrukking van de Palestijnse Intifada een reden om hun betrekkingen met de Histadruth te verbreken, maar beide schortten wel onmiddellijk hun contacten op met de Chinese vakbonden na Tien An Men. Geen van beide schrikt terug om zich te laten ‘voorlichten’ door de Amerikaanse AFL-CIO en de Amerikaanse veiligheidsdiensten in België. Vakbondsleiders worden ontvangen in de NAVO-basis van Casteau (wellicht niet om de militairen te syndiceren) en om de beurt gaan ACV-topleiders cursus volgen in de Verenigde Staten, georganiseerd door The United States Information Agency (wellicht niet om ideeën op te doen voor de klassenstrijd in België).

333.
De farce van het ‘sociale Europa’

Door de Europese blokvorming (1992) zijn de syndicale structuren onder een enorme druk komen te staan. Het initiatief van de eenheidsmarkt heeft verstrekkende gevolgen op het vlak van industriële herstructurering, p. 154staatstussenkomst in de economie, sociale wetgeving, werkgelegenheid, enz. De ‘weldaden’ van de overlegeconomie werden eerst zwaar afgeknot door de crisispolitiek en worden nu verder uitgehold onder de internationale concurrentiedruk van Europa 93.

De vakbondsleidingen worden volledig overrompeld door de onstuimige ontwikkeling van dit kapitalistische offensief. Daarvan getuigt ook de zwakheid van de Europese vakbondsorganisatie. Het EVV werd opgericht in 1973 en groepeert de niet-WVV vakbonden uit 18 Europese landen (het Franse en Portugese CGT, noch de Spaanse Commissiones Obreras maken er deel van uit). Met 1992 voor de deur probeert men het Europese Vakverbond nieuw leven in te blazen en over te schakelen van een bureaucratische structuur zonder enig vat op de basisvakbonden, naar een effectief opererende actieorganisatie. Niet zonder moeite en onenigheid.21 Op het congres van Stockholm (1988) werd het eerste programma goedgekeurd en de eerste schuchtere pogingen tot ‘actie’ gingen de mist in.

Dat de vakbondsstructuren hopeloos achteroplopen bij de gebeurtenissen heeft in de eerste plaats te maken met hun vervlechting met de nationale ‘overlegeconomieën’. De vakbondsleidingen zijn sinds lang gewonnen voor klassensamenwerking op nationaal vlak en hebben op deze compromissenpraktijk het grootste deel van hun ‘medezeggenschap’ gebouwd. Die nationale vervlechting heeft het internationale klassebewustzijn meestal ver naar de achtergrond gedrongen.

Maar het achteroplopen heeft ook met andere strategische opties van het EVV en van nationale vakbondsinstanties te maken. De vakbonden zullen steeds achter het patronaat aanlopen als zij geen correcte klassepositie innemen tegenover het Europa (en straks het Groot-Europa?) in wording. Het EVV en de meeste Europese vakbondsleidingen staan positief tegenover het motief van de eenmaking. Zij scharen zich achter de patronale doelstellingen van de eenheidsmarkt: de concurrentiepositie tegenover Japan en de VS verbeteren en de ‘eigen’ markt beter controleren om sterker te staan op de wereldmarkten. Een extreem voorbeeld van deze lotsverbondenheid vindt men in de geschriften van de LBC-maritieme sector en buitenlandse handel: “Wil men zich economisch handhaven op wereldvlak, is het dringend nodig dat men werk maakt van een echt verenigd Europa. […] Het is immers de bedoeling om met het verenigde Europa van 1992 een economisch tegengewicht te vormen tegen Japan en de Verenigde Staten. Anderzijds wil men zich wapenen om andere wereldmarkten te veroveren zoals onder meer China, Australië, Nieuw-Zeeland.”22

Sommige vakbondsleiders (ACV-congres 1990) lopen klakkeloos mee in de patronale beloftes van grotere welvaart en meer werkgelegenheid, zoals die onder meer door het Cecchini-rapport werden beloofd. “Het is logisch en verantwoord dat wij hier de meest optimistische benadering volgen’, gaat de LBC-brochure verder, “Wij kunnen het slechts herhalen: als kapitaal en arbeid vanuit een sociale ingesteldheid bereid worden gevonden tot samenwerking is enig optimisme gewaarborgd.” Anderen p. 155(CMB-congres 1990) leggen een grotere nadruk op de gevaren voor de werkers. Voor allen is het strategische objectief, het inperken van ‘de eenzijdig liberale aanpak’ van de eenmaking en het ‘toevoegen’ van een ‘sociaal Europa’ om zo de ‘misbruiken’ van de markteconomie in te tomen.

Als men ervan uitgaat dat het patronaat hoe dan ook moet gesteund worden in zijn marktoffensief, dan zit men onherroepelijk al met problemen om radicaal de sociale vernielingen van de eenheidsmarkt te stoppen.

Een laatste reden waarom de vakbondsleidingen achteroplopen, is hun bureaucratische aanpak van de internationale eenmaking. Tegenover de transnationals en de internationalisering heeft de vakbondsleiding een uitgesproken bureaucratische reflex.

Op dit ogenblik heeft de Europese Commissie geen enkele bevoegdheid op sociaal vlak; de sociale wetgevingen behoren tot de strikt nationale materies. De vakbondsleidingen dromen ervan om op internationaal niveau dezelfde weg te volgen als deze die ze gedurende een eeuw op nationaal niveau hebben opgehemeld: de weg van de ‘economische democratie’. Deze ‘economische democratie’ zal gebouwd worden op dezelfde assen als op nationaal niveau, dat wil zeggen enerzijds de tussenkomst van een supranationale staat en van supranationale instellingen, en anderzijds de vakbondsaanwezigheid in supranationale overleg- en controleorganen. Dit alles zal gerealiseerd worden door zachte druk en dankzij de verbonden politieke partijen. Tegenover het Europa van het grootkapitaal, wordt een bureaucratische ‘tegenmacht’ gesteld. Alle nationale illusies van ‘controle’, ‘staatstussenkomst en -bescherming’ moeten op Europees vlak worden overgedaan. Ze smeken het patronaat om hun verantwoordelijkheidszin op nationaal niveau niet te vergeten en hen op internationaal vlak even ernstig ie nemen als op nationaal vlak.

Ze richten hun hoop op het tot stand komen van een ‘Europees overleg’, van Europese kaderakkoorden en op een ‘sokkel van sociale minimumrechten’ (het ‘Sociale Charter’).

Bij de bourgeoisie zijn twee stromingen aanwezig ten opzichte van het ‘sociale Europa’. De liberale zijde wil de sociale bescherming tot het strikte minimum beperken en de concurrentie en de neerwaartse nivellering zolang mogelijk de vrije loop laten. De sociaaldemocratische strekking vreest dat op deze manier in Europa de klassenstrijd wordt aangewakkerd De twee strekkingen zijn vertegenwoordigd bij het patronaat. De vakbondsleiding waarschuwt de burgerij dat de werkers nooit ‘warm gemaakt kunnen worden’ voor een Europa dat hen alleen maar achteruitgang brengt. En dat zij uiteindelijk meer zullen betalen voor de sociale onrust dan voor enkele minimumakkoorden.

Zo probeert de vakbondsleiding op dit ogenblik haar plaats aan de top te veroveren als verantwoordelijk gesprekspartner. De concrete inzet zijn enkele holle en eerder symbolische gevechten. Het voorstel van een ‘sociaal charter’, overeengekomen tussen de Europese ‘sociale partners’ is p. 156een goed voorbeeld van een verklaring zonder precieze inhoud die de poorten wijd openlaat voor bijna alle sociale vernietiging. Het goedgekeurde charter is een herhaling van wat al in 1961 door de Raad van Europa werd goedgekeurd en ook reeds in vele andere, algemene beginselverklaringen (UNO, IAO, OESO …) werd opgenomen: recht op sociale bescherming, op ‘billijke’ vergoeding, op ‘behoorlijke’ levensvoorwaarden, op gelijke behandeling van man en vrouw, op participatie van de werknemers, enz.

Een van de grote vakbondsverwachtingen is dat in de toekomst conventies getekend kunnen worden met het patronaat op Europees vlak, waardoor een harmonisering van de sociale werkomstandigheden mogelijk zou worden. Het Europese patronaat (UNICE) laat zich geenszins door deze bede vermurwen en beseft goed genoeg welk voordeel ze kan halen uit een sociale dumping.

Tenslotte hoopt het EVV dat er een ‘statuut van de Europese onderneming’ komt waaraan een of andere vorm van verplichte participatie is gekoppeld. Het statuut van de Europese NV is een patronale verzuchting, die het mogelijk zou maken om aan de wirwar van nationale statuten te ontsnappen en zo grensoverschrijdende samenwerking, controles en fusies gemakkelijker zou maken. Het Commissie wil de keuze laten tussen een van de drie participatievormen die in de Europese gemeenschap gangbaar zijn: medebeheer met toezichtraad (Duitsland), ondernemingsraad (België, Frankrijk, Italië) of participatie langs een bedrijfsconventie (Denemarken). Het EVV dringt hierbij aan op het heropnemen van de Vredeling-richtlijn (Ve-directieve), die voor het laatst in 1980 werd verworpen door de Europese Commissie. De Vredeling-richtlijn voorzag verplichte informatie vanwege transnationale ondernemingen over cruciale kwesties, de mogelijkheid om zich rechtstreeks tot het moederbedrijf te wenden en andere elementaire democratische verplichtingen voor de ondernemingen.

34.
Proletarisch internationalisme

In 1874 verklaarde het Internationaal Arbeiderscongres te Brussel (Eerste Internationale) dat “aangezien het kapitaal op internationale schaal actief is, ook de arbeiders een internationale solidariteit moeten aan de dag leggen, willen ze tot concrete resultaten komen”.

Het is in de mode om het marxisme als ‘verouderd’ af te schilderen. Maar een syndicalisme dat zich vandaag niet gaat herbronnen bij de ‘oude’ leuze van Marx, “Proletariërs aller landen, verenigt u”, blijft hopeloos achter bij de evolutie van het kapitalisme. Of erger nog, speelt mee in de nog veel oudere ‘verdeel en heers’-politiek van de mondiale heersers. De grote kapitalisten verslinden elkaar. Maar één zaak houdt hen verenigd: het kapitalisme en het imperialisme overeind te houden. En om ongestoord te blijven heersen en om nog meer winsten te maken, streven p. 157zij ernaar dat de arbeiders en volkeren van de wereld mekaar als concurrenten gaan bekijken.

De ‘mondialisering’ van de economie moet de vakbondsopstelling grondig doen herdenken. De grenzen verdwijnen voor het kapitaal; het syndicalisme kan maar gelijke tred houden als het proletarisch internationalisme een wezenlijk bestanddeel van de dagelijkse vakbondspraktijk wordt.

341.
Één gemeenschappelijke vijand

Alle vormen van internationalisering die we beschreven hebben, leiden naar een enorme concentratie van economische macht op wereldniveau. Een steeds kleiner aantal banken en industriële monopolies bepaalt het lot van miljarden mensen.

De 600 grootste industriële ondernemingen hebben een omzetcijfer dat groter is dan 40 miljard Belgische frank (de ‘Billion Dollar Club’) en produceren naar schatting tussen de 20 à 25 % van de toegevoegde waarde in de kapitalistische wereld.23 Zeven Amerikaanse transnationals controleren de hele wereldgraanhandel; de huidige potentaten van de Westerse wereld beslissen over wie er gaat leven en wie er gaat sterven.24 De reusachtige sommen die ingezet worden voor overnames, raids25 worden geput uit de kapitaaloverschotten die de monopolies tijdens de voorbije crisisperiode hebben opgestapeld ten koste van de werkers. Een ding is alsnog duidelijk: deze sommen worden niet ingezet voor meer rechtvaardigheid, voor een oplossing van het hongerprobleem en de onderontwikkeling. Ze dienen om nog grotere rijkdom en macht te verwerven. Daarom groeit, zowel in de kapitalistische wereld als in de ‘ontwikkelingslanden’, tegenover deze pool van rijkdom de pool van de armoede.

‘Onze’ monopolies hebben nu in de Oostbloklanden een nieuw wingewest gevonden, waar ze de ‘vrijheid’ voor de markteconomie en de ‘democratie’ van het privékapitaal hebben heroverd. De accumulatie van rijkdom en armoede kan zich hier in de komende jaren in zijn meest brutale vorm ontplooien. Zo zet een handvol mastodonten de wereldeconomie naar haar hand en voert ons tegen het jaar 2000 naar een schitterend wereldpanorama met een kleine tien miljoen kapitaal- en fortuinbezitters, tegen minstens vier miljard uitgehongerden.

De toenemende internationalisering betekent anderzijds een nieuwe vooruitgang in het sociale karakter van de productie. Het sociale karakter van de productie wordt dikwijls alleen maar begrepen als ‘grote fabrieken’. In de marxistische betekenis is de essentie echter de onderlinge afhankelijkheid, de complexe verwevenheid van het werk van vele duizenden arbeiders en werkers om de producten te maken. De segmentatie, de onderaannemingsverbanden, de internationale samenwerkingsakkoorden, de internationale netwerken drijven dit sociale karakter ten top. Ze omvatten een toenemende opdeling en onderlinge afhankelijkheid van de verschillende bestanddelen van de productieketen binnen internationale p. 158productiecomplexen. Ze omvatten de verbondenheid van internationale kapitalen en werkkrachten. Ze omvatten nieuwe vormen van internationale verdeling van de arbeid.

Toen Marx de historische onvermijdelijkheid aantoonde van de ondergang van het kapitalisme, wees hij op die ene fundamentele tegenstelling: het sociale karakter van de productie is onverzoenlijk met het privébezit van het kapitaal en de machines die deze productie besturen. In syndicale vormingen wordt die stelling vaak totaal verdraaid; Marx zou de snelle ondergang van het kapitalisme hebben voorspeld en zijn voorspelling is niet uitgekomen. Wat Marx heeft aangetoond is dat het kapitalisme beantwoordt aan een bepaalde ontwikkelingsgraad van de productiekrachten, dat het een productiewijze is die vroeg of laat aan haar eigen tegenstellingen ten onder gaat.

De graad van centralisering en socialisering toont de rijpheid van het systeem om naar een hogere maatschappij vorm over te gaan. De wereldeconomie zou perfect bestuurbaar zijn, harmonisch kunnen ontplooien, een evenwichtige verdeling van productiemiddelen en rijkdom kunnen realiseren als zij niet door de winstjacht van de monopolies gedirigeerd werd. Dit inzicht oriënteert de strijd van de arbeiders en alle onderdrukte volkeren tegen een gemeenschappelijke vijand, het kapitalisme en het imperialisme. De sterkste band voor internationale eenheid is de strijd voor het socialisme, de nationale bevrijding en de volksdemocratie.

342.
De eerste taak van de vakbond is het klassebewustzijn te ontwikkelen

Klassebewustzijn is niet enkel een kwestie van krachtsverhouding in de economische strijd voor werk, loon, werkomstandigheden. Het is een kwestie van opstelling als klasse tegenover de andere klassen in de maatschappij.

In de ontstaansperiode van het kapitalisme zag Marx als eerste taak van de vakbonden, de verdeling die het patronaat aan de werkers oplegde te doorbreken, de gehele klasse in één organisatie te verenigen. Of zoals Marx het stelde: “de arbeiders moeten ophouden mekaar als concurrenten te bekijken om beter concurrentie te voeren tegen het patronaat.” De opsplitsingen in beroepen, fabrieken, sectoren en streken werden door het patronaat uitgespeeld om de arbeidskracht zo goedkoop mogelijk te verwerven, om chantage te plegen op de werkvoorwaarden. Op bijna identieke wijze speelt het internationale kapitaal vandaag in op de concurrentie tussen de arbeiders van verschillende landen. Het patronaat internationaliseert maar probeert in elk land de arbeidersklasse op te hitsen tot een economische oorlog tegen ‘de internationale concurrentie’.

Men kan geen echt klassebewustzijn hebben zonder een internationalistische geest, dat wil zeggen zonder de eigen strijd te situeren in het internationale strijdperk, waarin het kamp van de bevrijding van de volkeren en de arbeidersklasse het hoofd biedt aan het kamp van het imperialisme en het wereldkapitalisme. Een arbeider of vakbondsmilitant van vandaag is zich niet bewust van wat het begrip ‘arbeidersklasse’ inhoudt, als hij de p. 159essentiële mechanismen van het imperialisme, en van de hiermee gepaard gaande tegenstellingen, niet begrijpt en als hij de verschillende manieren van uitbuiting van de derde wereld en de rol die deze in de anti-imperialistische strijd speelt, niet begrijpt. Hij heeft geen echt klassebewustzijn als hij niet beseft dat een groot deel van de Westerse rijkdom gestolen is in de derde wereld, dat het levensniveau en het technologisch niveau van het Westen nooit zo’n hoogte had bereikt zonder de plundering van het Zuiden.

Deze dimensie is fundamenteel want zij bepaalt de hele opstelling voor het vakbondswerk. Als het vakbondswerk niet doorlopend rekening houdt met dit standpunt, zal het aan juistheid en doeltreffendheid inboeten, hoe groot de geleverde inspanningen ook zijn. Als men de klassenstrijd essentieel bekijkt vanuit ‘onze’ ondernemingen, vertrekkende vanuit België en vanuit het enge gezichtspunt van het onmiddellijke welzijn, dan kan men moeilijk vermijden dat men tot een samenwerking komt met het Belgische imperialisme ten koste van de belangen van de derde wereld — met inbegrip van de migranten en de politieke vluchtelingen. Dan steekt men onvermijdelijk arbeiders van andere filialen of andere landen een mes in de rug. Want de gemakkelijkste manier om gunsten te bekomen van het kapitaal is zich van het lot van de andere werkers niets aan te trekken.

Nog veel scherper dan vroeger, wordt er chantage gepleegd door het patronaat met de concurrentiepositie en de internationale ‘economische dreiging’. Het hoofdprobleem in de vakbonden is meer dan ooit, het behouden of verwerven van een onafhankelijke klassepositie. Zich niet laten meeslepen door de druk tot klassencollaboratie tegen de ‘gemeenschappelijke’ buitenlandse belagers van werkplaatsen.

De klassensamenwerking met het ‘eigen’ patronaat krijgt een meer internationale dimensie: het regionale, nationale, Europese kapitaal steunen in de strijd tegen de wereldconcurrentie. Nu het federalisme in België zijn voleinding nadert, valt bovendien de afleiding van de ‘Waalse’, respectievelijk ‘Vlaamse’ boeman weg. Het blijkt dat de ‘totaal andere’ weg die men zou inslaan zonder het andere landsdeel overal dezelfde is: regionale klassencollaboratie om het ‘eigen’ patronaat te steunen in de internationale concurrentieslag.

De sociaaldemocratie heeft in 1914 de revolutionaire weg verlaten door zich achter haar eigen bourgeoisie te scharen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Vandaag roept ze op mee te stappen in de economische oorlog van Vlaanderen, Wallonië, Brussel, België en Europa tegen de concurrenten.

Het lot van de arbeidersklasse wordt verbonden met het lot van het patronaat. Onvermijdelijk komt men hierbij in conflict met de belangen van de arbeiders uit andere landen en met de volkeren uit de derde wereld. De klassevisie op het maatschappelijke systeem, het zelfstandige alternatief van het socialisme, het perspectief van het opheffen van de uitbuiting door de overdracht van de maatschappelijke rijkdom aan de collectiviteit worden volledig afgezworen. Men bestrijdt het klassebewustzijn p. 160van de werkers en maakt van de vakbonden een aanhangwagen van de patronale strategieën.

343.
Anti-imperialistische taken

De zwaarste slagen worden door het imperialisme uitgedeeld tegen de volkeren van de derde wereld, in het bijzonder tegen de arbeiders en de boeren. De volkeren van de derde wereld zijn de eerste bondgenoten: het zijn ‘onze’ transnationals die oorzaak zijn van onderontwikkeling. De belangrijkste internationale taak voor het revolutionaire strijdsyndicalisme is dan ook de steun aan de revolutionaire strijd voor politiek en economische zelfstandigheid, voor de ontwikkeling van de derde wereld. De revoluties in de derde wereld verzwakken de kapitalistische monopolies en zijn dus ook een hulp voor de internationale arbeidersklasse. Maar het is ook in het hart van het imperialisme dat de eerste strijd voor de ontvoogding van de derde wereld wordt gevoerd.

Het is van uiterst belang dat belangrijke fracties van het ABVV en het ACV zich meer en meer distantiëren van de soms halfslachtige, soms contrarevolutionaire politiek van het IVVV en het WVA. Volgende taken stellen zich voor al wie de anti-imperialistische strijd in de wereld daadwerkelijk wil vooruithelpen.

1o Opkomen voor de erkenning van en de steun aan de anti-imperialistische regimes en vakbonden in de derde wereld (Palestina, Nicaragua, Filipijnen, Brazilië, Zuid-Afrika, enz.) en de verbreking van alle banden met de vakbonden die steunpilaren zijn van het imperialisme (zoals de Histadruth in Israël, de Marcos-vakbond op de Filipijnen …).

2o Ondersteunen en bekendmaken van de anti-imperialistische eisen die door de progressieve en revolutionaire regimes, bevrijdingsbewegingen en vakbonden in de derde wereld worden verdedigd. Zo is de volledige kwijtschelding van alle derdewereldschulden een prioritair en eenmakend ordewoord van alle anti-imperialistische krachten. ACV en ABVV verdedigen de kwijtschelding in mini-vorm, alleen voor de armste landen (congressen 1990).

3o Zoveel mogelijk basismilitanten en verantwoordelijken van de vakbond rechtstreeks in contact brengen met afgevaardigden van de anti-imperialistische vakbonden uit de derde wereld. Dit betekent dat de ‘verzuiling’ wordt doorbroken en als centraal criterium de reële steun en het vertrouwen van de werkers in hun vakbonden wordt gehanteerd. Dit lijkt als principe te zijn aangenomen op het laatste ABVV-congres.

4o In de sectoriële opstelling rekening houden met de eisen van de derde wereld voor een nieuwe wereldorde. Dit betekent een principieel verzet tegen elk protectionisme tegenover de derdewereldproducten en verdediging van hogere grondstof prijzen.

p. 161

5o De steun aan de derde wereld verbinden met de strijd tegen het racisme en chauvinisme in België. Het is gemakkelijker de gegrondheid van de eis voor gelijke rechten aan te tonen als men begrijpt dat migratie een economisch gevolg is van het imperialisme. Het argument dat ‘onze’ ondernemingen moeten verdedigd worden, is veel minder aantrekkelijk voor syndicalisten, die begrijpen dat dit gebeurt ten koste van werkers uit andere landen.

6o De aantasting van de syndicale rechten en vrijheden in de derde wereld aanklagen bij instanties als de Internationale Arbeidsorganisatie.

De situatie van de syndicalisten in de derde wereld moet ons aanzetten om onze revolutionaire moraal hoog te houden. Ze strijden in veel moeilijker omstandigheden dan wij. De repressie is brutaal en bloedig. Veel strijdbare syndicalisten in Turkije zitten in de gevangenis. In 1990 werd een syndicalist van Ford in Mexico gedood door een patronale aanval op een piket. Tientallen Filipijnse syndicalisten werden en worden nog gedood aan stakingspiketten of door moordcommando’s. Zonder nog maar te spreken van Palestina en Zuid-Afrika.

De situatie in de derde wereld zet ons aan tot optimisme, omdat de derde wereld een revolutionair kruitvat is, waar het imperialisme voortdurend zware slagen incasseert. We moeten onze strijd verbinden met de strijd van de derdewereldlanden voor bevrijding, nationale onafhankelijkheid en onteigening van het grootkapitaal op wereldvlak. Tussen 1960 en 1976 werden 1 369 filialen van transnationals genationaliseerd. Dit toont zeer goed aan dat de internationalisering niet alleen voordelen biedt voor het grootkapitaal maar ook de kwetsbaarheid tegenover de internationale strijd verhoogt.

344.
Neen aan het imperialistisch, reactionair en Duits Europa

Onder de huidige productieverhoudingen stevent het eengemaakte Europa naar een sterker monopolievorming, naar een supranationale repressiemacht, naar een imperialistische supermacht onder Duitse voogdij. De politieke en militaire eenmaking van Europa houdt een bedreiging in voor de democratie en de vrede. Daarom moet de versterking van de Europese politieke instellingen niet verwelkomd maar bestreden worden.

Door het verdwijnen van de economische grenzen zal de klassenstrijd onvermijdelijk meer internationaal worden, meer open en minder geremd door nationale tegenstellingen. De internationalisering plaatst het syndicalisme in een situatie die vergelijkbaar is met de beginperiode van het kapitalisme. In de negentiende eeuw gebeurde de ontwikkeling van het kapitalisme op nationaal vlak, op een explosieve wijze en zonder hinderpalen, zonder remmende sociale wetgeving. Het kapitalisme vandaag ontwikkelt zich op eenzelfde manier op internationaal niveau: volgens de wegen van het zuiver liberalisme. Hiertegenover de bureaucratische (sociaaldemocratische), op overleg gerichte ‘machtsvorming’ stellen, is de p. 162arbeidersbeweging een weg opsturen die op nationaal niveau tot verregaande integratie in het systeem heeft geleid maar op internationaal niveau nog veel duidelijker tot onmacht en capitulatie veroordeelt.

In de negentiende eeuw, werden de eerste sociale wetten, de eerste verworvenheden van de arbeidersklasse dankzij strijd en revoltes op het patronaat afgedwongen. In deze strijd heeft de arbeidersklasse zich gevormd en verenigd en haar organisaties opgericht. De organisaties die de meest radicale strijd voerden, hadden de steun van de arbeidersklasse. Dezelfde geschiedenis moet vandaag herhaald worden op internationaal niveau, in een revolutionair perspectief.

Tegenover de syndicale versnippering komt het strijdsyndicalisme op voor een grotere eenheid van de Europese vakbonden op basis van de klassenstrijd en van een antikapitalistisch programma. In deze geest moet het revolutionaire strijdsyndicalisme opkomen voor rechtstreekse contacten met syndicalisten uit alle andere Europese landen. Deze contacten moeten op alle niveaus van de vakbond georganiseerd worden. Zij zijn van vitaal belang bij elke belangrijke stakingsactie in een van de Europese lidstaten.

Een radicaal antikapitalistisch programma op Europees vlak wil zeggen dat de bestaande verworvenheden verdedigd moeten worden en dat er een nivellering naar boven toe moet komen door een veralgemening van de beste verworvenheden naar de werkers van alle Europese landen. Nu bestaat de tendens om zich af te stemmen op de veralgemening van de minimumeisen, “om de zwakste te beschermen”.

Om te verhinderen dat de concurrentieslag tussen de Europese, Japanse en Amerikaanse kapitalisten op de rug van de werkers uitgevochten wordt, zijn ook rechtstreekse contacten met syndicalisten uit de VS en Japan noodzakelijk. De transnationals en monopolies doen hun best de verst gevorderde uitbuitingsmethodes uit de VS en Japan in Europa in te voeren. Daartegenover moet het revolutionaire strijdsyndicalisme opkomen voor daadwerkelijke steun aan elke syndicale strijd in de VS en in Japan.

345.
De kansen grijpen

De internationalisering van de economie maakt de klassenstrijd er niet eenvoudiger op. De transnationale groepen ontsnappen gemakkelijker aan de syndicale controle, kunnen bij staking de productie verplaatsen en concurrentie tussen de filialen organiseren. Volgens de laatste vakbondscongressen worden de strategische beslissingscentra ‘onzichtbaar, onbereikbaar, ongrijpbaar’.26 Zo gesteld kan men alleen besluiten dat de strijd hopeloos is, dat men niet op kan tegen een overmacht. De beslissingscentra zijn nochtans maar al te goed gekend: de hoofdkwartieren van de grote Europese, Amerikaanse of Japanse monopolies. En elk monster heeft zijn zwakke plekken die door internationale solidariteit kunnen getroffen worden.

De internationalisering van de economie schept niet alleen moeilijkheden, ze creëert ook nieuwe kansen. De evolutie van het kapitalisme zelf p. 163verweeft de volkeren van de wereld en de internationale arbeidersklasse. De internationale organisatie van de productie plaatst hen direct tegenover dezelfde vijanden. De toenemende internationalisering van de productie vergemakkelijkt op die manier de taak om inzicht bij te brengen in het internationale karakter van de imperialistische uitbuiting. Zelfs indien de praktische organisatie van klassesolidariteit veel problemen schept, blijven de woorden van Marx actueel: “De bourgeoisie delft haar eigen graf.”

Een negatieve factor (de problemen van organisatie) kan tot een positieve omgebogen worden door actief te zoeken naar internationale contacten: met syndicalisten uit de derde wereld, met syndicalisten uit andere landen in Europa, met syndicalisten van dezelfde multinational over heel de wereld.

Sommige patroons tonen zich meer ‘opportunistisch’ dan anderen om in te spelen op de internationalisering van de economie. Dit heeft ons bijvoorbeeld De Benedetti getoond in zijn gedurfde raid op de Generale. De nieuwe generatie patroons denkt vastbesloten in internationale termen en benut alle kansen om zich te verrijken. De nieuwe generatie syndicalisten moet hetzelfde doorzettingsvermogen aan de dag leggen om de internationale klassesolidariteit uit te bouwen.

De internationale klassesolidariteit moet niet alleen tot uiting komen in de strijd voor de verbetering van de materiële levensvoorwaarden, maar meer nog in de strijd voor democratische en syndicale rechten, in de politieke strijd tegen het imperialisme, het fascisme, het racisme, het zionisme en de apartheid. Het concept van ‘apolitieke’ vakbonden, die zich louter bezighouden met loon en werk van de ‘eigen’ arbeiders, wordt gehanteerd door de meest reactionaire, systeemverbonden vakbonden.

Daartegenover staat dat de prachtigste uitingen van écht proletarisch internationalisme uit de internationale syndicale geschiedenis de politieke solidariteitsbewegingen zijn. De solidariteit met de Russische arbeiders en boeren in 1917, met de antifascistische strijders in de Spaanse burgeroorlog, met de slachtoffers van communistenjacht (Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, Sacco en Vanzetti, de Rosenbergs), met de Vietnamese en Nicaraguaanse bevrijdingsstrijd, met de anti-apartheidsbeweging, enz.

346.
Drie dimensies

Het internationale vakbondswerk kan versterkt worden op drie niveaus: door een uitbouw van internationale contacten aan de basis, door het afdwingen van faciliteiten voor internationale contacten vanwege het patronaat, door versterking van de internationale vakbondsstructuren. Het eerste niveau is het belangrijkste. Om de contacten aan de basis beter uit te bouwen komt het strijdsyndicalisme op voor precieze eisen tegenover de transnationals en voor een correcte versterking van de internationale vakbondsstructuren.

1o De uitbouw van internationale solidariteit moet in de eerste plaats p. 164gebeuren door rechtstreekse contacten aan de basis. Zij kan verschillende vormen aannemen. Van internationale communicatie- en informatiekanalen tot weerstandsfronten op sectorieel vlak. Een sector zoals de automobiel wordt gedomineerd door enkele tientallen groepen, die bijna op alle continenten vertegenwoordigd zijn. De flexibiliteitsstrategie is in alle groepen, over heel de wereld dezelfde. Het patronaat organiseert de concurrentie om op de zwakste plek door te breken en daarna over de hele wereld de doorbraak te veralgemenen. Opel-Bochum tegen GM-Antwerpen, Ford-Genk tegen Dagenham, Renault-België tegen Renault-Frankrijk, VW-Spanje tegen VW-Mexico. Een internationale tegenstrategie kan maar tot stand komen door internationaal contact, om te komen tot gezamenlijk verzet en uiteindelijk tot doorbraken waaraan alle arbeiders zich kunnen optrekken.

Op dezelfde wijze is de beste manier om tot solidariteit te bewegen met de strijd van de volkeren, het rechtstreekse contact met de realiteit van de derde wereld, de verbroedering met progressieve vakbonden uit de derde wereld, het luisteren naar vertegenwoordigers of militanten van de bevrijdingsbeweging. Bezoeken van syndicalisten uit de derde wereld, syndicale studiereizen, werkbrigades en opzetten van solidariteitsprojecten zijn hiertoe uitstekende middelen.

2o Eisen tegenover transnationals.

Naast delegaties per filiaal zou een internationale syndicale delegatie moeten kunnen optreden tegenover elke transnational, zodat gezamenlijke strijdbewegingen opgezet kunnen worden De informatieverwerving over de transnationals moet drastisch verbeterd worden Dit kan door minstens een jaarlijkse gezamenlijke ondernemingsraad per transnational, door verplichte openbaarheid van de boekhouding (waartoe de Vredeling-richtlijn een minimum aanloop kan zijn), door verplichte en tijdige bekendmaking van alle patronale plannen waar ook ter wereld zodra zij een weerslag hebben op andere filialen

Het patronaat investeert kolossale sommen voor communicatie. De syndicale communicatie met filialen overal ter wereld moet op kosten van het patronaat uitgebouwd kunnen worden. Daartoe moet de transnationale groep in elk filiaal een ‘solidariteitspenning’ ten bedrage van l % van de toegevoegde waarde toekennen voor de uitbouw van de syndicale werking op internationaal vlak.

Transnationals die miljarden staatssteun opstrijken en profiteren van belastingvrijstellingen moeten verplicht worden tot schadeloosstelling van de werkers wanneer zij hun tewerkstellingsbeloftes niet houden. Dit is waarvoor de arbeidsters van Concord Lighting bij Charleroi sinds 1988 een juridisch gevecht blijven voeren, nadat ze het gevecht tegen de sluiting hadden verloren.

3o Werking naar de structuren. De vakbondsleiding moet middelen ter beschikking stellen en praktische initiatieven stimuleren om internationale ontmoetingen te organiseren. Het is niet langer denkbaar dat zelfs binnen p. 165Europa geen automatisch solidariteitsnetwerk werkzaam is. De syndicale beweging zou veel meer gebaat zijn bij een ‘Solidariteitscharter’ dan bij het ‘Sociaal charter’ van de Europese commissie. Dit Europese strijdcharter kan als volgt luiden: “Tegenover de sociale dumping, verbinden wij ons tot wederzijdse steun in de strijd tegen het internationale patronaat, door:

— elke transfer van productie te weigeren die gebeurt om reden van sociale dumping;

— elke transfer van productie te verhinderen bij staking of acties in verbonden filialen;

— onmiddellijk internationale délégué-bijeenkomsten te beleggen bij conflicten met het patronaat;

— te werken naar solidariteitsstakingen met de meest vooruitgeschoven strijdbewegingen in de sector;

— klaar te staan om elke gecoördineerde Europese actie voor precieze eisen te ondersteunen.”

De meest strijdbare Europese vakbond, de CGT, moet het onvoorwaardelijk recht hebben om toe te treden tot het Europese Vakverbond.

p. 167

Hoofdstuk 4
De samenstelling van de werkende klasse

Als we ons baseren op de traditionele indeling in landbouw, industrie en dienstensector (respectievelijk primaire, secundaire en tertiaire sector) dan lijkt het wel of de industrie aan het verdwijnen is. Vele mode-auteurs hebben het dan ook over de ‘postindustriële maatschappij’. Volgens sommigen komt hiermee ook een einde aan de klassentegenstellingen van de industriële maatschappij.1

De reformistische ideologen zijn hier natuurlijk op gesprongen. Sinds Bernstein in 1898 zijn Grondstellingen van het socialisme schreef,2 duikt regelmatig de stelling op dat het kapitalisme zodanig veranderd is, dat het proletariaat niet meer zijn overheersende rol speelt en dus ook de proletarische revolutie voorbijgestreefd is.

De vakbonden besteden uitvoerig aandacht aan de gevolgen van de verschuivingen in de samenstelling van de werkende klasse. Het industrieproletariaat kan niet meer de basis zijn van de vakbond, luidt het. Men moet zoeken naar nieuwe lagen, andere werkterreinen. Meestal hoort men daarbij in één adem beweren dat de staking heeft afgedaan als strijdwapen en moet vervangen worden door andere, meer ‘creatieve’ actievormen.

41.
Reële en fictieve mutaties

De verschijnselen die we hebben beschreven in de eerste drie hoofdstukken, de crisis, de nieuwe technologie en de internationalisering, hebben ongetwijfeld een belangrijke weerslag op de samenstelling van de werkende bevolking. Om deze verschuivingen correct in te schatten, moeten we vertrekken van de vraag: wie behoort tot de arbeidersklasse, welke lagen zijn er binnen de werkende bevolking? Dit zijn essentiële vragen die vanuit marxistisch oogpunt een antwoord eisen op twee andere vragen, p. 168namelijk: wie produceert meerwaarde en wie wordt uitgebuit? (Zie 41 bis.)

Hieruit blijkt:

* De eigenlijke arbeidersklasse is en blijft het industrieproletariaat, dat wil zeggen: diegenen die productieve arbeid leveren en uitgebuit worden binnen de sector van de materiële productie.

* Daarrond bestaat een brede groep van uitgebuite werkers.

Daaruit volgt ook dat de burgerlijke statistiek en de ‘verschuivingen’ met heel wat omzichtigheid moeten geïnterpreteerd worden. We overlopen de belangrijkste.

41 bis.
Wie produceert meerwaarde? Wie wordt uitgebuit?

Wie produceert meerwaarde?

Het al of niet produceren van meerwaarde is het beslissend criterium voor het maken van een onderscheid tussen productieve en onproductieve arbeid. Alleen productieve arbeid produceert nieuwe waarde en meerwaarde. (Voor ‘meerwaarde’, zie 222 bis). “Is productief,” aldus Marx, “de loonarbeid die kapitaal voortbrengt.” Niet elke arbeid die vergoed wordt met loon, brengt meerwaarde voort; niet-productieve sectoren halen een deel van de meerwaarde naar zich toe die in productieve sectoren gemaakt wordt.

* Een simpele definitie van (on)productieve arbeid luidt als volgt. Het voorwerp van productieve arbeid is het produceren van ‘waren’, het voorwerp van onproductieve arbeid is het produceren van ‘diensten’. De productieve arbeid is gericht op het produceren van een verkoopbaar ding, dat drager is van een ‘gebruikswaarde’. In die zin is productieve arbeid een transformatie van de ene gebruikswaarde (grondstof) in een andere (gebruiksvoorwerp). Onproductieve arbeid daarentegen wordt tijdens het verloop van zijn uitvoering ‘geconsumeerd’, is niet te stockeren, af te breken of te vervoeren. Hij bevat een arbeid, die een werkelijke of ingebeelde behoefte van het individu bevredigt. Die arbeid brengt geen nieuwe gebruikswaarde of meerwaarde voort. Of die diensten aangeboden worden op de markt of niet, doet niets ter zake.

Deze definitie laat toe een uitspraak te doen over het productieve karakter van bijv. onderwijs, gezondheidszorg, onderhoud van auto’s, schoonmaak, enz. Dit zijn duidelijk onproductieve diensten. Dat sommige daarvan op industriële schaal worden uitgebaat verandert daar niets aan. Onderwijs en gezondheidszorg kunnen deel uitmaken van de reproductiekosten van de arbeidskracht, maar zijn daarom niet productief. Onderwijs en gezondheidszorg ‘scheppen’ zelf niet het fonds waaruit zij betaald worden (zoals productieve p. 169arbeid wél doet, door het produceren van meerwaarde), zij scheppen of herstellen arbeidsvermogen.

* Met deze ‘simpele’ definitie kunnen niet alle problemen opgelost worden. De zaak ligt enigszins ingewikkelder voor al wie in en rond het productieproces van materiële goederen is betrokken. Het productieproces is namelijk een collectief proces1, waarbinnen een arbeidsverdeling optreedt en waarin productie en diensten verweven zijn, waarin manuele arbeid en intellectuele arbeid nodig is. Wie presteert productieve arbeid, wie niet?

Er is duidelijk een verschil tussen de bedienden die louter boekhoudkundige taken uitvoeren (die zeker niet productief zijn) en technici of ingenieurs die mee de productie ontwerpen, besturen en controleren. De opdeling volgens ‘manuele’ en ‘intellectuele’ arbeid is hier minder en minder te hanteren om de productieve van de niet-productieve arbeid te scheiden. In elk geval is de productieve arbeid ruimer dan alleen de productiewerkers. Onderhoudsdiensten voor machines en productiegebouwen behoren tot de productieve arbeid, evenals technische diensten, productieontwerpers, diensten voor toegepast onderzoek en managers. Verder is het ook niet zo breed dat iedereen op een bedrijf productieve arbeid verricht. Boekhoudkundige diensten, financiële diensten, inventaris, reclame, public relations … behoren niet tot de productieve diensten.

* Tenslotte is er arbeid die al of niet productief is naargelang het een ‘verlengsel’ is van de productie of niet. Voor transport bijv. moet een onderscheid gemaakt worden tussen personen- en vrachtvervoer. Het eerste is een niet-productieve dienst, het tweede is het voortzetten van de productie in de circulatiesfeer. De gebruikswaarde van een product wordt pas werkelijk als de waar effectief gebruikt wordt; daarom schept het vervoer van de waren tot de plaats van bestemming, een bijkomende waarde.

Wie wordt uitgebuit?

Productieve arbeid presteren is niet hetzelfde als uitgebuit worden. De uitbuiting wordt afgelijnd door de productieverhoudingen. (Zie 212 bis.)

* Vooreerst is heel wat onproductieve arbeid onderhevig aan uitbuiting. Dit is het geval voor alle werkers uit de niet-productieve diensten. Ook zij verkopen hun arbeidskracht, hetzij aan privébedrijven, hetzij aan de ‘collectieve kapitalist’, de staat. In privébedrijven (handel, financiën …) maakt hun arbeid het mogelijk dat de kapitalist zich een deel van de geproduceerde meerwaarde uit p. 170de productieve sector kan toe-eigenen: ook zij werken in die zin een deel van de dag ‘voor zichzelf (hun loon) en een deel voor de kapitalist. In staatsdiensten (administratie, onderwijs …) werken zij een deel van de dag voor zichzelf en een deel gratis voor ‘de collectiviteit’. De privatiseringsgolf toont dat sommige kapitalisten die onbetaalde arbeid willen gebruiken om een deel van de nationale ‘meerwaarde-koek’ naar zich toe te halen.

* Ten tweede zijn niet alle presteerders van productieve arbeid uitgebuit. De directeurs, managers en het hoger kader van een bedrijf presteren productieve arbeid in de mate dat zij ‘bijdragen’ (in brede zin) aan het collectieve productieproces maar behoren door hun positie tot de uitbuitende en niet tot de uitgebuite klasse.

Schematisch voorgesteld

Actieve bevolking: 4 250 (× 1 000) Private sector: 2 000 Publieke sector: 1 000 Productieve en niet-uitgebuite werkers Productieve   en   uitgebuite   werkers Uitgebuite     werkers Industrie:   950 Diensten:  1 050 Werklozen Zelfstandigen
1.
Een studie van het begrip ‘collectieve arbeid’ bij Marx vindt men bij Jacques Nagels, Travail collectif et travail productif dans l’évolution de la pensée marxiste, Éditions de l’Université de Bruxelles, 1974.
p. 171

411.
De arbeidsverdeling is internationaal

In alle rijke landen vertoont de statistiek een duidelijke vermindering van het aandeel van de industrie en een stijging van de diensten. Voor alle OESO-landen samen geeft dit volgende beeld van de tewerkstelling (in procent van de totale tewerkgestelde bevolking)3:

70 60 50 40 30 20 10 0 OESO-landen Werkgelegenheid in % van het totaal aantal werkenden 1963 1975 1987 industrie diensten 70 60 50 40 30 20 10 0 België Werkgelegenheid in % van het totaal aantal werkenden 1963 1975 1987 industrie diensten

De betwistbare afbakening van industrie en diensten laten we voorlopig terzijde liggen. De cijfers tonen enerzijds de weerslag van de enorme rationaliseringen die vooral tot werkplaatsenverlies in de industrie hebben geleid. Maar anderzijds kan men deze verschuiving onmogelijk juist interpreteren zonder de evolutie van de internationale arbeidsverdeling in rekening te brengen. De internationalisering van het productieapparaat, de globalisering van de economie maakt het zinloos om de evolutie van de werkende bevolking alleen binnen de landsgrenzen te bekijken (zie 312, 322 en 342). In de cijfers zit ook de weerslag van de industriële verhuis naar derdewereldlanden (of tenminste enkele uitgekozen ‘lagelonenlanden’). De statistiek vertoont immers een omgekeerd beeld voor de gezamenlijke derde wereld: het aandeel van de industrie stijgt terwijl dat van de landbouw, de mijnbouw en de diensten daalt. Hoewel dit hoofdzakelijk het resultaat is van de zogenaamde ‘nieuwe industrielanden’ toont het goed de verschuiving aan. Van 12 % van de industriële wereldproductie in 1970 is de derde wereld opgeklommen tot boven de 16 % in 1985 en dit zou verder klimmen tot 22 % in het jaar 2000.4

p. 172

Met andere woorden: er is geen verdwijning van de industrie, er is hoogstens een verhuizing. De Verenigde Staten bijvoorbeeld, die een buitengewoon hoog percentage halen in de ‘diensten’ (73 %), hebben een groot deel van hun industrie uit het Zuiden net over de grens van Mexico verhuisd; het weekblad Fortune verwacht tegen het jaar 2000 ongeveer 1 miljoen arbeiders in deze ‘maquiladores’. Bekijkt men de tewerkstelling in transnationale ondernemingen buiten de grenzen van het moederland (22 miljoen op een totaal van 65 miljoen), dan is op dit ogenblik 30 % daarvan (of 7 miljoen) in de derde wereld gevestigd. Voor de drie rijkste landen (VS, Japan en Duitsland) is 70 % daarvan in industriële ondernemingen.5

Het rijke Noorden verplaatst voor een stuk zijn arbeidsintensieve industriële productie naar het Zuiden en concentreert zich op de hoogtechnologische sectoren en de diensten. De invoer uit het Zuiden (meestal door dezelfde groepen) wordt dan een argument om hier nog sterker te rationaliseren. Voor een sector als de textiel zijn studies gemaakt over de respectievelijke impact van rationalisaties en van overplaatsing naar de derde wereld op de tewerkstelling. Die leiden tot de conclusie dat het verlies van werkplaatsen door stijgende import ongeveer 1/4 (voor confectie) en 1/ 10 (voor textiel) bedraagt van de verliezen door productiviteitsverhoging.6

Een tweede vaststelling die zich opdringt is dat het aantal werkers, het aantal ‘loontrekkenden’ of uitgebuiten op de wereld, nooit zo groot geweest is als vandaag. Zowel in de rijke als in de arme landen stijgt het totale aantal loontrekkenden. In plaats van een verdwijning van de klassen, zien we een ononderbroken toename van het globale gewicht van de werkende (en werkloze) klasse op wereldvlak. Het aandeel van de loontrekkenden in de actieve bevolking van alle OESO-landen is gestegen van 70, 5 % in 1960 tot 82 % in 1980. De tewerkstelling in de industrie van de derdewereldlanden is tussen 1960 en 1980 met 4 tot 5 % per jaar gestegen.7

412.
Desindustrialisering of toenemende integratie van industrie en diensten

De officiële statistiek vertoont ook voor België (meer zelfs dan voor de andere EEG-landen) dezelfde tendens. De industrie ‘schrompelt ineen’ van 45,3 % van de tewerkstelling in 1963 tot 28,3 % in 1988; de diensten klimmen van 47,3 % naar 68,9 %. Dit is het resultaat, enerzijds van een verlies van 480 000 werkplaatsen in de industrie en een gelijktijdige toename van 550 000 werkplaatsen in de diensten. De officiële opdeling in secundaire en tertiaire sector geeft echter een vertekend beeld. Zij doorkruist onze marxistische opsplitsing tussen productieve en niet-productieve sectoren, tussen diensten die rechtstreeks verbonden zijn met de productie van goederen en andere diensten. De groei van de dienstensector is namelijk geen volledig losstaand gegeven, maar ent zich voor een groot deel op de productie of loopt samen met een toenemende integratie van niet-materiële diensten in het productieproces. Een correcter beeld p. 173(dat echter niet volledig overeenstemt met de indeling productief/niet-productief) wordt gegeven door een opsplitsing in ‘industrie en direct met de productie verbonden diensten’ enerzijds, ‘administratie en andere diensten’ anderzijds. Een OESO-studie komt op die basis tot totaal andere cijfers. Ongeveer de helft van de diensten in de OESO-landen zou rechtstreeks met de productie verbonden zijn, wat het aandeel van de productie en de verbonden diensten op ongeveer 60 % van de totale tewerkstelling brengt.8 Dezelfde berekening voor België levert ongeveer 55 % ‘industrieverbonden tewerkstelling’.

Deze opdeling is minder kunstmatig dan de officiële. Een van de snelst groeiende onderdelen van de ‘diensten’ is namelijk de dienstverlening aan bedrijven, om de eenvoudige reden dat veel van de diensten die vroeger binnen het bedrijf werden verzorgd, nu worden uitbesteed aan gespecialiseerde bedrijven (marketing, bedrijfsorganisatie, onderhoud, informatisering, veiligheid …). Deze afgesplitste diensten werden dus vroeger als ‘industrie’ geboekt en nu als ‘dienst’.

Nog andere factoren wekken verkeerdelijk de illusie van de ‘verdwijning van de industrie’. Vooreerst wordt de tewerkstelling in de diensten opgeblazen door het grote aantal deeltijds werkenden in deze sectoren. Tussen 1983 en 1988 zijn in de dienstverlenende bedrijven 100 000 voltijdse banen verdwenen en kwamen er 229 000 deeltijdse in de plaats.9 Voor de statistiek maakt dat een verschil van 119 000 banen; in werkelijkheid deelt een werkplaats zich in twee. Hierop kan men opmerken dat de verschuiving naar de dienstensector niet alleen blijkt uit de cijfers van de tewerkstelling maar evengoed uit de bijdrage tot de toegevoegde waarde (BNP). Uit recente studies van het Planbureau en de Nationale Bank blijkt dat ook deze cijfers een opgeblazen beeld geven en dit om twee redenen: de prijzen stijgen veel sneller in de dienstensector en de productiviteitsstijging is er veel trager. Als men deze twee factoren uitschakelt (en de verdeling tussen verschillende sectoren berekent in constante prijzen), dan blijft het relatieve gewicht van de industriële productie praktisch ongewijzigd sinds 1965.10

Het ontstaan van een ‘diensteneconomie’, los van de productie, is een fictie. De dienstensector kan maar blijven groeien in relatie tot een sterke industriële sector. Een snellere rotatie van kapitaal (machines en stocks) is op dit ogenblik een van de prioritaire doelstellingen van het patronaat om de winstvoet te verhogen, (zie 225 bis). Het afsplitsen van diensten, het uitbouwen van nieuwe diensten is een van de middelen om die rotatie te versnellen. Door het uitbesteden van gespecialiseerde taken aan een dienstverlenend bedrijf, dat die taak opneemt voor vele kapitalisten samen, kan de productieve sector rendabeler produceren. De belangrijkste waarneembare tendens is dan ook de volgende. Door de nieuwe technologie, de informatisering van vele onderdelen van het productieproces, de groeiende specialisering en onderaanneming is er een vervlechting tussen de productie en haar annex-diensten met een vervaging van het onderscheid tussen ‘materiële’ en ‘immateriële’ producten. Vele als ‘diensten’ geboekte verrichtingen maken integraal deel uit van het productieproces p. 174of zijn er mee verbonden.

413.
De toenadering tussen arbeiders, bedienden en ambtenaren

Binnen het productieproces heeft eenzelfde verschuiving plaats. De nieuwe technologie verhoogt het aandeel van de intellectuele arbeid met een toenemend aandeel van factoren als besturing, controle en management. Er wordt hoger gekwalificeerd personeel vereist. Bij geautomatiseerde processen vervaagt het onderscheid tussen productiearbeid en controletaken van bedienden. Er is dan ook de tendens om, vooral in de chemie, een bediendestatuut te eisen voor dit soort productiewerk. Dit was de inzet van de staking bij Beecham-Heppignies in 1989. Maar ook dit betekent niet dat de manuele arbeid als dusdanig verdwijnt. De volledige automatisering en vooral robotisering stoot in productiesectoren met vele onderdelen (zoals de automobiel) op grote moeilijkheden: de kostprijs, de vele pannes en onderbrekingen, de onderhoudstijd, het gebrek aan soepelheid en de beperking van het ‘gevoel‘. Alle voorspellingen over de spoedige verdwijning van de handenarbeid zijn dan ook fout gebleken en de robotisering verloopt veel trager dan oorspronkelijk gedacht. De productiearbeider blijft de onmisbare schakel voor het produceren van waren, waarde en meerwaarde. Bovendien moet de mythe van de nieuwe ‘zachte’ productiemethodes worden ontmanteld (zie 233), die de arbeider in een zetel zouden plaatsen. Er wordt globaal veel meer inzet van manuele en intellectuele arbeidskracht geëist, dus intensere arbeid die meer waarde voortbrengt. Dit verhoogt enerzijds de controle van de arbeiders over het productieverloop en stelt hogere eisen van kwalificatie en ‘polyvalentie’ aan een bepaalde groep. Anderzijds houdt het ook een ‘proletarisering’ in van de intellectuele taken. Vele taken die vroeger afgescheiden waren van de productie worden nu geïntegreerd. De intellectuele arbeid wordt volgens Taylor-concept ontbonden in gestandaardiseerde elementen die worden overgedragen aan de computer. Veel bediendewerk komt op die manier dichter te staan bij het ‘werk aan de hand’. De opdrijving van de productiviteit, het verplaatsen van deeltaken naar de productie brengt de werkplaats van vele bedienden in het gedrang en hun werkvoorwaarden worden stilaan gelijkgeschakeld met die van productiearbeiders.

Dit is niet alleen het geval voor de diensten die aan de productie zijn verbonden maar geldt voor de volledige dienstensector, zowel in de privé als in de publieke, zowel in de markt- als in de non-profitsectoren. Alle besparingen in de openbare sector en de non-profitsector leiden tot rationalisaties en het opstellen van ‘autonome beheerscontracten’ waardoor de mechanismen van de markt en de winst volledig het principe van openbaar nut verdringen. Daardoor wordt het ‘openbaar statuut’ in toenemende mate bedreigd en afgebroken.

Kortom, het onderscheid tussen arbeiders, bedienden en ambtenaren vervaagt wat betreft de uitbuitingssituatie ook al blijft het onderscheid tussen productieve en niet-productieve arbeid gelden. Een bredere groep p. 175van werkers ‘proletariseert’. Het aantal ‘loontrekkenden’ bedroeg 2,9 miljoen in 1966 en bedraagt vandaag meer dan 3,5 miljoen (werklozen inbegrepen). Het aandeel van de loontrekkers in de totale actieve bevolking bedroeg 78 % in 1966 en bedraagt vandaag 85 %. Meer dan ooit is er dus een reden voor een eengemaakt klassesyndicalisme van arbeiders, werkers, bedienden en ambtenaren.

414.
Een grote groep langdurig werklozen

Als gevolg van de crisis is het permanente werklozenleger in de hele kapitalistische wereld enorm gegroeid. Tussen 1973 en 1983 gingen in de Europese Gemeenschap 3,5 miljoen jobs verloren. Slechts een klein deel van de werklozen is tijdens de voorbije ‘hoogconjunctuur’ heringeschakeld en dan nog dikwijls via kunstgrepen en in nepstatuten. Het samengaan van de structurele economische crisis en de technologische omwenteling veroorzaakt een zeer hoge werkloosheid in alle rijke landen. Alle tewerkstellingsplannen en deeltijdse arbeid ten spijt, heeft het kapitalisme geen enkele oplossing voor deze aanslepende kanker. Nu het kapitalisme ook in het Oostblok werkloosheid zaait, zal het Westen bovendien kunnen putten uit een omvangrijk reservoir van goedkope hooggeschoolde arbeidskrachten, waarvan het patronaat sinds lang de ‘schaarste’ aanklaagt. Een grote groep werklozen riskeert dus nog verdere marginalisering en uiteindelijk ook uitsluiting uit de werkloosheidsvergoeding.

Er is een toename van de niet-actieve bevolking, van het aantal arbeidskrachten dat door brugpensioen, volledige of tijdelijke werkloosheid buiten het arbeidscircuit terechtkomt. De totale effectieve werkloosheid bedroeg eind 1988 nog altijd rond de 530 000 eenheden (volledige werklozen, oudere werklozen, schoolverlaters en niet uitkeringsgerechtigde werklozen). De totale ondertewerkstelling (met deeltijdse werkloosheid en substatuten inbegrepen) bedroeg 850 000 eenheden. Het systeem kan die beschikbare productiekrachten niet benutten omdat ze niet rendabel kunnen worden ingezet.

Dit heeft gevolgen voor de samenstelling van de werkende klasse. In België is bijna 25 % van de sociaal verzekerden met een van de vormen van open of verdoken werkloosheid geconfronteerd. Ongeveer 100 000 werkzoekenden hebben een (tijdelijke) job in een speciaal tewerkstellingscircuit. Ongeveer 180 000 werklozen hebben een deeltijdse job aangenomen om aan de werkloosheid te ontsnappen. 130 000 oudere werkers zijn vroegtijdig gepensioneerd en 70 000 oudere werklozen zijn gewoon uit de statistiek geschrapt. (Cijfers 1988.) Daarbij moet een onbekend aantal definitief uitgeslotenen worden geteld dat bij het OCMW terechtkomt. Er is dus een massale verhoging van de niet-actieven en marginaal actieven binnen de werkende bevolking.

p. 176

42.
De patroons: opsplitsen om de algemene uitbuitingsgraad te verhogen

In zijn zoektocht naar lagere productiekost en grotere flexibiliteit van de productie heeft het patronaat over de hele wereld op grote schaal de marginale arbeidsvormen ontwikkeld. Belangrijk hierbij is dat de superuitbuiting waaraan deze marginale arbeidskrachten worden onderworpen, een drukkingsmiddel is — net als het werklozenleger — om de uitbuiting van de hele werkende bevolking te versterken. Het is een verkeerde voorstelling van zaken om te spreken over een ‘bevoorrechte kern’ en een uitgestoten kern, alsof de eerste groep geniet van privileges ten koste van de tweede groep. Het patronaat is niet geïnteresseerd in oplossingen die de gemiddelde uitbuitingsgraad op hetzelfde niveau houden, door de ene wat meer en de andere wat minder te geven. Het wil de globale uitbuiting verhogen door de arbeidersklasse te verdelen, op te splitsen en bepaalde categorieën uit te spelen als extra-uitgebuite groep. Het patronaat zal altijd de ergste sociale toestanden als streefdoel nemen. De toestanden in de derde wereld worden in concurrentie geplaatst met de sociale verworvenheden en lonen in de rijke landen. Het patronaat ontmantelt de algemene verworvenheden door het creëren van marginale statuten, door uitzonderingen in de sociale wetgeving te forceren voor een deel van de werkende klasse. Zo ontstaat een ‘derde wereld van bij ons’, die op zijn beurt in concurrentie geplaatst wordt met de algemene sociale rechten.11

421.
Verdelen met marginale arbeidskrachten

Zoals reeds vermeld maakt in de Verenigde Staten een op vier werkers geen deel meer uit van de ‘traditionele arbeidskrachten’. 35 miljoen personen zijn tijdelijken, deeltijds werkenden of werken met een ‘huurcontract’. Een recente studie van de IAO schat dat nu ongeveer 50 miljoen personen deeltijds werken in de industrielanden, een verhoging met 30 % tegenover het vorige decennium.12

Naargelang het patronaat zijn flexibele productie kan doorzetten, drijft het ook de arbeidersklasse uiteen in een hoofdeenheid met daarbinnen en daarrond superflexibele brokstukken. De staat doet hetzelfde in haar eigen bedrijven en administratie, maar vooral vanuit besparingsoogpunt. De wetgeving die remmen voorzag op dergelijke wildgroei van substatuten wordt systematisch afgebouwd.

De tijdelijke contracten maakten in 1987 reeds 7 % van de Belgische tewerkstelling uit (meer dan 200 000) en meer dan 12 % in de openbare diensten. Daaronder horen contracten van bepaalde duur, seizoenscontracten, jongerenstages, niet-statutaire jobs in de openbare diensten en de verschillende tewerkstellingscircuits. Soms zijn ze een vorm van goedkope arbeidskracht, zoals in het geval van de jongerenstages die slechts 90 % p. 177van het loon betaald krijgen. In de bedrijven worden ze gebruikt voor de opvang van seizoenpieken en als rekruteringsreserve. De meest toegewijden kunnen blijven, de andere gaan terug naar de stempellokalen. Door op die manier de tijdelijken af te jakkeren kan het ritme van alle arbeiders opgedreven worden. De interimarbeid (of uitzendarbeid) is het prototype van oplaparbeid, gepresteerd door werkkrachten die bereid zijn alles aan te nemen, ook het meest ongezonde, vuile werk, tegen lage beloning. En waar vele ‘Ik, Ali’s’ een onderkomen vinden. “Op jaarbasis kregen tussen 1 april 1987 en 31 maart 1988 zowat 107 707 fysiek verschillende personen een uitzendcontract gedurende een kortere of langere periode aangesmeerd. Dit vertegenwoordigt zowat 5 % van de werknemerspopulatie in de privésector.”13

Over onderaanneming zijn geen cijfers bekend. Sommige bedrijven werken vooral met interne onderaanneming; in sommige Antwerpse chemiebedrijven bestaat reeds twee derde (!) van het personeel uit werkers in onderaanneming. De meeste bedrijven die just-in-time werken hebben vaste contracten met vele toeleveringsbedrijven. Bijna alle automobielbedrijven hebben nu al hun zetelmakerij uitbesteed. Bij de contractbedrijven liggen de lonen meestal lager, is er minder of geen syndicale bescherming, werkt men permanent onder chantage: slecht werk of ontijdige levering kan contractverbreking betekenen. Zo kan het hoofdbedrijf ook verschillende toeleveranciers tegen mekaar uitspelen en de hoogste normen ook naar het eigen bedrijf overbrengen.

Verschillende dienstenbedrijven experimenteren nu terug met huisarbeid (en tele-arbeid), een plaag die door de syndicale beweging werd uitgeroeid in de negentiende eeuw, zo dacht men. Het toppunt van versnippering en isolatie van de arbeidskracht, volledig overgeleverd aan de willekeur, zonder bescherming en met loon volgens prestatie.

De deeltijdse arbeid tenslotte: het snelst groeiend met reeds meer dan 17 % van de tewerkstelling, of meer dan een half miljoen werkers. Of liever werksters, vermits het vooral over vrouwen gaat. Voor de ene helft zou het een vrijwillige keuze zijn, voor de andere helft een gedwongen keuze om aan de werkloosheid te ontsnappen. De deeltijdse arbeid wordt voorgesteld als een tegemoetkoming aan de vraag naar vrije tijd of familiale ruimte. Voor het patronaat is het een categorie werkers die maar half betrokken is bij de collectieve arbeidersbelangen (een), maar die ze dubbel kan uitbuiten (twee). Deeltijdse werkers kunnen namelijk een hoger ritme aan, wat dan weer de druk op de andere werkers verhoogt. Voor de staat en het patronaat is deeltijdse arbeid ook de goedkoopste manier om de werkloosheidscijfers te drukken (drie) en om de arbeidsduurvermindering voor alle werkers, met loonbehoud te bekampen (vier). Vier keer winst dus.

p. 178

De modale bedrijfspiramide ziet er dan uit als volgt:14

A B C H I J D D G G G F F F M L L L M K K K

A: top management

B: midden-kader

C: vaste mannelijke werkers

D: vaste vrouwelijke werkers

F: werkers in onderaanneming binnen het hoofdbedrijf

G: min of meer gespecialiseerde arbeidskrachten
die door onafhankelijke onderaannemingsbedrijven worden uitgestuurd (L)

H: seizoenwerkers of tijdelijke arbeidskrachten

I, J: deeltijdse werkers, vooral vrouwen en studenten

K: onderaannemings- en interimbedrijven

M: goedkope arbeidskrachten in buitenlandse filialen (derde wereld)

422.
De werkloosheid doen … ontbinden

Het laatste OESO-rapport over België besteedt bijzonder veel aandacht aan de ‘zware structurele problemen van de arbeidsmarkt’.15 De OESO vertolkt ook dit keer op schitterende wijze de patronale wensen. Het probleem dat het grootste deel van het half miljoen effectieve werklozen nooit meer op de arbeidsmarkt zal komen, stelt zich namelijk steeds nadrukkelijker. De langdurige werkloosheid is veruit de hoogste van alle OESO-landen: 77,5 % is langer dan een jaar werkloos. De ‘rotatiegraad’ is bovendien van de laagste: slechts 2,7 % van de werklozen verdwijnt per maand van de lijst. Terwijl die rotatie in andere landen is gestegen door de verbetering van de conjunctuur tussen 1983 en 1988, is die in België gedaald! “De werklozen van lange duur zijn hoe langer hoe meer afgesneden van de arbeidsmarkt doordat ze de noodzakelijke kwalificaties p. 179verliezen en met de tijd, misschien zelfs hun wil om werk te zoeken; het worden uitgesloten werkers …” (P. 32.) Waarom ze dan ook niet meteen uitsluiten, vraagt een patronale stem. En jawel, de OESO staat prompt klaar met een studie die de nefaste invloed bewijst van langdurig recht op uitkeringen (veel erger dan rijkelijk hoge vergoedingen voor werklozen meldt de expert ter zake). Welnu, zo luidt de conclusie, “België onderscheidt zich nog altijd door het feit dat de duur van dit recht er praktisch onbeperkt is.” (P. 34.) — “Het zal moeilijk zijn de uittrede uit de werkloosheid nog te doen toenemen zonder een grondige hervorming van het systeem van sociale zekerheid en zonder radicale heroriëntering van de tussenkomst op de arbeidsmarkt, in de zin van meer programma’s voor recyclage van arbeidskracht, in plaats van een inkomen voor onbeperkte tijd te verzekeren.” (P. 39-40.)

De patronale objectieven vertrekken klaar en duidelijk vanuit de huidige schaarste aan gekwalificeerde arbeidskrachten. Die hoopt het patronaat niet meer te vinden onder de langdurig werklozen en dus wordt die categorie definitief ‘afgeschreven’. Het recht op onbeperkte uitkering in de tijd komt opnieuw onder druk te staan. De eind 1990 verscherpte klopjacht op langdurig werklozen met artikel 143 is dus slechts een aanloop.16 In feite wordt het een klopjacht op enkele honderdduizenden

423.
Goedkope aanvoer van verse arbeidskracht

Het OESO-rapport spreekt met bezorgdheid over het tekort aan gekwalificeerde arbeidskracht: “Het is duidelijk dat de belangrijkste rem op de groei de onvoldoende aanwezigheid van gekwalificeerde arbeidskracht zal zijn.” (P. 31.) Daarom suggereert het rapport twee oplossingen: 1o het gekwalificeerde personeel zo lang mogelijk aan het werk houden door het herzien van de brugpensionering; 2o de omschakeling naar de meest gevraagde kwalificaties laten organiseren en betalen door de staat (met het uitgespaarde geld van de werklozen).

Verder is de regelmatige aanvoer en de inschakeling van nieuwe arbeidsreserves voor het patronaat altijd een middel geweest om een subproletariaat te onderhouden dat goedkoper is, minder gesyndiceerd en makkelijker kneedbaar. In de beginperiodes van het kapitalisme zorgde de proletarisering van de boeren voor regelmatige aanvoer. Na de Tweede Wereldoorlog werd massaal arbeidskracht geronseld in Zuid-Europa, Turkije en Noord-Afrika. Sinds twintig jaar verhuizen de bedrijven zelf naar de plaatsen waar arbeidskracht overvloedig beschikbaar is tegen een vijfde tot een tiende van de prijs. Tegelijk heeft het patronaat kunnen profiteren van de grote toevloed van vrouwelijke arbeidskracht op de markt. De activiteitsgraad van de vrouwen is gestegen van 40 % in 1970 tot 51 % in 1988 en het aandeel van de vrouwen binnen de actieve bevolking is opgelopen van 20 % in 1965 tot 36 % vandaag. Deze vrouwelijke arbeidskracht werd de belangrijkste rekruteringsreserve voor de uitbreiding van deeltijdse arbeid, in overgrote meerderheid in de dienstensector. 48 % van de bedienden zijn vrouwen, 47 % in de openbare diensten zijn vrouwen. p. 180Meer dan twee derde van de vrouwelijke aanwervingen zijn niet-traditionele arbeidsplaatsen (tijdelijk of deeltijds).17 Maar die vrouwen verdienen, alle principes van gelijk loon voor gelijk werk ten spijt, nog altijd 25 % minder bij de arbeiders en … 35 % bij de bedienden! Het OESO-rapport stipt aan dat de steile aangroei van de vrouwelijke arbeidsbevolking recent is stilgevallen, hoewel België nog altijd een van de laagste vrouwelijke activiteitsgraden heeft van alle industrielanden.

Het ziet er tenslotte naar uit dat de belangrijkste aanvoer van goedkope verse arbeidskracht in de komende jaren uit het ‘bevrijde’ Oostblok te verwachten valt. Voor de bedrijven is het goedkoper geschoolde arbeidskrachten te importeren dan werkloze arbeiders te herscholen. In de metaalsector, de chemie en de bouw werden reeds hele contingenten Poolse, Hongaarse en Joegoslavische monteurs en lassers aangeworven. En de grote golf moet nog komen. De 470 000 vreemde arbeiders en vooral de 190 000 niet-Europese arbeiders riskeren nog meer dan nu al het geval is, in contracten van beperkte duur, in toeleveringsbedrijven, uitzendbureaus en in de werkloosheid terecht te komen.

43.
De ‘duale maatschappij’ bekampen door solidariteit in de armoede?

Sociologen buigen zich sinds vele jaren over het probleem van de nieuwe klassensamenstelling en de toekomst van de vakbond. Voor sommigen zoals Alain Touraine is de arbeidersklasse aan het verdwijnen; anderen zoals André Gorz of Herbert Marcuse vrezen dat het proletariaat zijn revolutionair potentieel verloren heeft. In en rond de Franse vakbond CFDT worden er grote ideologische debatten aan gewijd. De nieuwste thesis uit die hoek is die van de ‘duale maatschappij’, waarbij men het niet heeft over de tegenstelling arbeid-kapitaal maar over de opsplitsing van de werkende bevolking in twee polen. De idee, dat er een kloof kan ontstaan tussen twee soorten arbeiders en werkers, is niet uit de lucht gegrepen. De vraag is echter of men hierbij de hoofdkloof, die tussen arbeid en kapitaal, niet uit het oog verliest. En op welke wijze men de eenheid van de werkende klasse kan vrijwaren.

431.
Het ACV en de ‘gespleten samenleving’

Vanuit haar christelijke inspiratie is de ACV-leiding altijd alerter geweest voor het lot van de ‘minstbedeelden’. Vanuit diezelfde inspiratie (onder meer de pauselijke encyclieken) heeft de leiding van de christelijke arbeidersbeweging ook altijd de verantwoordelijkheid van het kapitalistische uitbuitingssysteem weggecijferd om terug te vallen op ‘humane’ oplossingen, zonder klassenstrijd. Deze aanpak ligt volledig in de lijn van het ‘morele syndicalisme’ (zie 131) en de meest rechtse leiders hebben nooit nagelaten p. 181hun zorg voor de minstbedeelden dik in de verf te zetten. De optiek was altijd dat de ‘meestbedeelden’ dan maar moeten opdraaien om het lot van de minstbedeelden te verbeteren. Die meestbedeelden zijn niet de kapitalisten of de rijken, maar zijn de andere arbeiders en werkers. Voor elke schijf van 100 miljard besparingen was wel ergens 1 miljard verhoging voor ‘minstbedeelden’ ingebouwd, voldoende om de ACV-leiding genoegen te doen. Merkwaardig genoeg hebben ook linkse krachten zich door die ‘solidariteit in de armoede’ laten meeslepen. We gaan naar een gespleten arbeidersklasse, redeneerden sommigen, naar een breuk tussen ‘de permanente en beschermde werkers enerzijds, de perifere werkers en de werklozen anderzijds’. Dat kunnen we alleen verhinderen wanneer de hogere lagen vrijwillig inleveren om de laagste te helpen. Inleveren wordt voor de actieve arbeiders niet alleen een kwestie van solidariteit, maar een strategische noodzaak. Het is een noodzaak om de krachtsverhoudingen van de toekomst op te bouwen. Uit deze hoek werd het voorstel van arbeidsduurvermindering met loonverlies geformuleerd, zoals het daarna in het 5-5-3-model van de regering werd toegepast. Dit was ook de richting van de ‘bezinning’ die vanaf eind 1981 in het Waalse ACV op gang kwam en uiteindelijk uitmondde in het regionaal ACV-congres “Le syndicalisme des années 80-90”. Een van de grote verdedigers van de ‘strategische terugtocht om daarna beter te kunnen aanvallen’ was Robert D’Hondt, vicevoorzitter van het ACV.

Vrij vertaald luidt zijn standpunt ongeveer als volgt:

“De sociale basis, de doelstellingen van de vakbond verleggen zich. Als het programma en de methodes niet méé evolueren, komen we in een duale maatschappij terecht. Met een bevoorrecht deel arbeiders dat volledig geïntegreerd is in het productieproces en een marginaal deel dat uitgesloten is van werk of in allerlei substatuten terecht komt. We moeten kiezen voor een meer menselijke maatschappij, een zachte maatschappij. Dit wil zeggen: minder vragen, meer kwaliteit van het leven. Inwerken op wat geproduceerd wordt en hoe geproduceerd wordt, zelfproductie stimuleren. We moeten onze klassieke terreinen verlaten, aansluiten bij andere sociale bewegingen, de vakbond minder corporatistisch organiseren, maar meer op lokaal vlak. We moeten andere sociale lagen bereiken en nieuwe actievormen uitwerken.”

Weg dus van de klassenstrijd, weg van de bedrijven, weg van de kern van de arbeidersklasse. Men wil de duale opsplitsing bekampen door het meest slagkrachtig deel van de arbeidersklasse vleugellam te maken en te ontmoedigen. De hoofdtegenstelling kapitaal-arbeid wordt vervangen door de tegenstelling tussen een ‘centrale’ en een ‘perifere’ arbeidersklasse. In naam van de strijd tegen het ‘corporatisme’ laat men de gerechtvaardigde eisen van een groot deel van de werkers vallen, in plaats van allen samen te strijden, verplicht men de sterkste groep tot inlevering. De ‘verplaatsing’ van het syndicale gevecht naar nieuwe terreinen kan daarom niets anders dan een vlucht zijn. Het terrein van de productie wordt verlaten voor lokale organisatie, andere sociale lagen en terreinen, p. 182fantaisistische ‘actievormen’ en zelfbeheer van de miserie.

Wanneer in december 1986 André Gorz komt spreken op de honderdste verjaardag van het ACV, vertrekt hij van dezelfde analyse: “Als de vakbonden zich enkel tot doel stellen de belangen te verdedigen van diegenen die een vaste arbeidsplaats bekleden, zijn de vakbonden bedreigd met de degeneratie tot een neocorporatistische en conservatieve kracht, zoals in sommige landen van Zuid-Amerika.”18 Maar het moet gezegd, zijn conclusie is heel verschillend en sindsdien vergeten, want hij houdt een vurig pleidooi voor arbeidsduurvermindering voor alle werkers, met loonbehoud. “Progressieve en massale vermindering van de arbeidsduur zonder inkomensverlies is de noodzakelijke voorwaarde voor een verdeling van de betaalde arbeid over allen die wensen te werken … […] Dit veronderstelt dat de arbeidsduur, die op dit ogenblik zowat 1 600 uren per jaar bedraagt, etappegewijs en planmatig op vijftien à twintig jaren tot ongeveer 1 000 uren wordt teruggebracht, zonder daling van de levensstandaard, integendeel.”

De ACV-leiding blijft het in een andere richting zoeken, in ‘solidariteitsoffers’ van de ‘bevoorrechte’ werkers. In 1988 wordt dit onder meer vastgelegd in een campagne ‘Geen gespleten samenleving’, een campagne voor solidariteit met de werklozen. Willy Peirens: “Met die campagne roeien wij niet alleen tegen de tijdgeest in, maar inderdaad ook tegen wat een deel van onze leden denkt. […] Ook op het einde van de jaren 70 zijn wij de boer opgegaan om de mensen er van te overtuigen dat de actieven moesten inleveren voor de niet-actieven, voor de werkgelegenheid, voor de sociale zekerheid.”19 Waarop strijdbare ACV-militanten gevat reageren met ‘Geen gespleten vakbeweging’!

Het is inderdaad veel gemakkelijker een deel van de arbeiders te laten betalen dan weerstand te bieden aan het kapitaal. In haar eigen dossiers toont de ACV-leiding aan dat de meerderheid van de werklozen (samenwonenden die langer dan twee jaar werkloos zijn) tussen 1980 en 1987 ongeveer 50 % aan inkomen hebben ingeleverd. Waar was de ACV-leiding toen, in de strijd tegen deze ‘duale inlevering’?

Het laatste ACV-congres (1990) tenslotte heeft het opnieuw over de ‘dubbele arbeidsmarkt’: een eerste met redelijke lonen, vaste banen en opwaartse carrières; een andere met lage lonen, los werk en weinig carrièrekansen’. Maar het rapport heeft, behalve veel filosofie over het verzoenen van de individuele voorkeur met het collectieve belang, weinig in huis om hieraan te verhelpen. ‘Beperking van het aantal losse krachten’ en ‘remmen op de uitzendarbeid’ zullen weinig indruk maken op het patronaat. Langdurig werklozen vernemen er dat de ACV-leiding de ‘zitkuil van de langdurige werkloosheid wil omvormen tot de trampoline van een verend arbeidsmarktbeleid’, door ‘de plicht tot arbeid of opleiding’ in te voeren. En de ACV-leiding blijkt plots veel minder principevol om ten strijde te trekken tegen het individualisme dan tegen het vermeende corporatisme:

— “Algemene werktijdverkorting staat momenteel minder vooraan op het p. 183verlanglijstje van werknemers. Zij verkiezen op dit ogenblik meer loon boven minder uren.”

— “De vraag naar formules van individuele werktijdverkorting wordt groter.”

— “De arbeidersstrijd verloopt niet meer volgens het klassieke patroon: werktijdverkorting is goed en werktijdflexibiliteit is slecht.”

Met als conclusie: “Een syndicaal beleid inzake werktijd is nog enkel mogelijk ter vervulling van die veelvuldige verlangens — niet ertegen.”

432.
Vertegenwoordiging in kmo’s

De ABVV-leiding kan zich niet op een grotere strijdbaarheid beroepen in het bekampen van de duale arbeidsmarkt. Haar enige verdienste is dat ze niet heeft gepoogd de kloof te dempen door de ‘bevoorrechte’ arbeiders te laten betalen. Maar men kan evenmin van een beginselvaste opstelling tegenover het patronaat spreken. De ABVV-leiding stuurt vooral aan op een vertegenwoordiging van de vakbond in de aanzwellende groep van kleine bedrijven die als onderaannemer werken voor grote bedrijven. Vaak zijn hier wraakroepende toestanden aanwezig zonder dat er enige syndicale controle mogelijk is. Beide vakbonden zijn met de eis voor syndicale vertegenwoordiging in kmo’s naar de interprofessionele onderhandelingen getrokken waar hij eens te meer als wisselmunt werd gebruikt en verdween.

Ook al is het een correcte eis tegen opsplitsing en patronale willekeur, de hoofdvraag blijft: wat zal die syndicale delegatie er verdedigen? En zal zij gesteund worden door een syndicale organisatie die zich onverzoenlijk opstelt tegen de flexibele werktijden, de flexibele contracten, de onderaanneming, de nepstatuten en de deeltijdse arbeid?

44.
Klassesyndicalisme

De verschuivingen in de samenstelling van de werkende bevolking stelt nieuwe taken, maar verandert niets aan de wezenlijke opdrachten van het syndicalisme. De totale werkende bevolking neemt zowel relatief als in absolute cijfers toe, zowel in België als op wereldvlak. De internationalisering van de productie betrekt nieuwe bevolkingslagen van de derdewereldlanden in het industriële proces. Ook al neemt, strikt genomen, het aantal industriearbeiders in de kapitalistische wereld af, de productie van meerwaarde kan nooit worden gerealiseerd worden zonder uitbuiting van arbeidskracht in het productieproces. De arbeidersklasse is dus niet aan het verdwijnen, maar blijft de kern van de syndicale strijd. De wijzigingen werken in verschillende richtingen. Er is enerzijds de uitschakeling van brute handenarbeid, maar anderzijds de proletarisering van bredere bediendelagen. Diensten en productie raken meer verstrengeld en de uitbreiding van de diensten zit stevig geënt op de industriële basis. p. 184Manuele en intellectuele arbeid zijn niet zo strikt meer af te bakenen; de immateriële inbreng in het productieproces wordt groter terwijl de administratieve taken steeds meer in meetbaar stukwerk gegoten worden.

De vele verschuivingen vergroten de noodzaak om tegenover het verenigde patronaat, een klassesyndicalisme te ontwikkelen dat de verdeeldheid overbrugt en het klassebewustzijn ontwikkelt.

441.
Het industrieproletariaat blijft de voorhoede van de werkende klasse

De verschuivingen veranderen niets aan de voorhoederol van de industriearbeiders. Het industrieproletariaat is de voorhoede in de strijd voor het socialisme omdat deze groep het best de uitbuiting ondervindt, het meest geconcentreerd is, niet strijdt voor het instellen van andere uitbuitingsverhoudingen, maar voor het vernietigen van elke uitbuiting. De arbeiders produceren de meerwaarde die verdeeld wordt over de verschillende niet-productieve sectoren. Zij zijn het meest geconcentreerd en ‘gedisciplineerd’ door het kapitaal. Zij beheersen de vitale schakels van de economie.

Die leidende rol heeft niets te maken met haar aantal, maar met haar plaats in de maatschappij en in het productieproces. De voorhoede is in veel gevallen niet de meest talrijke groep. In alle derdewereldlanden is de belangrijkste revolutionaire kracht (in aantal) de boeren, terwijl de arbeidersklasse de politiek leidende rol vervult. Het industriële proletariaat zal de voorhoede blijven zolang het kapitalisme bestaat. In brede zin wordt die rol waargenomen door de werkers die rechtstreeks bij het productieproces betrokken zijn en de meest proletarische lagen binnen de dienstensector.

De meest prioritaire opdracht bestaat erin de andere werkers op te trekken aan strijdbaarheid en strijdtraditie van de arbeiders. Dit wil zeggen, de strijdtraditie van het industrieproletariaat doorgeven en doen verwerven door de ‘nieuwe’ industriewerkers, steunend op de meest geproletariseerde lagen van de dienstensector. Dit is precies het omgekeerde als het ‘wegtrekken’ van de fabrieken en de vlucht naar de ‘nieuwe sociale bewegingen’.

442.
Eisen formuleren die de verdeling doorbreken

De ‘duale opsplitsing’ van de arbeidsmarkt is een tendens die door het patronaat wordt aangewakkerd om de uitbuiting van de hele werkende klasse op te drijven. De opsplitsing van de werkende bevolking is geen nieuw verschijnsel. Het is een van de meest elementaire bestaansredenen van de vakbond om die opsplitsing te doorbreken en de werkers als één klasse tegenover het patronaat op te stellen.

Naast het afwijzen van alle vormen van marginale arbeid is het belangrijk om positieve eisen te stellen, die een verenigend karakter hebben. Weinig eisen hebben wat dat betreft zo’n grote betekenis als de 32-urenweek, met loonbehoud en evenredige aanwervingen. Indien die in onvervalste p. 185en radicale vorm wordt doorgevoerd is het een antwoord op vele problemen, van verschillende categorieën.

1o Het blijft het enige middel om werk te bezorgen aan tienduizenden werklozen. Verdeling van de beschikbare arbeid is de meest evidente manier om de werkloosheid te lijf te gaan. Tien procent arbeidsduurvermindering is tien procent werkplaatsen meer (300 000).

2o Het is een alternatief voor deeltijdse arbeid. De patroons schoven de deeltijdse arbeid naar voor om de arbeidsduurvermindering met loonbehoud te bekampen. Het zijn twee totaal verschillende visies op meer vrije tijd: een patronale, met loonverlies en dikwijls onder dwang of uit noodzaak; een werkersvisie, vier dagen van acht uur voor iedereen en met loonbehoud.

3o Het is een antwoord op de nepstatuten. Tijdelijke contracten en stagecontracten moeten in vaste aanwervingen worden omgezet.

4o Het is een eis voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden. De arbeidsduurvermindering moet de limiet van de arbeidsduur op weekbasis vastleggen. Indien het gekoppeld wordt aan de stopzetting van flexibele arbeidstijden kunnen superlange werkdagen, weekendwerk, nachtploegen worden gebannen.

5o Het is een uitstekende zaak voor de sociale zekerheid.

Dat de eis niet meer ‘populair’ zou zijn, ligt alleen aan de vakbondsleiding die hem in het verleden heeft uitgehold (met loonverlies), van zijn betekenis ontdaan (met evenredige ritmeverhoging) en weigert hem nog verder te propageren. Waarom blijft hij anders in Duitsland populair en niet in België? Dat hij onbetaalbaar is kan men alleen volhouden als men weigert kennis te nemen van de winstcijfers die de bedrijven de laatste tien jaar hebben binnengerijfd als resultaat van de inleveringspolitiek. In de loop van de jaren 80 hebben de Belgische bedrijven 1 363 miljard Belgische frank reserves opzij gelegd, met winst die overblijft na aftrek van dividenden, belastingen en investeringen.20

443.
Aangepaste vakbondsstructuren

De toenadering tussen arbeiders, bedienden en ambtenaren maakt de aparte organisatie in arbeiders- en bediendecentrales een historisch voorbijgestreefde indeling die de verdeeldheid tegenover het patronaat in de hand werkt. “Het onderscheid tussen ‘hoofdzakelijk manueel’ werk en ‘hoofdzakelijk geestelijk’ werk, is in veel gevallen een formeel onderscheid geworden zonder enig verband met de werkelijke inhoud van het werk”, stelt het CMB-congresdocument van 1990.21 De enige logische conclusie is het aansluiten van de bediendenvakbond bij de respectievelijke centrales in ‘industriebonden’. Dit kan alleen de slagkracht tegenover het patronaat vergroten. De Belgische vakbonden zijn wat dat betreft de enige, samen met de Zweedse, die de opsplitsing tussen arbeiders en bedienden in stand houden. De zaak ligt echter zo gevoelig bij de betrokken centrales p. 186dat in geen van beide vakbonden spectaculaire vooruitgang gemaakt wordt in die richting.

De verschillende statuten die bestaan tussen arbeiders en bedienden moeten worden vervangen door een eenheidsstatuut, waarbij de voordelen van beide worden uitgebreid tot het gehele personeel.

De vakbonden moeten verder een veel grotere plaats inruimen voor categorieën werkers die met uitsluiting, minorisering of discriminatie worden getroffen. Werklozen, vreemdelingen en vrouwen moeten een volwaardige vertegenwoordiging krijgen op alle niveaus van de vakbond en moeten veel meer middelen ter beschikking krijgen.

p. 187

Deel II
De vakbond winnen voor het strijdsyndicalisme

p. 189

Hoofdstuk 5
Wat doen revolutionairen in de vakbonden?

51.
Partij en massaorganisatie

511.
De arbeiders en werkers hebben een eigen revolutionaire partij nodig

Meer dan 100 jaar strijd voor het socialisme bevestigen de stelling van Marx dat de arbeidersklasse haar eigen, revolutionaire partij nodig heeft om de versterkte burcht van het kapitalisme in te nemen. De burgerij heeft haar hoofdkwartieren, de arbeidersklasse heeft ook een hoofdkwartier nodig.

De ontaarding en de uiteindelijke val van de socialistische regimes in het Oostblok ondersteunt die stelling. “Er wordt momenteel intens gediscussieerd over de vraag wat nu het fundamentele probleem was, waarop de socialistische regimes in het Oosten schipbreuk leden. In de ogen van het imperialisme lag het kwaad bij de leidende rol van de leninistische partij, die een daadwerkelijke pluralistische democratie onmogelijk maakte: dat is de wortel van het ‘totalitarisme’. Welnu, na de ineenstorting van de communistische partijen in Polen, Hongarije, de DDR hebben we overal een menigte partijen als giftige paddenstoelen uit de grond zien rijzen … allemaal betaald door het westers imperialisme en roerend akkoord om het totalitarisme van de vrije markt te verdedigen. Meerdere burgerlijke partijen oprichten, dat is niet het socialisme voorzien van verschillende partijen, dat is overstappen van het ene regime naar het andere, van het socialisme naar het kapitalisme. Het meerpartijenstelsel bracht helemaal geen socialistische democratie, het brengt zuivere kolonisatie door het westers imperialisme. Wij denken dan ook dat het p. 190fundamentele probleem voor elke socialistische maatschappij, het behoud is van de zuiverheid en de strijdbaarheid van de communistische partij.”1

De hoofdtaak in de strijd voor het socialisme, is de opbouw van een revolutionaire partij, die sterke banden heeft met de massa’s en die trouw is aan het marxisme-leninisme. Zo’n partij organiseert de bewuste voorhoede van de massa’s, organiseert arbeiders, bedienden en intellectuele werkers en heeft in haar rangen een groot aantal actieve syndicalisten.

Strijdbare syndicalisten, actieve vakbondsmilitanten zullen in zo’n partij een visie en een organisatiekracht vinden die nooit door andere actiegroepen of vakbondskernen opgebracht kan worden. Zonder marxistisch-leninistische partij kan een linkse syndicalist nooit de wetenschap van het marxisme verwerven en een organisatie uitbouwen die het hele proces van de klassenstrijd tot aan de revolutie kan leiden. Hoe sterker de ideologische druk, hoe meer de noodzaak van een revolutionaire analyse, politieke lijn en organisatie zich laat voelen. Om stand te houden in de klassenstrijd en tegen de reformistische capitulatie is een breed communistisch zicht op de geschiedenis, de klassen, de economische wetten en de revolutie onmisbaar. In zijn levensverhaal bevestigt Jan Cap, gewezen ACV-hoofddélégué op de scheepswerf van Boel in Temse, deze waarheid: van strijdsyndicalist tot communist is een kwalitatieve sprong waarvoor bewust gekozen moet worden.2

Verschillende linkse syndicalisten zijn de laatste jaren onder de ideologische druk bezweken. Ook al blijven zij strijdbaar, toch zijn verschillende onder hen met politieke capitulatieprogramma’s opgetrokken. Sommigen waren de eersten om te kiezen voor ‘offensieve inlevering’ omdat zij hoopten op die manier de solidariteit binnen de arbeidersklasse te herstellen (arbeidsduurvermindering met loonverlies). Anderen kozen voor ‘cogestion par objectifs’ (medebeheer rond welbepaalde objectieven) en raakten hiermee verzeild in een patronaal straatje zonder eind. Anderen lieten ontmoedigd alles steken of verloochenden hun vroegere idealen. Zonder een marxistisch-leninistische partij kan zelfs de meest strijdbare syndicalist nooit consequent het reformisme blijven bekampen en verslaan.

512.
De vakbonden zijn en blijven de enige organisaties die de gehele werkende klasse omkaderen

Er is de laatste jaren veel gepalaverd over de ineenstorting van de vakbonden. Maar sinds het ontstaan van de arbeidersbeweging hebben de arbeiders in België praktisch geen andere vorm van strijdorganisatie gekend dan de vakbonden. Ook al ontstond er soms een scherpe kloof tussen top en basis, ook al stond de vakbondsleiding soms haaks op de verwachtingen van de massa; de historische ervaring heeft aangetoond dat de werkers in moeilijke omstandigheden steeds weer op de vakbonden terugvallen. Die les werd in de jaren 30 ook al door de communistische voorman Dimitrov getrokken. Tegen hen die de vakbonden wilden verlaten, argumenteerde hij: “Vele kameraden hebben besloten deze taak te laten p. 191vallen omdat zij de aantrekkingskracht miskennen, die de vakbonden uitoefenen op de arbeiders en ook omdat ze capituleren voor de moeilijkheden van het werk binnen de reformistische vakbonden. Zij spreken onveranderd over de organisatiecrisis van de reformistische vakbonden, over de snelle uittocht van de arbeiders uit de vakbonden. Zij verliezen uit het oog dat, na een zekere val van de vakbonden bij het begin van de economische wereldcrisis, het ledenaantal daarna opnieuw is toegenomen. Het specifieke kenmerk van de syndicale beweging bestond er precies in dat het offensief tegen de syndicale rechten, de vermindering van de sociale uitkeringen, de afbraak van de lonen, de arbeiders verplichtte zich nog nauwer aaneen te sluiten rond de vakbonden, en dat, ondanks afwezigheid van verzet vanwege de reformistische syndicale leiders. De arbeiders wilden en willen in de vakbond de strijdbare vertegenwoordigers zien van hun meest dringende klassebelangen.”3

De massa winnen voor een revolutionaire politiek is daarom onverbrekelijk verbonden met het vakbondswerk. De vakbonden zijn de enige massaorganisaties van de werkende bevolking. Zij organiseren in België meer dan 90 % van de arbeiders en 50 % van de bedienden. De werkers worden omkaderd door syndicale délégués, die uit hun eigen rangen komen. De praktijk van alle stakingen toont aan dat een belangrijk deel van de werkers steeds kijkt naar wat de délégués doen. Of délégués zich in de goeie of in de kwaaie zin laten opmerken maakt een ontzettend groot verschil uit voor het klimaat en het zelfvertrouwen onder de massa. De strijd tegen de opeenvolgende Martens-conclaven heeft ook getoond hoe belangrijk het is of de vakbondsleiding steunt of saboteert, afremt of minstens passief laat ontwikkelen. Zonder Houthuys waren de Martens-plannen misschien al in 1984 en zeker in 1986 onder de voet gelopen. De ABVV-leiding liet echter evenzeer haar militanten en basis in de kou staan op de cruciale momenten. Een vakbondsmilitant kan dan afhaken op zo’n momenten of met verdubbelde ijver aan het werk gaan om de vakbond van binnenuit te vernieuwen. Het is duidelijk de laatste keuze die de goeie is. Vroeg of laat zullen zich dezelfde situaties opnieuw voordoen. Een consequent syndicalist trekt lessen en besluit het de volgende keer anders aan te pakken. Hij zal verse krachten rond zich verzamelen, hen vormen en voorbereiden op de komende klassenstrijd. De burgerij kent zeer goed de kracht van een georganiseerde en ideologisch geschoolde voorhoede. Tot wat bewuste, revolutionair gezinde syndicalisten in staat zijn, hoe zij binnen de vakbond en onder de massa onweerstaanbare krachten in beweging kunnen brengen, wordt aangetoond door de drie Limburgse mijnstakingen tussen 1986 en 1988.4 Militante délégués en vakbondskernen hadden hun les getrokken uit de eindeloze sluitingsgolf in de staalsector. Vanuit een verloren gewaande situatie, met vakbondsleiders die al hadden opgegeven, zijn ze teruggekomen, twee keer na elkaar hebben ze keihard teruggeslagen. Ze hebben niet gewonnen, maar ze hebben hun vel duur verkocht: ze hebben getoond dat men eervol verliest wanneer men vecht tot de laatste snik. Die trots zal men geen mijnwerker afnemen, ook al is hij zijn werk kwijt. En hij heeft bovendien p. 192iets geleerd: regering en patronaat zijn twee handen op een buik.

513.
De burgerij vecht ook voor haar visie in de vakbond

Er wordt de PVDA soms verweten de vakbond te ‘misbruiken’ om voor haar eigen politiek te vechten. Wat betekent het dan als vakbondsleiders de regeringspolitiek mee uitwerken zoals in de crisisperiode zo intens gebeurde; als vakbondsleiders de patronale argumenten van concurrentiepositie, soberheid en verantwoordelijkheidszin doordrukken, vaak met weinig democratische methodes? De PVDA werkt op een correcte (d.w.z met respect voor democratisch genomen vakbondsbeslissingen en met respect voor de regels van een massaorganisatie) aan de versterking van de vakbonden. Dit kan niet gezegd worden van hen die de meest radicale krachten uitsluiten, vervolgen, laten buitengooien door het patronaat en op die manier de ziel van de vakbond aantasten.

De CVP en SP zijn burgerlijke partijen die in de eerste plaats de instandhouding van het systeem beogen en hierbinnen in mindere of meerdere mate opkomen voor ‘hervormingen’. Aan de essentie, de vrije markt (een andere term voor ‘dictatuur van een minderheid’) mag niet geraakt worden. Daarom handelen zij onherroepelijk in het denkkader en binnen de limieten van de kapitalistische economie en de burgerlijke machtsorde. Hun politieke greep op de vakbonden is een essentieel element van hun controle over de massa. Of zoals SP-minister Van den Bossche terecht verklaarde: “Een socialistische beweging zonder vakbeweging is ten dode opgeschreven.”5

Het gevecht tussen de reformistische en de revolutionaire politieke partijen voor de verovering van de werkende massa wordt in de eerste plaats uitgevochten binnen de vakbonden. Het is voornamelijk via de vakbonden dat de reformistische partijen een steunpunt binnen de werkende klassen verwerven en behouden. Het is precies omdat zij op de vakbonden konden steunen dat de reformistische leiders erin geslaagd zijn op belangrijke ogenblikken de arbeidersrevolutie tegen te houden en de macht van het kapitaal overeind te houden (zoals in 1919 en vooral in 1944-1945).

Niet werken in de bestaande vakbonden betekent massa’s die in de vakbond georganiseerd zijn overlaten aan de reformistische leiders. Het is een onvergeeflijke capitulatie voor de revolutionaire taken. Lenin: “Het is niet moeilijk een revolutionair te zijn wanneer de revolutie is uitgebroken, reeds is ontbrand, wanneer alle mogelijke mensen zich bij de revolutie aansluiten … Het is veel moeilijker, en van veel meer waarde, dat men de kunst verstaat een revolutionair te zijn, wanneer de voorwaarden voor de directe, openlijke, werkelijke revolutionaire strijd van de massa’s nog niet aanwezig zijn; dat men de kunst verstaat op te komen voor de belangen van de revolutie (door propaganda, agitatie en organisatie) in niet-revolutionaire, vaak zelfs in beslist reactionaire instellingen, in een niet-revolutionaire situatie onder een massa die niet in staat is om onmiddellijk de noodzakelijkheid van de revolutionaire strijdmethode te p. 193begrijpen.”6

Het belang van het werk in de bestaande vakbonden kan men ook afmeten aan de ijver waarmee rechtse elementen in de vakbondsleiding zich inspannen om aan communisten hun mandaat of zelfs hun lidmaatschap van de vakbond te ontnemen. De actieve steun, die patroons en veiligheidsdiensten hieraan verlenen, bewijst hoe duidelijk zij beseffen dat een communistische inplanting in de vakbonden een bedreiging vormt voor hun ideologische en organisatorische greep op de werkers.

514.
De wezenlijke tegenstelling ligt niet tussen ACV en ABVV

Sommigen begrijpen niet goed hoe revolutionairen in twee vakbonden kunnen werken. Veel militanten in het ABVV beschouwen het ACV in zijn geheel als een rechts bastion dat bekampt moet worden. Dikwijls is er wederzijds sektarisme. De wezenlijke scheidingslijn loopt echter niet tussen ACV en ABVV, maar tussen een prokapitalistische en een antikapitalistische lijn. Vanuit revolutionair standpunt bekeken, is er geen fundamenteel onderscheid tussen klassensamenwerking met sociaaldemocratische inslag of een met moreel-christelijke inslag. En zelfs al was dit het geval, dan nog is het belangrijkste criterium voor het werk in de vakbonden, de aanwezigheid van georganiseerde massa’s. In beide vakbonden zijn arbeidersmassa’s aanwezig die uitgebuit worden; in beide vakbonden zijn strijdbare krachten aanwezig en leven er tegenstellingen tussen links en rechts.

Waarom zouden de ACV-massa’s minder belangrijk zijn? Het ACV organiseert meer dan de helft van de gesyndikeerde werkers in België. Het feit dat het anticommunisme hier traditioneel sterker is doorgedrongen, dat de hoogste leiding zich meestal rechtser opstelt dan de ABVV-leiding, zou een argument moeten zijn om de eenheid van de vakbeweging na te streven zodat reactionaire krachten minder armslag krijgen. In elk belangrijk conflict werd aangetoond hoe nefast het is voor de ontwikkeling van de klassenstrijd als deze reactionaire krachten erin slagen om een groot deel van de arbeiders en werkers afzijdig te houden (Koningskwestie, Eenheidswet …). Ook een minderheidsvakbond kan soms een belangrijke negatieve rol spelen (bijv. in het conflict van Usines de Cuivre et Zinc in 1986).7

De actieve ondersteuning van de linkse krachten is een noodzaak voor beide vakbonden. Het standpunt dat de ‘moeilijkheden van het werk in het ACV’ inroept om er minder aandacht aan te besteden, is hiermee in strijd. Lenin zei hierover het volgende: “Als men de ‘massa’ wil helpen en de sympathie, de genegenheid en de ondersteuning van ‘de massa’ wil verwerven, mag men geen moeilijkheden vrezen, mag men niet bang zijn voor chicanes, voetangels, beledigingen en vervolgingen van de kant van de ‘leiders’ […] en moet men beslist daar werken waar de massa’s zijn. Men moet elk offer kunnen brengen en de grootste hinderpalen kunnen overwinnen om systematisch, hardnekkig, volhardend, geduldig propaganda te maken en agitatie te bedrijven juist in die instellingen, verenigingen p. 194en bonden — al zijn het ook de reactionairste — waar zich proletarische of halfproletarische massa’s bevinden. De vakverenigingen en de arbeiderscoöperaties (deze althans af en toe) zijn echter juist organisaties die massa’s omvatten.”8

Een linkse ACV-verantwoordelijke beoordeelde als volgt de overgang van een linkse ACV-militant naar het ABVV, na de steunverklaringen van Jef Houthuys aan het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime: “Er bestaan geen grote bewegingen of grote organisaties, die helemaal zuiver zijn en die niet doorkruist worden door tegengestelde stromingen en krachten. Door het ACV te verlaten voor het ABVV, heb je een keuze gemaakt die misschien je geweten geruststelt. Maar zeker is dat je daardoor aan een hele progressieve stroming in het ACV de morele kracht van je tussenkomsten ontnomen hebt. Wij zijn immers met velen in het ACW en het ACV, die de standpunten die jij kritiseert niet delen en elk vertrek verzwakt die stroming. Door jouw kandidatuur te stellen voor het ABVV heb je overigens ook de verkiezing van rechtse kandidaten op de ACV-lijsten gemakkelijker gemaakt.”

52.
Vakbondsoppositie en nieuwe vakbond

521.
De historische ervaring van de Revolutionaire Syndicale Oppositie

In 1933 kwam Hitler in Duitsland aan de macht. Zijn opmars en machtsovername werd mogelijk omdat de arbeidersklasse verdeeld was. De verantwoordelijkheid hiervoor lag bij de overgrote meerderheid van de reformistische leiders, met inbegrip van de vakbondsleiders, want zij saboteerden stelselmatig de totstandkoming van het antifascistische eenheidsfront, waarvoor de communisten opriepen. Deze reformistische leiders volgden tegenover de opkomende nazi’s een politiek van verzoening en capitulatie, die in 1933 op dramatische wijze werd afgestraft. De KPD (Kommunistische Partei Deutschland) was de enige politieke kracht, die consequent het opkomende fascisme bestreed. Zij had een grote massabasis; zo behaalde ze 6 miljoen stemmen bij de parlementsverkiezingen van november 1932. Toch slaagden zij er niet voldoende in om de invloed van het reformisme op beslissende wijze te verslaan en echte massabewegingen tegen het fascisme op gang te brengen. Hoe kwam dat? Piatnitsky, een van de leiders van de Derde Internationale wijst er op dat de communisten er in de voorafgaande jaren onvoldoende in geslaagd waren hun reële invloed onder de massa te verankeren op organisatorisch en op syndicaal vlak. Wat schortte er op syndicaal vlak? Twee grote fouten werden er vastgesteld.

Vooreerst, aldus Piatnitsky “onderscheidde de werking van een aantal communisten in de vakbonden zich niet veel van die van de reformisten.” Deze communisten verklaarden dat het onmogelijk was te strijden wanneer de vakbondsleiders niet meewilden. Zij weigerden strijdbare p. 195syndicalisten te verdedigen, die uit de vakbond gestoten werden. Vaak gaven zij zelfs hun goedkeuring aan afdankingsplannen en loonsverlagingen. Het gevolg van dit alles was dat de massa’s zich van die communisten verwijderden.

Belangrijker nog bleek een andere afwijking; “Er werd”, aldus Piatnitsky, “totaal onvoldoende gewerkt in de vakbonden.” In de KPD bleken er heel wat sectaire standpunten te bestaan, die het belang van het vakbondswerk onderschatten. Zo werd de aantrekkingskracht van de reformistische vakbonden op de massa onderschat. Er werd nogal gemakkelijk gezegd “Bij ons hebben de reformisten geen invloed” wat leidde tot oproepen om de vakbonden te verlaten; oproepen, die slechts zelden succes kenden. Délégués en vakbondsleiders werden in de dagelijkse praktijk vrij vlotjes gelijkgesteld met het patronaat of met het staatsapparaat. Gevolg: geen eenheidsfrontpolitiek, geen politiek om druk uit te oefenen zodat de vakbondsleiders en de délégués wél de verdediging van de arbeidersbelangen zouden opnemen. Deze en andere standpunten bemoeilijkten niet alleen het eenheidsfrontwerk, zij leidden ook tot een ware uittocht van de communisten uit de vakbonden. Kameraden, die terugschrokken voor de reële moeilijkheden van het vakbondswerk, klampten zich aan die standpunten vast. Strijdbare arbeiders, die revolutionair werk wilden verrichten, verzaakten aan het vakbondswerk uit vrees om opportunistische fouten te maken. De strijd tegen de uitsluitingen van communisten door rechtse vakbondsleiders werd niet of totaal onvoldoende gevoerd. In vele gevallen werd zelfs vastgesteld dat communisten hun eigen uitsluiting provoceerden. Er werd niet of totaal onvoldoende strijd gevoerd voor de onderste verkiesbare functies in de bedrijven (Betriebsrate, delegaties) en in het apparaat (de lokale besturen). Schulte, lid van het CC van de KPD schrijft in 1932 dat hij ervan overtuigd is dat tienduizenden leden en sympathisanten van de partij vrijwillig uit de vakbond zijn gestapt.

In dat licht werd de evolutie van de Revolutionaire Syndicale Oppositie (RSO) aan een kritisch onderzoek onderworpen. In 1928 had de Derde Internationale het licht op groen gezet voor de oprichting van RSO’s. Dit moesten organisaties worden van vakbondsleden, die uitgesloten waren uit de vakbond samen met vakbondsleden, die binnen de vakbonden oppositie voerden. Zij moesten strijden voor de heropname van de uitgesloten leden en voor de verdediging van de arbeiderseisen en -stakingen binnen de vakbonden. Tegelijk moesten zij die stakingen organisatorisch voorbereiden zodat een leiding van de staking verzekerd was. De doorvoering van deze lijn liet de Duitse communisten in 1929 en 1930 toe om belangrijke stakingen te leiden en overwinningen te behalen. Dit verhoogde anderzijds de druk van rechtse vakbondsleiders om communisten en RSO-leden uit de vakbond te verdrijven. Ten gevolge van deze druk en van het zich ontwikkelende sektarisme veranderde de RSO langzaam van doelstelling en van karakter. In plaats van georganiseerde oppositie voor het werk binnen de vakbonden werd hij langzaamaan het verzamelpunt van allen — in de eerste plaats van de communisten — die verzaakten aan het moeilijke werk binnen de vakbond. De RSO’s werden in feite omgevormd tot p. 196‘Rode Vakbonden’. Door niet meer in de reformistische vakbonden te werken, zonderden de communisten zich op syndicaal vlak echter af van die krachten, die op syndicaal vlak de meerderheid van de arbeiders bleven organiseren. In 1931 telde de RSO, met inbegrip van de rode vakbonden, 300 000 leden terwijl er 4,2 miljoen arbeiders georganiseerd waren in de reformistische vakbond en dat liep zelfs op tot 5 miljoen, als men er de leden van de christelijke en patroongebonden vakbonden bij telde.

522.
Een nieuwe vakbond?

Ondanks het gevaar voor sectaire fouten en voor een breuk met de massa, kan men het oprichten van nieuwe vakbonden niet absoluut uitsluiten. In verschillende landen hebben nieuwe progressieve of revolutionaire vakbonden een beslissende rol weten te vervullen. Dit is onder meer het geval in verschillende derdewereldlanden.

In uitzonderlijke omstandigheden — bij kwalitatieve wijzigingen in de objectieve situatie — kan het juist zijn dat het initiatief wordt genomen voor de oprichting van een nieuwe vakbond. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontstond er een ‘syndicale leegte’ omdat een groot deel van de syndicale leidingen gevlucht was naar het buitenland en een ander deel met de bezetter samenwerkte. In die omstandigheden probeerde de KPB de syndicale leegte op te vullen door samen met andere ideologische stromingen die resoluut het verzet wilden organiseren, een nieuwe vakbond (de ‘Syndicale strijdcomités’, CLS) op te richten. Daarnaast ontstonden ook tijdens de bezetting, de MSU (Mouvement Syndical Unifié) van André Renard en de CGSP, de vakbond van de openbare diensten. De meest strijdbare groepen uit het oude BWP reorganiseerden zich op die manier om in min of meerdere mate het verzet tegen de bezetter op te nemen. De Syndicale Strijdcomités speelden een belangrijke rol in de verdediging van de directe belangen, in de weerstand binnen en buiten de bedrijven. Het opportunisme van de KPB-leiding verhinderde dat zij na de oorlog uitgroeiden tot een hefboom voor de omverwerping van het kapitalisme. Tijdens de jaren 30 bestonden autonome mijnwerkersvakbonden waarin de rol van de communisten zeer sterk was (onder meer met Julien Lahaut).

Het gaat hier echter om uitzonderlijke omstandigheden. In de huidige situatie, waarin de massa’s stevig omkaderd worden door de reformistische structuren, kan hiervan geen sprake zijn.

523.
Corporatisme in opgang?

De laatste jaren is een duidelijke opleving vast te stellen van buiten-syndicale of ‘niet-politiek gebonden’ groeperingen die op het syndicale vlak actief zijn. Er werden onafhankelijke comités, coördinaties, zelfs nieuwe vakbonden opgericht bij het spoor (ontstaan uit LOCO), bij de ambtenaren, bij de Franstalige leraars, enz. De grote stakingen in Frankrijk van p. 197het ziekenhuispersoneel werden geleid door de ‘Coordinations’. Is dit een factor van verdeeldheid of van vernieuwd vakbondsélan? Is het een terugplooien op corporatistische belangen of een positieve aansporing voor de ‘grote’ vakbonden’?

Het is niet eenvoudig hierop te antwoorden omdat oorsprong, samenstelling en posities duidelijk uiteenlopen. Toch zijn er enkele duidelijke constanten.

1o De eerste verantwoordelijkheid ligt bij de leiding van de grote bonden. De jarenlange inleveringspolitiek en de slaafse houding van vele vakbondsleiders tegenover de patronale eisen, heeft de ontgoocheling van de vakbondsbasis vaak doen omslaan in antisyndicale reacties. Daardoor is een basis geschapen voor dergelijke nieuwe groeperingen, waarop het patronaat (in het geval van de openbare diensten, de ministeries) proberen in te spelen.

2o Het zijn vaak radicale krachten die een alternatief zoeken voor de laksheid van hun eigen organisatie, die aansluiten bij nieuwe bonden. In al deze comités en coördinaties zijn zeer strijdbare krachten aanwezig, op zoek naar contactstructuren die zij niet (meer) vinden binnen de traditionele vakbonden.

3o De tendens om zich terug te plooien op strikte beroepseisen en zich niet met de algemene belangen in te laten, is ook vaak aanwezig in dergelijke nieuwe organisaties. Het corporatisme, in de zin van enge beroepsorganisatie, is een verderfelijke ideologie, die het klassebewustzijn doodt en uiteindelijk bereid is om de belangen van de hele werkende klasse op te offeren voor het inwilligen van de eigen strikt materiële beroepsbelangen. De ‘verkoop’ van het stakingsrecht bij het spoor voor enkele toegevingen op de lonen is hiervan een goed voorbeeld. Hetzelfde geldt voor het mee heulen met de flexibiliteitsgedachte in ruil voor loonsverhoging.

4o Dit corporatisme is nochtans niet het monopolie van dergelijke nieuwe organisaties en zijn de waarschuwende vingers van de grote vakbonden dikwijls erg hypocriet. Het reformisme neemt het traditioneel niet zo nauw met de fundamentele belangen van de werkers, als het op akkoordjes met het patronaat kan gegooid worden. Is het niet een gewoonte om de sociale vrede te verkopen voor enkele kruimels? Waren het niet de syndicale organisaties zelf die maaltijdcheques hebben voorgesteld als een alternatief voor loonsverhoging in het Franstalige onderwijs en daarna in de openbare diensten?

5o Er is corporatisme en corporatisme. Naast de ideologie van de ‘enge beroepseisen’ bestaat er ook de ideologie van het fascistisch corporatisme, dit wil zeggen, de geest van totale klassensamenwerking. De vakbondsleiders van ACV en ABVV spreiden soms de meest verregaande p. 198klassensamenwerking ten toon, terwijl zij waarschuwen tegen corporatisme. Het akkoord dat in het geheim met de GM-directie werd afgesloten voor participatief management (1989) staat niet zover af van het fascistische corporatiemodel, waarin patroons en vakbonden in gezamenlijke corporatiestructuren samenwerken. (Zie 227.)

6o Het is waar dat de ‘apolitieke’, ‘onafhankelijke’ en antisyndicale richting van deze nieuwe organisaties vaak een ideale ruimte schept voor liberale en extreemrechtse ontsporing. Het is evenmin uitgesloten dat sommige van die comités bewust worden opgezet door fascistische krachten (zoals de Vriendenkring Zwartberg). In elk geval is de grootste waakzaamheid geboden tegenover extreemrechtse manipulaties.

De vakbondsleiding kan niet ontsnappen aan de vaststelling dat zij meer en meer greep verliest op de basis. De belangrijkste reden daarvan is haar gematigde, propatronale opstelling. Het verloren vertrouwen kan alleen herwonnen worden en de syndicale eenheid kan alleen hersteld worden door een antikapitalistische koerswending. Wil men de vakbond versterken en niet langer laten ontmantelen, dan is dat de enige valabele conclusie.

524.
Strijdbare en revolutionaire délégués

Revolutionairen hebben een eigen maatschappelijke visie en strategie waarvoor ze ijveren in de bedrijven, binnen de arbeidersorganisaties. Ze hebben een opvatting over de klassen en het kapitalistische staatsapparaat, waarop hun overtuiging berust dat het kapitalisme alleen langs revolutionaire weg verslagen kan worden.

Vele strijdbare krachten in de vakbonden delen bepaalde van die opvattingen zonder het volledig eens te zijn met de hele strategie. Er leeft een brede stroming in beide vakbonden die minstens onder een gemeenschappelijke noemer thuishoort: het strijdsyndicalisme. Men zou het ook klassesyndicalisme kunnen noemen: de klassenstrijd is de basis van de brede vakbondseenheid en het platform waarvoor strijdbare syndicalisten ijveren. Beide stromingen versterken mekaar omdat ze zich gelijklopend opstellen tegen de klassenverzoening, de integratie in het kapitalistische systeem en voor een maatschappij zonder uitbuiting.

Men heeft dikwijls geprobeerd een wig te drijven tussen het revolutionaire en het strijdsyndicalisme door de activiteit van communistische militanten voor te stellen als ‘kapellekespolitiek’ of ‘enge partijbelangen’. Strijdbare syndicalisten weten dat zij een enorme steun hebben aan het standvastige werk van marxistisch geschoolde vakbondsmilitanten. Het is al vaak gebleken dat het strijdsyndicalisme beter stand houdt als het kan steunen op een ruggengraat van klassebewuste délégués die een visie en een alternatief hebben.

De meest klassebewuste arbeiders of werkers moeten ernaar streven om de vakbond van onderuit te radicaliseren. Het is op de eerste plaats p. 199van hun syndicale délégués dat de massa’s een consequente verdediging van hun belangen verwachten. De posities van de délégués zijn vaak van doorslaggevend belang voor het op gang brengen en het slagen van de strijd. Hun standpunten in sociale en politieke kwesties (bijv. de strijd tegen het racisme) hebben een directe invloed op de massa. Zij staan in de beste positie om opvoeding te geven, om verkeerde ideeën te bekampen.

Délégués staan in dagelijks contact met de arbeiders en bedienden en worden dus ook voortdurend geconfronteerd met de verwachtingen en strijdverlangens van de basis. Als ze die negeren komen ze onder druk van de massa te staan en riskeren zij vroeg of laat hun aanhang te verliezen. Tenslotte zijn zij ook de enige kracht die binnen de vakbondsstructuren wezenlijke veranderingen kunnen afdwingen. Geen enkele vakbondsleider kan het gedurende lange tijd volhouden tegen de wil van de basisdélégués in.

Er zijn twee wegen om het strijdsyndicalisme te versterken. Soms kunnen délégués in functie overtuigd worden van de uitzichtloosheid van het reformisme en gewonnen worden voor het strijdsyndicalisme of voor een revolutionaire opstelling. Délégués die betrokken worden in belangrijke strijdbewegingen kunnen snel evolueren als hun ervaringen correct verwerkt worden. Délégués die volledig het vertrouwen van de massa’s hebben verloren, moeten vervangen worden. Het zou een grote vooruitgang zijn als de massa’s zich hierover vrij zouden kunnen uitspreken, door volledig democratische verkiezing van de syndicale délégués. Tot hiertoe gebeurt dit slechts uitzonderlijk. De steun van de massa is immers de enige fundamentele kracht om de vakbond van binnenuit terug gezond te maken, een nieuwe klassegeest in te blazen.

53.
Syndicale onafhankelijkheid

Het verleden van de vakbonden in België wordt gedomineerd door hun band met de traditionele burgerlijke partijen, de christendemocratie en de sociaaldemocratie. Vele strijdbare syndicalisten zien dan ook een eerste element van oplossing in het nemen van afstand ten opzichte van die partijen. In de christelijke arbeidersbeweging leeft het ordewoord van een ‘christelijke arbeiderspartij’, in de socialistische vakbond staat de ‘syndicale onafhankelijkheid’ nog altijd hoog aangeschreven bij vele kernen en stromingen. Het afstand nemen van de twee grootste politieke stromingen die het kapitalisme besturen en het staatsapparaat bevolken, zou ongetwijfeld een positieve invloed hebben op de herleving van het klassesyndicalisme. De cruciale vraag blijft echter open: welke politiek stelt men in de plaats? Is het een echte ideologische breuk met het reformisme of is het alleen een formele breuk?

p. 200

531.
Marx, Lenin en de syndicale onafhankelijkheid

Reformisten en anarchosyndicalisten beroepen zich soms op Karl Marx wanneer ze opkomen voor syndicale onafhankelijkheid. Zij halen daarvoor een uittreksel aan uit een interview, waarin Marx zou verklaard hebben: “Nooit mogen de vakbonden vastgehaakt worden aan een politieke vereniging of ervan afhankelijk worden gemaakt indien zij tenminste hun opdracht willen vervullen; dat tóch doen zou betekenen hen de doodsteek te geven.” Was Marx een onvoorwaardelijke voorstander van syndicale onafhankelijkheid? Men kan zich onmogelijk beroepen op Marx om een politiek neutraal syndicalisme te verdedigen. Wie dat wel doet baseert zich — zoals Lenin zegt — op een “enge interpretatie van een ‘citaat’ van Marx zonder rekening te houden met het geheel van Marx’ verklaringen en met de gehele geest van zijn doctrine.”9 Wat zegt die doctrine?

Vanuit zijn historisch materialistische analyse kwam Marx tot het besluit dat de vakbonden zich niet konden beperken tot een loutere verdedigingsstrijd tegen de kapitalistische uitbuiting. Karl Marx: “Indien de vakbonden onmisbaar zijn voor de schermutselingenoorlog tussen arbeid en kapitaal, dan zijn ze nog belangrijker als organen voor omvorming van het systeem van loonarbeid en van kapitalistische dictatuur.”10 Die strijd voor de omvorming van de kapitalistische maatschappij in een socialistische, is een politieke strijd. Om hem met succes te voeren zijn er volgens Marx twee voorwaarden vereist. 1o De arbeiders moeten over een eigen, van de burgerij onafhankelijke politieke partij beschikken. 2o De vakorganisaties zijn naast economische strijdorganisaties ook hefbomen om de hele klasse in deze politieke strijd te betrekken. Karl Marx: “In haar strijd tegen deze collectieve macht (n.v.d.r. de bourgeoisie) kan het proletariaat slechts echt als klasse handelen wanneer het zich organiseert in een afzonderlijke politieke partij die tegengesteld is aan alle oude partijen, die door de bezittende klassen gevormd zijn. Deze organisatie van het proletariaat in een politieke partij is een absolute noodzaak voor de overwinning van de sociale revolutie en voor het bereiken van haar hoogste doel, de afschaffing van de klassen. De vereniging (coalitie) van de arbeiders, die reeds bereikt is doorheen de economische strijd moet in handen van deze klasse ook als hefboom dienen voor de strijd tegen de politieke macht van de uitbuiters. Omdat de heren van de grond en van het kapitaal zich steeds bedienen van hun politieke voorrechten om hun economische macht te verdedigen en te bestendigen en om de Arbeid aan zich te onderwerpen, wordt de verovering van de politieke macht dan ook de grote plicht van het proletariaat.”11 Om de samenwerking tussen vakbonden en partij voor een gemeenschappelijk politiek doel te bevorderen, werden zowel de eerste proletarische partijen als de pas ontstane vakbonden uitgenodigd zich bij de Eerste Internationale aan te sluiten.

Toen Marx en Engels deze opvattingen neerschreven, waren de klassenstrijd en de syndicale beweging nog weinig ontwikkeld en was ook het reformisme binnen de arbeidersbeweging nog niet tot ontwikkeling gekomen. De eerste arbeidersorganisaties waren revolutionair gezind. In die p. 201omstandigheden achtte Marx de ‘onafhankelijkheid’ van de vakbonden verdedigbaar om de toegang van de massa van de arbeiders tot de vakbonden gemakkelijker te maken en om dus zo breed mogelijke organisaties te hebben waarbinnen een revolutionaire, socialistische politiek verdedigd kon worden. Daarmee wilde hij ook de splitsing van de vakbeweging in verschillende stromingen voorkomen. Maar enkele tientallen jaren later — zo oordeelde Lenin — was het totaal ongepast nog verder het ordewoord van de ‘syndicale onafhankelijkheid’ of ‘neutraliteit’ te verdedigen. Lenin: “Bij het ontstaan van de politieke en syndicale arbeidersbeweging in Europa kon men de onafhankelijkheid van de vakbonden verdedigen als een middel om de primitieve basis van de klassenstrijd te verbreden op een ogenblik dat die relatief weinig ontwikkeld was en toen de burgerij nog geen systematische invloed uitoefende op de vakbonden.” “De hevigheid echter waarmee de klassentegenstellingen zich ontwikkelden, hun recente verscherping in alle landen, de lange ervaring in Duitsland (waar de politiek van neutraliteit het opportunisme in de vakbonden heeft versterkt zonder de oprichting van afzonderlijke christelijke en liberale vakbonden tegen te houden), de uitbreiding van de klassenstrijd naar een terrein dat een gemeenschappelijk en eengemaakt optreden vereist van de vakbonden en de politieke partij (massastaking en gewapende opstand in Rusland als voorafbeelding van de waarschijnlijke vorming van de arbeidersrevolutie in het Westen), dit alles heeft uiteindelijk elke fundering ontnomen aan de theorie van de neutraliteit.”12

In die situatie, stelt Lenin, is opkomen voor ‘neutrale vakbonden’, de poort openzetten voor het reformisme en dus voor de burgerlijke invloed. Het betekent dat de vakbonden zich ‘afzijdig’ houden van de strijd voor het socialisme, zich enkel de lotsverbetering binnen het bestaande systeem aantrekken. Lenin: “De klassebelangen van de burgerij moeten onvermijdelijk uitlopen op de wil om de vakbonden tot hun meest bekrompen en enge activiteit te herleiden binnen het kader van het bestaande systeem. De theorie van de neutraliteit is slechts een ideologische opsmuk van dit burgerlijk streven.” (Id.) Lenin besluit: “Het geheel van onze partij erkent nu dat het werk in de vakbonden niet moet gevoerd worden in een geest van neutraliteit, maar in de geest van het instellen van steeds nauwere banden tussen de vakbonden en de sociaaldemocratische partij.” (N.v.d.r.: de sociaaldemocratische partij was toen de revolutionaire partij van de bolsjewieken). Lenin benadrukt hierbij dat de vakbond de massaorganisatie is van de werkende klasse, maar daarom zeker niet neutraal. De vakbond is politiek verbonden met de strijd voor het socialisme en deze verbondenheid wordt “uitsluitend gerealiseerd door het werk van sociaaldemocraten in de vakbonden.” (Id.)

532.
Het anarchosyndicalisme als historische stroming

Vele anarchistische stromingen hebben zich afgezet tegen het marxisme, meer bepaald de marxistische leer over de staat, de revolutie en de partij. Sommige anarchistische strekkingen waren ook resoluut tegen de vakbond p. 202als organisatievorm (en verkozen de coöperatieven), andere zagen in de vakbond de organisatievorm bij uitstek voor de arbeiders in hun strijd; vandaar het ‘anarchosyndicalisme’.

Bakoenin, de eerste anarchistische leermeester, verzette zich tegen elke staat en ontkende de noodzaak van de politieke strijd en van de politieke organisatie van de arbeidersklasse. Hij verzette zich tegen de uitwerking van een wetenschappelijke socialistische theorie en achtte het binnenbrengen van zo’n theorie onder de arbeiders onmogelijk en onbelangrijk. De economische strijd was de enige strijdvorm voor de massa van de arbeiders en de vakbonden de belangrijkste organisatie. Bakoenin: “‘De bevrijding van de arbeiders moet het werk zijn van de arbeiders zelf’, zegt het voorwoord van onze statuten [n.v.d.r., die van de Eerste Internationale] […] Maar in het algemeen genomen is de arbeiderswereld onwetend, zij heeft geen enkele theoretische kennis. Er rest ons dus slechts een weg en dat is die van haar bevrijding door de praktijk. Welke kan en welke moet deze praktijk zijn? Er is er slechts een. Dat is die van de solidaire strijd van de arbeiders tegen de patroons, dat zijn de trade unions, de organisatie en de federatie van weerstandskassen.” Verder: “Terwijl zij, volgens zijn statuten, afstand neemt van elke nationale en lokale politiek, zal zij aan de arbeidersagitatie in alle landen een zuiver economisch karakter geven …”13 Het doel van de arbeidersstrijd werd door Bakoenin als louter economisch bepaald. “1o Gelijke economische, politieke en sociale situatie van alle klassen en mensen op aarde; 2o Afschaffing van het erfelijk bezit; 3o Overdracht van de grond en vruchtgebruik en van het kapitaal en alle productie-instrumenten aan de vakbonden.” Met deze stellingen ging hij frontaal in tegen de conclusies die Marx uit zijn studie en uitwerking van het ‘historisch materialisme’ had getrokken. Marx onderstreepte binnen de Eerste Internationale het belang van het binnenbrengen van een revolutionaire theorie, van de organisatie van de voorhoede in een politieke partij, van de opvoeding van de arbeidersmassa en de vakbonden voor de politieke strijd, van de verovering van de politieke macht door het proletariaat. De stellingen van Bakoenin zijn terug te vinden bij alle latere anarchosyndicalistische stromingen.

Karl Marx voerde binnen het kader van de Eerste internationale een scherpe strijd tegen de stellingen van Bakoenin. Als gevolg van deze strijd en van de ontwikkeling van grote socialistische partijen in de belangrijkste kapitalistische landen, werd het anarchisme als politieke stroming binnen de arbeidersbeweging teruggedrongen. In het begin van deze eeuw kreeg het anarchosyndicalisme echter een nieuwe voedingsbodem door de ontwikkeling van het reformisme binnen de socialistische arbeiderspartijen. De reformisten verloochenden de revolutie. Zij maakten van de parlementaire strijd het belangrijkste strijdmiddel en wensten deel te nemen aan kapitalistische regeringen om er ‘hervormingen’ af te dwingen. Zij probeerden hun ‘goede wil’ te bewijzen aan de burgerij door de massa’s in toom te houden en af en toe wat stoom te laten afblazen. Dit leidde tot grote ontgoocheling en verbittering onder arbeiders en syndicalisten. In plaats van het reformisme te kritiseren en terug te keren naar een p. 203consequente marxistische opstelling werd deze ontgoocheling door de anarchosyndicalisten afgeschoven op het marxisme en gekeerd tegen elke politiek en tegen elke partij. Dit was in het bijzonder het geval in Frankrijk waar het marxisme nooit ernstig bestudeerd en binnengebracht was door de socialistische leiders en waar het reformisme de eerste minister afleverde (Millerand) in een burgerlijke regering (reeds in 1899, in België slechts in 1914). De anarchosyndicalistische stroming was heel sterk en bekend als ‘Revolutionair syndicalisme‘. Sorel, de belangrijkste theoreticus van dit revolutionaire syndicalisme schreef: “Het marxisme zou niet mogen verward worden met de politieke partijen, hoe revolutionair die ook mogen zijn, want ook deze partijen zijn verplicht te handelen als burgerlijke partijen, die hun opstelling veranderen al naargelang de electorale omstandigheden […] daarom moet het proletariaat zich organiseren met zuiver revolutionaire bedoelingen, het is te zeggen door volledig buiten de burgerij te blijven.” (N.v.d.r.: bedoeld wordt hier ‘de politiek’ want alle politiek is ‘burgerlijk’.)14 De algemene staking is voor Sorel de hoogste strijdvorm, die de weg opent naar de toekomstige wereld. Beïnvloed door deze anarchistische stellingen schreef de Franse vakbond CGT in haar ‘Beginselverklaring’ dat de vakbond de essentiële organisatie is van de arbeiders en dat er binnen de vakbonden niet aan politiek mocht worden gedaan; de vakbonden moesten zich enkel bezig houden met de strijd tegen het patronaat.

Zoals de reformisten van de parlementaire strijdvorm de enige strijdvorm maakten, zo herleidden de anarchosyndicalisten de arbeidersstrijd tot een louter syndicale strijd. Lenin beschouwde het anarchosyndicalisme als ‘de tweelingbroer van het opportunisme’ omdat beide stromingen zich verzetten tegen de revolutionaire strijd om de politieke macht. In plaats van elke strijdvorm (zowel parlementaire als syndicale) te richten op een einddoel, de socialistische revolutie, riepen zij een aspect van de strijd uit tot de hoofdstrijd. Het anarchosyndicalisme liet het monopolie van de ‘politiek’ aan de reformisten. Onmachtig om zelfstandig een eigen revolutionaire politiek uit te werken, sloot het zich op beslissende ogenblikken dan ook bij het reformisme aan. Dat gebeurde in Frankrijk op het ogenblik dat de oorlog uitbrak. Net zoals de reformistische leiders riep ook de leider van de CGT de arbeiders op om aan de zijde van de Franse bourgeoisie te vechten tegen de Duitse bourgeoisie. Sorel, de theoreticus van het anarchosyndicalisme en zijn aanhangers dreven hun kritiek tegen ‘elke politiek’ en tegen ‘elke partij’ zover dat zij zich in de jaren 20 en 30 aansloten bij de opkomende fascistische beweging.15

533.
Het anarchosyndicalisme in de Belgische arbeidersbeweging

Een uitgesproken anarchosyndicalistische stroming ontstond er tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, binnen de socialistische beweging. Inspirator en leider van deze stroming was de Luikse vakbondsleider André Renard. Het renardisme is naast de syndicale lijn van de Belgische KP, een van de meest uitgewerkte stromingen waar de linkervleugel van de p. 204socialistische vakbond zich heeft aan vastgeklampt. Na de oorlog kampten ze samen tegen de rechtervleugel van de socialistische vakbond, vertegenwoordigd door Louis Major en zijn openlijke klassensamenwerking. Maar de strijd draaide in 1948 (bij het begin van de koude oorlog) uit op een gezamenlijk front van Major en Renard tegen de communisten. Het renardisme is nog altijd op georganiseerde wijze vertegenwoordigd in Wallonië, zij het fel afgezwakt. Indien we er zoveel aandacht aan besteden is het om twee redenen. Ten eerste, sluiten de ideeën van het anarchosyndicalisme nauw aan bij spontane ideeën die bij vele syndicalisten, zowel in het ACV als in het ABVV, ruim verspreid zijn. Ten tweede, laat het ons toe voor syndicalisten de keuze scherp te stellen tussen een links-reformistische en een revolutionaire doctrine.

Net zoals dit het geval was voor het Franse revolutionaire syndicalisme in het begin van de eeuw, ontstond ook deze stroming als kritiek op het verraad van de reformistische leiders aan het hoofd van de BWP. De socialistische vakbeweging stond in België samen met de coöperatieve beweging, de mutualiteiten en een aantal socialistische intellectuelen aan de wieg van de Belgische Werklieden Partij. Zij was dus van meet af aan erg partijgebonden. Tot 1937 was de socialistische vakbond een organisch deel van de partij. De leiding van de ‘Syndicale Commissie’ was een deel van de partijleiding; een vakbondslid werd automatisch partijlid indien zijn centrale aansloot bij de BWP. Binnen dit socialistische conglomeraat werd er van in het begin een soort van taakverdeling doorgevoerd. De partij was er voor de politiek (al zeer snel begrepen in een enge ‘parlementaire’ zin); de vakbond voor de verdediging van de directe economische belangen. Dit sloot aan bij de syndicalistische apolitieke stroming, die in de vakbond overheersend was. Traditioneel heeft de Belgische vakbeweging zich nooit erg met de politieke strijd ingelaten.

De BWP maakte tijdens de Eerste Wereldoorlog haar definitieve bocht naar een prokapitalistische opstelling. Zij maakte daarna deel uit van de meeste regeringen en hielp mee de bourgeoisie door de zware crisis van de jaren 30. Ze was als zodanig medeverantwoordelijk voor het doorvoeren van loonsverlagingen en andere antisociale maatregelen. De enge verbondenheid met de partij maakte dat ook de vakbondsleiders het verzet probeerden in te dijken en oog in oog kwamen te staan met, bijvoorbeeld, de arbeidersrevolte van 1932. Dit leidde tot veel misnoegdheid aan de basis. Onder het duo De Man en Spaak ging de BWP meer en meer de rechtse en uiteindelijk de extreemrechtse toer op. Bij de inval van de Duitse troepen, roept Henri De Man, voorzitter van de BWP, op tot samenwerking met de nazi’s, ontbindt hij de partij en werkt hij mee aan de oprichting van een nieuwe fascistische vakbond (de Bond van Hand- en Geestesarbeiders). Deze extreme degeneratie schept een klimaat van argwaan tegenover de (reformistische) politieke leiders en creëert een gunstige voedingsbodem voor het anarchosyndicalisme. De afkeer van het reformisme vertaalt zich in een afkeer van elke politiek en elke partij, met inbegrip van de communistische. De vakbond is de belangrijkste organisatie, de vakbond moet onafhankelijk zijn van om het p. 205even welke partij, de economische strijd is de belangrijkste strijd, de algemene staking de hoogste strijdvorm, enz. Deze stellingen hebben ook de beginselverklaring van het ABVV (opgesteld door Renard) sterk beïnvloed. Tijdens het fusiecongres van 1945 voeren communisten en renardisten samen strijd om de formele ‘onafhankelijkheid’ en de cumul van mandaten te laten bekrachtigen in de statuten van de eenheidsvakbond.

Maar de onafhankelijkheid tegenover het reformistische partij — op zich een goede zaak — bleef een formele organisatorische onafhankelijkheid; zij was niet inhoudelijk. De weigering om zich te laten leiden door een revolutionaire politiek, de onderschatting en zelfs het verzet tegen een revolutionaire partij maakten het renardisme — net zoals zijn Franse voorlopers — politiek onmachtig tegenover het reformisme. Het Belgische naoorlogse anarchosyndicalisme doorbrak politiek dan ook nooit het reformistische kader. Het economische programma van het renardisme bleek in 1954-1956 grotendeels geïnspireerd op het ‘Plan De Man’ en vertrok vanuit dezelfde zorg om het kapitalisme nieuw leven in te blazen, productiever te maken. De politieke strategie was parlementair en reformistisch, ook al had Renard het in zijn geschriften overvloedig over zijn ‘revolutionaire’ actie. Tijdens de algemene staking van ’60-’61 ‘bekeerde’ André Renard zich tot het federalisme, een logisch uitvloeisel van dit reformistische denkkader. Vermits de nationale staat onze ‘socialistische’ structuurhervormingen in de weg staat, eisen we meer autonomie voor Wallonië. Twintig jaar later kon de Parti socialiste — zelf een federalistische partij geworden — deze stroming grotendeels recupereren, net zoals dit met het Franse ‘revolutionaire syndicalisme’ het geval was bij het begin van de Eerste Wereldoorlog.

534.
De basisstellingen van het anarchosyndicalisme16

1o Het syndicalisme mag zich aan geen enkele bestaande ideologie of doctrine onderwerpen maar moet autonoom en soeverein een eigen doctrine uitwerken, die alleen rekening houdt met het belang van de arbeiders.

André Renard stelt het zo: “Het syndicalisme wil de krachten van de producenten verenigen. Dat is slechts mogelijk buiten de politieke kaders. Daarom werkt zij vrij en soeverein een doctrine uit zonder rekening te houden met de bestaande partijen en doctrines.” (P. 56.) Kan de syndicale beweging zelfstandig en soeverein een eigen doctrine uitwerken? Een doctrine is een samenhangend geheel van opvattingen op zulke uiteenlopende terreinen als de filosofie, de economie, de politiek, enz. Zij wordt uitgewerkt op basis van een reflectie over alle maatschappelijke fenomenen en dit vanuit een historisch perspectief. Een wetenschappelijke doctrine kan men onmogelijk uitwerken wanneer men enkel vertrekt vanuit de (huidige) strijd tussen arbeiders en patroons. De ‘spontane’ doctrine die op deze wijze tot stand komt, leunt aan bij de spontane burgerlijke denkbeelden die de maatschappij overheersen.

In een maatschappij met twee antagonistische klassen staan er twee p. 206grote doctrines, als polen van een magneet, tegenover elkaar. Vooreerst de burgerlijke doctrine, die in haar verschillende schakeringen de kapitalistische uitbuiting verantwoordt en helpt bestendigen. Daartegenover staat het wetenschappelijk socialisme, dat opkomt voor de vernietiging van de uitbuiting. Het werd uitgewerkt door Marx en Engels en verder ontwikkeld door Lenin; het bevat drie samenstellende delen. (Zie 534 bis.)

534 bis.
De drie samenstellende delen van het wetenschappelijke socialisme1

De hele officiële en liberale wetenschap verdedigt, op een of andere wijze, de loonslavernij, terwijl het marxisme er een onverzoenlijke oorlog aan verklaart. De doctrine van Marx geeft een coherente visie op de wereld, een visie met een duidelijk klassekarakter en een praktisch karakter.

1o De filosofie van het marxisme is het materialisme. In de loop van achttiende eeuw was dit de enige consequente filosofie gebleken (Feuerbach), die beantwoordde aan alle bevindingen van de natuurwetenschappen, en die vijandig stond tegenover elk bijgeloof. Tegenover het materialisme staat het idealisme.

Marx verrijkte het materialisme met de dialectiek, hierbij steunend op de verworvenheden van de klassieke Duitse filosofie (Hegel). De dialectiek is de leer van de evolutie, in zijn meest volledige aspecten. Het is de theorie van de relativiteit van de menselijke kennis, als afspiegeling van de wereld in voortdurende verandering, voortbewogen door tegenstellingen.

Marx voerde het dialectisch materialisme tot zijn uiterste consequenties, door het toe te passen op de kennis van de maatschappij en de geschiedenis. Dit is het historisch materialisme. Daardoor werd duidelijk hoe een sociale organisatievorm ontstaat, zich ontwikkelt en de vorige verdringt. De basis daarvan is de ontwikkeling van de productiekrachten. Daardoor werd ook duidelijk hoe de verschillende opinies, filosofische, religieuze en politieke doctrines (de superstructuur) een afspiegeling zijn van het economische regime (de infrastructuur). De politieke instellingen, de staat, zijn gebouwd op een economische basis en beschermen die.

2o Nadat Marx had vastgesteld dat de economie de onderbouw is van de maatschappij, legde hij zich vooral toe op de studie van het economische systeem, het kapitalisme. Dit werd de marxistische politieke economie. Marx werkte verder op de verst gevorderde burgerlijke theorieën (Smith, Ricardo) en ontwikkelde de theorie van de waarde. Hij toonde aan dat de waarde van elke koopwaar bepaald wordt door de tijd die op sociaal vlak nodig is om ze te p. 207produceren. Marx toonde aan dat dit ook geldt voor de arbeidskracht. De arbeider verkoopt zijn arbeidskracht: hij gebruikt een deel van zijn arbeidsdag om waarde te produceren die de kosten van zijn onderhoud en die van zijn familie dekt. Het andere deel van de dag werkt hij gratis en produceert hij meerwaarde voor de kapitalist. Zo toonde Marx aan dat achter de relaties tussen voorwerpen (koopwaren), relaties tussen mensen schuilgingen. De meerwaardetheorie is de hoeksteen van de economische theorie van Marx. Zij toont wat de motor is van de kapitalistische productie en brengt ons op het spoor van de wetten die het kapitalisme beheersen.

Een daarvan is de voortdurende concentratie en centralisering van kapitaal. De productie wordt steeds meer een sociale aangelegenheid, terwijl de eigendom van de producten steeds meer geconcentreerd wordt in handen van enkelen. De anarchie die hieruit voortvloeit leidt naar crisis, jacht en oorlog om markten, en economische onzekerheid voor het grootste deel van de bevolking.

3o Het marxisme heeft tenslotte de meest gevorderde politieke doctrines verder ontwikkeld. Zodra de feodaliteit verslagen was, werd het duidelijk dat de nieuwe vrijheid, de vrijheid was voor uitbuiting en onderdrukking van de werkers. De eerste socialistische doctrines waren utopische doctrines. Ze probeerden de rijken te overtuigen van de immorele kant van de uitbuiting. Ze hadden geen wetenschappelijke visie op die uitbuiting, kenden haar wetten niet, en zagen geen sociale kracht die een alternatief kon bieden. Marx ontwikkelde uit de lessen van de universele geschiedenis de theorie van de klassenstrijd. Achter de frasen, de morele, religieuze, politieke of sociale beloftes, zei Marx, schuilen klassenbelangen. En om de weerstand van de heersende klasse te breken is er maar één middel: de krachten vinden, opvoeden en organiseren, die door hun sociale positie, een leidende rol kunnen en moeten spelen om het oude weg te vegen en het nieuwe op te bouwen. Dit is de historische taak van de arbeidersklasse, de meest uitgebuite klasse.

1.
Gebaseerd op het artikel van Lenin, “Drie bronnen en drie bestanddelen van het marxisme”, Prosveshcheniye, vol. 3, augustus 1913, www.marxists.org/nederlands/lenin/1913/1913driecomponenten.htm.

Als wetenschappelijke doctrine kon het socialisme pas ontstaan toen er een arbeidersklasse ontstond, maar het ontsproot niet ‘vanzelf uit de spontane strijd van de arbeiders en hun eerste organisaties. Het werd ontwikkeld door revolutionaire intellectuelen die een voldoende wetenschappelijke kennis hadden verworven, om de hele kennis die de mensheid tot dan toe had opgedaan op een kritische manier te verwerken en om p. 208een totaal nieuwe sociale en economische wetenschap te ontwerpen. Dit wetenschappelijke socialisme stelt zich openlijk op het standpunt van de klassebelangen van het proletariaat tegen de burgerij; op het gebied van de filosofie, de sociale wetenschap, de economie vertegenwoordigt het de revolutionaire belangen van de arbeidersklasse tegen de burgerlijke theorieën en doctrines, die als doel hebben de dictatuur van de burgerij te beschermen.

Voor elke syndicalist stelt zich dus een keuze: ofwel schoolt hij zich in de marxistische doctrine, ofwel maakt hij een mengsel van klasse-instinct en een keuze uit allerlei burgerlijke theorieën. Het anarchosyndicalisme probeert aan die keuze te ontsnappen door een derde weg voor te stellen, een soort van onafhankelijke syndicale (‘arbeiders’) doctrine. Lenin: “Kan er van een zelfstandige, door de arbeidersmassa’s zelf in de loop van de beweging uitgewerkte ideologie geen sprake zijn, dan staat de kwestie slechts zo: burgerlijke of socialistische ideologie. Een tussenweg bestaat hier niet (want een ‘derde’ ideologie heeft de mensheid niet uitgewerkt en in het algemeen kan er ook in een maatschappij, die door klassentegenstellingen uit elkaar wordt gescheurd, geen buiten of boven de klassen staande ideologie bestaan). Daarom betekent elk naar beneden halen van de socialistische ideologie, elk zich daarvan verwijderen, tevens een versterking van de burgerlijke ideologie.”17

André Renard zelf is een levend bewijs van deze leninistische stelling. Zijn ‘zelfstandig uitgewerkte’ doctrine zal slechts een eclectisch samenraapsel blijken te zijn van elementen uit verschillende bestaande doctrines. Zelf zegt hij daarover: “Het syndicalisme wil een synthese maken van de sociale elementen in de verschillende doctrines; gedeeltelijke overnames zijn mogelijk, maar niet van een systeem als geheel.” (P. 56.) Zo zal men wel een aantal marxistisch klinkende frasen overnemen en die dan mengen met elementen uit een burgerlijke doctrine die precies het tegenovergestelde zegt. Het procedé is klassiek en werd toegepast door alle reformistische ideologen, die braken met het marxisme, maar zich een marxistisch aureool wilden behouden. Bernstein, Kautsky, Émile Vandervelde (de BWP-ideoloog) waren er meesters in. De ‘autonome doctrine’ van het renardisme ging putten bij De Man voor haar economische concepten, bij Vandervelde voor haar concepten over democratie en staat, bij het burgerlijk humanisme voor haar filosofische grondslagen (‘gelijkheid’, ‘rechtvaardigheid’) en bij de anarchosyndicalist Sorel voor haar actieconcepten (‘de directe actie’, ‘de algemene staking als hoogste middel’).

Er is voor de syndicale beweging en voor elke syndicalist slechts één weg om zich op doctrinair vlak totaal vrij en onafhankelijk te maken van alle burgerlijke doctrines. Die weg bestaat in de nauwgezette studie van het wetenschappelijk socialisme en in de toepassing ervan op de werkelijkheid van vandaag. Die studie en toepassing kan een strijdbare syndicalist vinden in een marxistisch-leninistische partij.

2o De economische strijd is de belangrijkste strijdvorm van de arbeiders. Door deze strijd radicaal te voeren en te veralgemenen zal de arbeidersklasse p. 209zich uiteindelijk van de kapitalistische uitbuiting bevrijden.

A. Renard: “Het syndicalisme is ontstaan uit de strijd, die de werkers op alle vlakken hebben gevoerd om zich te bevrijden uit de uitbuiting waarvan zij het slachtoffer waren.” (P. 137.) De strijd, die de arbeiders spontaan voeren tegen de patroon heeft tot doel de voorwaarden te verbeteren, waaronder de arbeiders hun arbeidskracht moeten verkopen aan de patroon. Het syndicalisme is de uitdrukking van déze strijd en doorbreekt dus niet het kader van een strijd voor lotsverbetering, hoe radicaal en hoe algemeen die strijd ook mag gevoerd worden.

De strijd voor de bevrijding uit de uitbuiting is van een andere orde: het is een strijd voor de omverwerping van het economische systeem dat de arbeiders verplicht om elke dag hun arbeidskracht te verkopen. Dit systeem wordt in stand gehouden door de kapitalistische staat, dat over legers, rechtbanken en gevangenissen beschikt om de arbeiders en werkers te onderdrukken. Om zich van de uitbuiting te bevrijden, moeten de arbeiders de economische strijd doelbewust verbinden met de strijd om de politieke macht, dat wil zeggen de strijd voor de vernietiging van de kapitalistische staat en voor de opbouw van een socialistische. Door op een simplistische wijze de economische strijd gelijk te stellen aan de strijd voor de bevrijding van de uitbuiting, kan men al deze opdrachten met een zwaai van de tafel vegen en laat men het politieke terrein volledig over aan reformistische en andere burgerlijke partijen. A. Renard: “Wij maken een onderscheid tussen de mens binnen en de mens buiten het fabriek. Deze laatste is de burger die met behulp van zijn stembriefje deelneemt aan de politiek, het is het partijlid. De andere is de producent: zijn activiteit laat hem toe tussen te komen in het economisch leven, zijn uitdrukkingswijze is de syndicale actie.” (P. 75.) De politieke activiteit van de arbeider herleidt zich, zoals die van ‘alle burgers’ tot een vierjaarlijks bezoek aan het stemhokje. Maar als georganiseerde arbeider op de plaats waar hij werkt en strijdt, moet hij zich van elke politiek onthouden. Zo wordt er een Chinese muur gebouwd tussen de klassenstrijd en de politieke doeleinden van de klassenstrijd; de klassenstrijd mag in de anarchosyndicalistische opvatting geen politiek karakter krijgen. Zo leidt de overschatting van de economische strijd tot een grondige onderschatting van en zelfs tot een verzet tegen de politieke mobilisatie van de arbeidersklasse. A. Renard: “De politiek is abstract en wij hebben het concrete nodig, dat wil zeggen het economische …” (p. 74) en “De politieke doelen staan te ver van ons, de syndicale doelen zijn onmiddellijk …” (p. 68). Deze voor het anarchisme typische stelling is er een, die ook door de burgerij wordt gepropageerd om de arbeiders af te houden van de strijd voor het socialisme. Lenin over de stelling dat de ‘leuze van de arbeidersbeweging de economische actie is’: “Zulke frasen waren steeds een geliefd wapen van die West-Europese bourgeois, die in hun haat tegen het socialisme […] zeggende tot de arbeiders, dat juist de ‘enkel-vakverenigingsstrijd’ de strijd is voor henzelf en hun kinderen en niet voor enigerlei toekomstige geslachten of een of ander toekomstig socialisme.”18

p. 210

Deze stelling verspreidt onder de arbeiders ook een afkeer voor elke massastrijd voor politieke deeleisen, waarzonder het voor de arbeiders onmogelijk is om hun politieke krachten te versterken en hun bewustzijn te verhogen: de strijd tegen het racisme, voor meer democratie, voor solidariteit met de bevrijdingsstrijd in de derde wereld, tegen de oorlogsvoorbereiding en -daden vanwege de imperialistische krachten. Wie alleen maar dweept met de ‘onmiddellijke economische strijd’ zal de arbeiders- en syndicale beweging in al deze politieke kwesties afhankelijk maken van de politiek, die door de burgerlijke — met inbegrip van de reformistische partijen wordt uitgewerkt. En op revolutionaire ogenblikken, wanneer de strijd om de politieke macht de directe inzet is (of kan worden) van de massastrijd, zitten de anarchosyndicalisten met deze stelling aan de andere kant van de barricade, in het kamp van de contrarevolutie. Want om haar politieke macht, haar dictatuur tegen de arbeiders te kunnen behouden zal de burgerij bereid zijn om het even welke economische toegeving te doen om de arbeiders te kalmeren en af te houden van de revolutie. Dat is wat in België na de Tweede Wereldoorlog gebeurd is.

3o Vanuit hun objectieve situatie als uitgebuitene en vanuit de strijd, die zij daartegen voeren, komen de arbeiders spontaan tot het inzicht dat zij zich van deze uitbuiting moeten bevrijden en hoe zij dat moeten doen.

A. Renard: “Er bestaat slechts een verzuchting van allen die streven naar een hoger welzijn. Er zijn geen twee manieren om te lijden en evenmin bestaan er twee manieren om zich uitgebuit te voelen … Deze eenheid van belangen schept ook de eenheid van gezichtspunten … Het lijden dat men samen ondergaat, maakt dat men ook de bevrijding vanuit hetzelfde standpunt bekijkt … Er zijn verschillende manieren om de wereld te bekijken maar er is er slechts een om waardiger te leven; en dat is de verdwijning van de uitbuiting waarvan wij het slachtoffer zijn. Onder de werkkledij leiden we hetzelfde leven en hopen we op dezelfde verbeteringen.” (PP. 75-76.)

Hun gemeenschappelijke lot kan de arbeiders tot het gemeenschappelijke inzicht brengen dat zij zich moeten verenigen om van het patronaat betere arbeidsvoorwaarden af te dwingen. Het schept een zekere openheid voor het socialistische ideeëngoed. Maar de objectieve situatie op zichzelf volstaat niet om het inzicht bij te brengen in de voorwaarden, die noodzakelijk zijn om zich van de uitbuiting te bevrijden. Een arbeider kan zeer actief zijn in de economische strijd maar politiek lid worden van de Volksunie, zoals er andere arbeiders zijn die de weg naar de bevrijding zien via het socialistische of christelijke reformisme, via het liberalisme of nog anderen zelfs via het fascisme. Al deze partijen denken en handelen binnen het kader van het kapitalisme. Om echt te kunnen strijden voor de bevrijding van zijn klasse uit de kapitalistische uitbuiting moet een arbeider:

a. De mechanismen en de wetten van het kapitalisme als een geheel p. 211systeem begrijpen. Zijn patroon is slechts een radertje in dit globale systeem. Zonder dit inzicht kan men de verantwoordelijkheid voor zijn objectieve situatie leggen bij het wanbeleid of de onbekwaamheid van de patroons.

b. Het lijden van alle onderdrukte klassen, hier en in de derde wereld kennen en de strijd van deze klassen ondersteunen. Zonder dit inzicht en deze steun kunnen arbeiders de verbetering van hun lot proberen te bekomen door uitbuiting van de derde wereld. Wie de imperialistische politiek van zijn burgerij ondersteunt, zal niet strijden voor de omverwerping van de kapitalisten, en zonder dat is de bevrijding uit de uitbuiting niet mogelijk.

c. De rol van de staat (met inbegrip van het parlement) als instrument van de kapitalistenklasse doorzien; de fundamentele politieke opstelling van de burgerlijke (reformistische) partijen doorzien.

Die inzichten ontstaan niet spontaan uit de strijd maar moeten in de arbeidersklasse binnengebracht worden door intellectuelen en arbeiders, die het wetenschappelijke socialisme door studie hebben verworven.

4o De vakbond is de hoogste — en voor sommigen ook de enige — organisatievorm van de werkers, die alle andere arbeidersorganisaties animeert en moet leiden.

André Renard: “De syndicale beweging is de motor van deze opbouwende revolutie. Wij beweren helemaal niet dat de vakbeweging de enige revolutionaire kracht is, maar vaak is zij de ziel van de revolutionaire acties geweest, terwijl ze rond zich de politieke formaties groepeert en er de verbinding tussen maakt.” (PP. 68-69.)

De opvatting over de organisatie van de arbeidersklasse wordt essentieel bepaald door het doel dat men wil geven aan de strijd van de arbeidersklasse. Wie de klassenstrijd herleidt tot zijn economische dimensie komt tot het besluit dat de syndicale beweging de hoogste organisatievorm is van de arbeiders. Op dat vlak heeft de vakbond inderdaad meer dan een keer de kans om de partij op haar plichten te wijzen. Reformistische partijen (ministers) kunnen zich schuldig maken (en maken zich ook om de haverklap schuldig) aan het verraden van de arbeiderseisen. Op dat ogenblik kunnen de vakbonden inderdaad optreden om de partijen onder druk te zetten, om hen te duwen naar de realisatie van de arbeiderseisen. Maar heel deze activiteit breekt niet met het kapitalisme als systeem. Opdat de vakbond ook werkelijk haar kracht zou aanwenden voor de vernietiging van het kapitalistische systeem en voor de opbouw van een socialistische maatschappij, is er de leiding nodig van een revolutionaire partij, die zich baseert op het wetenschappelijke socialisme en die in staat is om het reformisme te doorzien en er zich van af te bakenen. Zo niet zal de vakbeweging in de fundamentele kwestie van de politieke en de economische macht steeds bedrogen worden door het reformisme.

p. 212

Renard staaft zijn stelling over de bezielende rol van de vakbond met een historisch voorbeeld, namelijk de strijd voor het algemeen stemrecht. Terwijl het voorbeeld precies het omgekeerde illustreert. De vakbond leverde in de strijd voor het algemeen stemrecht (algemene stakingen van 1894, 1902 en 1913) het gros van de troepen, maar de strijd werd politiek geleid door de reformistische partij. Voor haar was het algemeen stemrecht niet alleen een politiek democratisch recht, maar ook een middel om de sociale revolutie te voorkomen. Met het algemeen stemrecht leidde de BWP de arbeidersbeweging op de weg van de integratie in het systeem. Het is juist omdat de arbeidersbeweging en in het bijzonder de vakbond niet geleid werd door een revolutionaire politiek dat het daartoe beperkt bleef; alleen een echte revolutionaire partij — zoals die in Rusland wel bestond — had de democratische strijd voor het algemeen stemrecht kunnen leiden naar een strijd voor de vernietiging van de kapitalistische staatsmacht.

5o Vermits de vakbond de leidende organisatie is mag zij zich van geen enkele andere organisatie — en zeker niet van een politieke partij — afhankelijk maken. Zij moet in alle onafhankelijkheid haar eigen syndicale weg volgen en de politiek uit de vakbond houden.

A. Renard: “In de vakbond doet men aan syndicalisme en in de partij aan politiek maar men zal die politiek niet komen opleggen aan de organisatie … De vakbond een politieke rol doen spelen, betekent de arbeidersklasse onder de knoet houden.” (P. 74.)

Vooreerst sluit deze stelling de syndicale beweging af van elke politieke invloed van de partij of partijen, die het revolutionaire socialisme verdedigen. Het is de beste manier om de arbeiders eeuwig onder de knoet te houden. Het is niet toevallig dat het ordewoord van ‘syndicale onafhankelijkheid’ op gepaste tijden door de burgerij zelf uit de kast wordt gehaald wanneer de vakbeweging onder invloed van de communistische partij staat of dreigt te komen. Onder dit ordewoord voerden de Amerikaanse patroons campagne opdat de — toen nog strijdbare — Amerikaanse vakbondsfederatie CIO zich van haar communistisch gezinde kaders en basisdélégués zou ‘bevrijden’ ten tijde van het McCarthyisme (de communistenjacht, die de hele Amerikaanse maatschappij overspoelde in het begin van de jaren 50). Na de Tweede Wereldoorlog hadden de communisten, dankzij de enorme bijdrage van de Sovjet-Unie aan de overwinning op het nazisme en dankzij de leidende rol van de communisten in het verzet, enorm aan prestige gewonnen en dat reflecteerde zich niet in het minst binnen de vakbonden. Om te verhinderen dat de hele syndicale beweging in West-Europa zich onder de politieke leiding van de communisten zou aaneensluiten, lanceerde de CIA het ordewoord voor een ‘vrij en onafhankelijk syndicalisme’. Onder die vlag werden in Frankrijk en Italië de communistisch gezinde eenheidsvakbonden verdeeld en werden er ‘onafhankelijke’ — dat wil zeggen prokapitalistische — vakbonden opgericht. Om de invloed van het communisme op de Poolse arbeiders- en vakbeweging p. 213te breken steunden Kapitaal, Kerk en CIA de oprichting van de ‘vrije en onafhankelijke’ vakbond Solidarność. Maar achter het vaandel van de onafhankelijkheid verscholen zich alle politieke krachten, die het kapitalisme wilden herstellen: liberalen, katholieken, sociaaldemocraten en fascisten. Vandaag, nu in Polen het kapitalisme in zijn meest wilde vormen wordt hersteld, komt de echte politieke kleur van het onafhankelijke syndicalisme ongeremd naar voren. De ‘syndicale onafhankelijkheid’ (onafhankelijk van het communisme) bleek een transmissieriem voor de overgang naar het burgerlijke kamp; tot scha en schande van allen die oprecht geloofd hebben dat er een politiek neutraal syndicalisme kon bestaan.

Vervolgens vertrekt deze stelling ten onrechte van de illusie dat de syndicale beweging — zonder banden met een revolutionaire partij — haar poorten zou kunnen sluiten voor de invloed van de burgerlijk (reformistische) politiek. Waarom is dat zo? Vooreerst loopt de spontane beweging van het syndicalisme onvermijdelijk naar partijen, die de hemel op aarde beloven zonder dat er een revolutie voor noodzakelijk is. Vervolgens beschikt de heersende klasse over een ontwikkeld en getraind ideologisch (media) en politiek (partijen) apparaat dat de arbeiders en werkers dagelijks bestookt met politieke opvattingen, die de belangen van de burgerij weerspiegelen. Tenslotte put het kapitaal uit zijn economische macht de middelen om de leiders van de syndicale beweging op haar kant te krijgen.

6o Politiek verdeelt de vakbeweging. Syndicale onafhankelijkheid is een noodzakelijke voorwaarde om de eenheid van de vakbeweging te handhaven.

A. Renard: “Wij zijn apolitiek omdat wij denken dat dit de enige manier is om de producenten in één blok te verenigen” en “Alleen syndicale onafhankelijkheid kan de eenheid waarborgen. Wij moeten ons dus eerst toeleggen op de onafhankelijkheid en de eenheid zal vanzelf komen.” (P. 74 en 179.)

Waarvoor wil men de arbeiders verenigen? Alleen voor de verdediging van de directe belangen of ook voor de politieke strijd? Wie als revolutionaire syndicalist de arbeiders ook in een echte socialistische geest wil opvoeden, zal het politieke debat in de vakbond brengen zonder dat dit schade toebrengt aan de eenheid voor de economische strijd. Waarom? Omdat alleen op die manier de gewone vakbondsleden over politieke kwesties — die hen rechtstreeks aangaan — een revolutionair standpunt kunnen horen tegenover al de burgerlijke visies, die hen dagelijks via de media en de burgerlijke partijen ingelepeld worden. En alleen vanuit dit debat kan er een eenheid rond echte socialistische posities tot stand komen. Wie het debat niet wil aangaan uit vrees de eenheid te breken, laat in feite toe dat er een eenheid tot stand komt rond posities die in het voordeel zijn van de bourgeoisie. De opstelling tegenover de Golfoorlog is daarvan een goed voorbeeld. Wie daarover het debat in de vakbond uit de weg gaat ‘in naam van de eenheid’ laat in feite toe dat er een eenheid tot stand komt voor het imperialisme en tegen de Arabische volkeren. p. 214Alleen door het debat aan te gaan — en door spreekrecht te geven aan revolutionairen — kan er een eenheid groeien rond een klare anti-imperialistische stelling tegen de Amerikaanse en West-Europese agressie.

Bovendien is het vals om een muur te willen bouwen tussen de politieke opstelling en de syndicale strijd. Vooreerst heeft met de ontwikkeling van het staatsmonopoliekapitalisme de politiek een steeds groter wordende impact op de sociale en economische materies. Vervolgens heeft de politieke opstelling een rechtstreekse invloed in de opstelling, die men zal innemen in de louter syndicale strijd. Lenin: “[…] de huidige ontwikkelingsgraad van de klassentegenstellingen leidt onvermijdelijk tot ‘politieke meningsverschillen’ ook in de kwestie van de wijze waarop men binnen de limieten van de huidige maatschappij verbeteringen kan afdwingen. In tegenstelling tot de theorie, die de noodzaak aantoont van stevige banden tussen de vakbonden en de revolutionaire sociaaldemocratie [de communistische partij] leidt de theorie van de neutraliteit noodzakelijkerwijze tot een zodanige keuze van middelen dat de klassenstrijd erdoor verzwakt wordt.”19 Dat schreef Lenin in 1907 en de stelling gaat vandaag nog meer op dan toen. Omdat ze de kapitalistische logica verwerpen en een samenhangend alternatief hebben, zijn revolutionaire syndicalisten het best in staat om de klassenstrijd te beschermen tegen de patronale argumenten (bijv. ‘de verdediging van de concurrentiepositie’). Omdat zij de massa willen voorbereiden op de revolutionaire strijd tegen het kapitalisme, zullen zij precies die strijdvormen propageren, die het meest kans op succes bieden voor het inwilligen van de eisen. Reformistische leiders zullen zich neerleggen bij de patronale logica en de problemen uitsluitend willen oplossen door ‘overleg’, met andere woorden: zonder de krachten van de arbeiders te ontwikkelen. Zo ziet men dat de uitsluiting van revolutionaire syndicalisten de syndicale beweging als syndicale strijdorganisatie verzwakt. Dat is dan ook meestal de directe reden waarom patroons revolutionaire délégués ontslaan of de vakbondsleiders onder druk zetten om er tegen op te treden. De uitschakeling van de communisten uit de Amerikaanse vakbeweging in het begin van de jaren 50 verklaart in belangrijke mate de aftakeling van de Amerikaanse vakbeweging als strijdorganisatie van de werkers. Dat schrijft Marie-France Toinet in een uitstekend werkje over het McCarthyisme: “De arbeidersklasse komt getraumatiseerd uit deze periode. Een aantal van haar meest strijdbare leiders — sommigen communist, anderen niet maar er wel van beschuldigd — hebben elke invloed verloren. Anderen zijn van kamp veranderd … en hebben elke strijdbaarheid opgegeven. Het Amerikaanse syndicalisme is geen eisend syndicalisme meer en drukt niet langer meer de verzuchtingen van de arbeiders uit; het wordt een tussenschakel tussen het patronaat en de arbeiders, die veel meer toegeeft aan de eerste dan dat hij er zou in slagen toegevingen te bekomen voor de tweede.”20

p. 217

Hoofdstuk 6
Het klassesyndicalisme of strijdsyndicalisme

Het onderzoek over de grote evoluties van het kapitalisme brengt ons tot de conclusie dat het marxisme vitaler is dan ooit. Noch het klassieke reformisme, noch de zogenaamd ‘nieuwe’ theorieën, noch het anarchosyndicalisme zijn in staat een coherente visie te geven, die de werkers vooruit helpt op de weg naar het socialisme. Alles pleit voor een terugkeer naar het oorspronkelijke vakbondsconcept, naar het echte klassesyndicalisme of strijdsyndicalisme.

61.
Basisconcepten voor het klassesyndicalisme

611.
De economische en politieke strijd verbinden

Marx en Engels hebben altijd het dubbele karakter van de vakbonden onderstreept. Ten eerste zijn ze noodzakelijke en onmisbare strijdorganisaties van de arbeidersklasse in de dagelijkse verdedigingsstrijd tegen de kapitalistische uitbuiting. Zij vervullen als dusdanig een essentiële rol in de aaneensluiting van de arbeiders en werkers als klasse. Het is de taak van de vakbond om de werkers een te maken op klassestandpunten. Dit werd door Marx als volgt samengevat: “het opheffen van de onderlinge concurrentie der arbeiders om de kapitalist verenigd te kunnen beconcurreren”.1 Marx en Engels verdedigden deze opvatting tegen hen die het belang van de syndicale strijd en organisatie minachtten, de proudhonisten in Frankrijk en België, de aanhangers van Lassalle in Duitsland.

Tegelijk zijn de vakbonden in de ogen van Marx en Engels scholen voor de revolutie en het socialisme. Zij moeten de arbeidersmassa‘s voorbereiden en vormen om vroeg of laat het kapitalisme als uitbuitingssysteem p. 218omver te werpen. Zij vervullen een belangrijke rol als massaorganisatie om de brede massa’s op te voeden met het oog op de opbouw van een socialistische maatschappij. Dit werd door Marx als volgt samengevat: “Indien de vakbonden, in hun hoedanigheid, onmisbaar zijn voor de schermutselingenoorlog tussen arbeid en kapitaal, dan zijn ze nog belangrijker wat hun laatste eigenschap betreft, namelijk als organen voor omvorming van het systeem van loonarbeid en van kapitalistische dictatuur.”2 Marx en Engels verdedigden deze opvatting tegen het enge trade-unionisme (het Engelse syndicalisme) dat de vakbondsstrijd op zich als enig doel stelde, en weigerde de syndicale beweging te situeren in het globale kader van de politieke strijd voor de revolutie en het socialisme. Zoals aangetoond, is dit ook op een bepaalde manier het geval voor het anarchosyndicalisme.

In de marxistische visie moet de strijd tegen uitbuiting en onderdrukking onverbrekelijk verbonden worden met de strijd voor de definitieve uitschakeling van het kapitalisme. In deze optiek is de vakbond een scholingsorgaan voor de brede massa, die op massaschaal het inzicht bijbrengt dat de definitieve vernietiging van het systeem noodzakelijk is.

De maatschappij waarin we leven wordt nog altijd gekenmerkt door onverzoenlijke klassentegenstellingen, door kapitalistische uitbuiting en onderdrukking. Het strijdsyndicalisme moet de dubbele functie van de vakbond hernemen: de verdediging van de klassebelangen van de massa in haar onverzoenlijke strijd tegen het kapitaal, in het perspectief van de vernietiging van het kapitalisme en de opbouw van het socialisme. De arbeidersklasse verwerft slechts een echt klassebewustzijn als zij denkt vanuit deze historische taken als klasse. Het strijdsyndicalisme moet daarom de economische en de politieke strijd zo intens mogelijk verweven. Praktisch betekent dit ten eerste dat de aandacht gericht moet worden op economische ordewoorden die het wezen van het systeem in vraag stellen. De onteigening van het hele grootkapitaal blijft hierbij het uiteindelijke doel. Er is geen socialisme denkbaar zonder de overgang van de productiemiddelen in collectief bezit. In elke strijdbeweging moet dit op aangepaste vorm onder de aandacht van de massa gebracht worden zodat op langere termijn de krachtsverhoudingen geschapen kunnen worden om dit ordewoord te realiseren.

Ten tweede betekent dit, dat de democratische en politieke ordewoorden, die het klassekarakter van de kapitalistische staat blootleggen, de volle aandacht moeten krijgen. (Zie 62.) Hier manifesteert zich het onderscheid tussen revolutionair syndicalisme en strijdsyndicalisme. Voor revolutionairen is het kapitalistische staatsapparaat een instrument van klassedictatuur, het instrument waarlangs de heersende klasse haar wil oplegt. De onteigening van het grootkapitaal loopt daarom onvermijdelijk uit op een confrontatie met de gewapende staatsmacht Om een socialistische staat op te bouwen, moet de kern van dit apparaat, dat gekneed is door de burgerij om haar belangen te verdedigen, vernietigd worden. Strijdsyndicalisten zien dit niet noodzakelijk op die manier of spreken zich daar p. 219niet over uit. Zij ervaren daarom niet minder het repressieve klassekarakter van de huidige staat en zullen even vastberaden opkomen voor radicaal democratische ordewoorden.

612.
Eisen op korte en lange termijn

De massa verwerft haar bewustzijn in de strijd voor haar belangen. Daar leert ze ook de leugens en de huichelarij van de burgerij te doorzien. Het strijdsyndicalisme moet consequent de belangen van de massa verdedigen en op die manier de noodzaak van het socialisme doen doordringen. De noden en verwachtingen van de massa moeten vorm krijgen in een eisenprogramma dat de energie van de werkers richt tegen het kapitaal en zijn staat. Dit eisenprogramma moet rekening houden met de actuele krachtsverhoudingen maar moet ook het bewustzijn van de massa verhogen en de massa vooruit trekken.

Er zijn met andere woorden twee totaal verschillende opvattingen over eisenprogramma’s en ordewoorden; aan die twee tegengestelde concepten wijdde Lenin in 1905 een schitterend boek: Twee tactieken van de sociaaldemocratie. Het reformisme zal elke eis halfslachtig stellen, aanvaardbaar maken voor de burgerij, en elke hervorming gebruiken om het antikapitalistisch bewustzijn naar beneden te halen. Het revolutionair syndicalisme zal eisen formuleren die de massa’s vooruit trekken en elke hervorming gebruiken om het klassebewustzijn te verhogen, als een stap naar betere krachtsverhoudingen.

De geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging illustreert deze keuze maar al te duidelijk. Er zijn twee potentieel revolutionaire periodes geweest in ons land. De eerste periode situeert zich tussen 1885 en 1918, met de stakingen van 1886, 1893, 1902 als aanloop en de explosieve naoorlogse periode als hoogtepunt. De reformistische leiders hebben toen de juiste eis van het algemeen stemrecht gebruikt om het revolutionair bewustzijn te doden. “Als wij het algemeen stemrecht willen,” schreef Cesar De Paepe toen, “is dat om een revolutie te vermijden, want hervorming of revolutie, algemeen stemrecht of universele omwenteling, dat is het dilemma op dit ogenblik voor het Belgische volk.”3 Het verraad van de BWP-leiding aan de revolutie leidde tot de oprichting van de Communistische Partij in 1921. Ook zij heeft zich stilaan verwijderd van het revolutionaire concept en is zich voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog meer en meer als een reformistische partij gaan opstellen. In bijna heel Europa was de burgerij na de Tweede Wereldoorlog enorm verzwakt, haar prestige was aangetast door collaboratie met het fascisme en de partizanenlegers bestonden voor de overgrote meerderheid uit werkers. De politiek van de Belgische KP, die de bezieler was geweest van de weerstand, zou zich echter kenmerken door onderworpenheid en volgzaamheid tegenover de burgerij, schrik van de massastrijd en ordewoorden die zich in strikt parlementair perspectief inschreven.4

Een van de essentiële kenmerken van het reformisme is dat de fundamentele p. 220eisen over de keuze van systeem, zover mogelijk uit het gezichtsveld van de massa worden gehouden. Al wat verder gaat dan de spontane ideeën, is volgens het reformisme ‘een afscheiding van de massa’. Het strijdsyndicalisme daarentegen, zal een programma naar voor schuiven dat eisen op korte en ordewoorden op langere termijn bundelt. In dit concept is het belangrijk om de volgende slagen voor te bereiden en om ordewoorden te verspreiden die naar belangrijke confrontaties toe kunnen groeien. Op dit punt kan men het eens zijn met wat Renard schreef op de vooravond van de algemene staking van ’60-’61 (met alle reserves over de inhoudelijke kant van de structuurhervormingen). “De arbeidersbeweging moet zich in haar strijd voor structuurhervormingen niet laten benevelen door de parlementaire voorwaarden die doorgaans ongunstig zijn of door de dagelijkse krachtsverhoudingen die weinig geschikt zijn voor revolutionaire ondernemingen Het is in uitzonderlijke momenten en niet in de dagelijkse omstandigheden dat de geschiedenis een sprong vooruit maakt. Maar er is geen onverzoenbaarheid tussen lopende, rustige actie en de revolutionaire, snelle omwentelingen. De arbeidersbeweging moet zich realiseren dat de dagelijkse actie maar bijdraagt tot het socialisme, in de mate dat zij deze omwentelingen voorbereidt Ze moet zich dus, door een permanente propaganda en opvoeding van haar kaders, militanten en leden, voorbereiden om elke uitzonderlijke kans te grijpen om een vak van het kapitalistische gebouw te slopen. De basisgolf van de opinie kunnen richten op structurele hervormingen die buiten bereik zijn op rustige momenten, dat moet de socialistische tactiek van de twintigste eeuw zijn. Het is duidelijk dat de periode 1932-’36, de periode 1944-’47 en het jaar 1950 evenveel gemiste kansen zijn om werkelijke structuurhervormingen af te dwingen. De syndicale en socialistische militanten moeten zich vanaf nu voorbereiden. Men moet ten allen koste vermijden dat de volgende explosie van volkswoede nog eens wordt gesust met de belofte van enkele materiële voordelen in het kader van een sociaal kapitalisme.”5

De structuurhervormingen die Renard toen voor ogen had waren eerder van aard om het kapitalistisch gebouw te versterken dat het te ondermijnen. Dat is een tragische maar niet te omzeilen vaststelling. Bijna alle voorstellen van Renard werden uitgevoerd door de burgerij, zonder dat het kapitalisme aan het beven ging. Nog tijdens de staking zocht Renard zijn heil in het federalisme-ordewoord, als middel om die structuurhervormingen te realiseren. Dertig jaar later is ook dat plan gerealiseerd, met volle instemming van de monopolies en zonder dat de arbeidersklasse er iets beter op geworden is. De les hieruit is dat alle opportunisme in het formuleren van objectieven voor de arbeidersbeweging handig uitgebuit wordt door de tegenstander. De eisen moeten ondubbelzinnig de macht van het kapitaal ondermijnen en de kracht van arbeidersklasse vergroten.

Op economisch vlak kunnen ordewoorden worden geformuleerd op twee niveaus. Op het eerste niveau een eisenprogramma dat op alle terreinen de crisislast afwentelt op het grootkapitaal in plaats van op de werkers. p. 221Er moeten radicale antikapitalistische eisen gesteld worden voor een herverdeling van de rijkdom, voor een verlaging van de uitbuitingsgraad, voor gratis sociale voorzieningen en voor een betere bescherming tegen de anarchie van het kapitalisme. Behoud van werk, arbeidsduurvermindering met aanwervingen, verhoging van de koopkracht, uitbreiding van de sociale zekerheid, behoud van de sociale rechten. De realisering van deze eisen moet samengaan met maatregelen die de winsten, de hoge inkomens en de fortuinen treffen. Het is een herverdeling van het nationaal inkomen ten voordele van arbeiders en werkers, binnen het kapitalisme. Deze eisen moeten niet uitgaan van de concurrentiekracht of andere kapitalistische zorgen maar moeten beantwoorden aan de reële noden en problemen van de werkers.

Op het tweede, structurele, vlak kan het kapitalisme geraakt worden door onteigening van bepaalde sectoren. Zij viseren niet het geheel van het economische systeem, maar brengen slagen toe aan bepaalde fracties van het grootkapitaal. Zij bieden een tijdelijk soelaas in de strijd tegen afdankingen en herstructurering en kunnen een betere strijdpositie opleveren voor de werkers. Opdat zij de macht van het grootkapitaal zouden aantasten moeten zij zonder schadeloosstelling gebeuren en gepaard gaan met radicaal democratische maatregelen, zoals volledige openbaarheid en uitsluiting van alle vertegenwoordigers van het privékapitaal.

Het uiteindelijke doel is: de totale onteigening van het grootkapitaal, als ultieme eis tegen de kapitalistische uitbuiting.

613.
Een front voor sociale vooruitgang, voor democratie, tegen imperialisme en voor vrede

Het strijdsyndicalisme werkt op vier inhoudelijke assen, waarvoor het de hele vakbond probeert te winnen. De belangrijkste assen voor het vakbondswerk zijn de strijd voor sociale vooruitgang en voor democratie (tegen monopoliekapitaal en staatsmacht). Ze bepalen de directe levensomstandigheden van de werkende massa, de uitbuitings- en onderdrukkingsgraad. Ze hangen voornamelijk af van de krachtsverhoudingen tussen kapitaal en arbeid op nationaal vlak.

Het strijdsyndicalisme keert ook terug naar de echte geest van het proletarisch internationalisme en komt op voor de eenheid van alle werkers en volkeren ter wereld tegen het imperialisme. De strijd van de volkeren voor nationale bevrijding en voor volksdemocratie beschouwen strijdsyndicalisten als hun eigen strijd en ze bouwen dan ook een actieve solidariteit op. In de confrontatie tussen Noord en Zuid komen zij op voor de arme landen.

Sinds de Golfoorlog staat de vrede tenslotte nog meer dan vroeger in de aandacht van elke rechtgeaarde syndicalist. De hele oorlogsmachine van het imperialisme concentreert zich nu op het bestrijden van nationale bewegingen in de derde wereld, op mobiele interventieoorlogen om de strategische belangen en de aanwezigheid van het imperialisme in de p. 222wereld te verzekeren. De Europese politieke en militaire eenmaking onder Duitse leiding vormt een nieuwe bedreiging voor de vrede en de democratie.

Het belang om rond deze vier pijlers te werken in de vakbond en niet rond een of twee kan ook vanuit negatieve, historische ervaring aangetoond worden. Vóór de Tweede Wereldoorlog was er een totale afwezigheid van mobilisering in de vakbonden rond het probleem van de oorlogsdreiging. Tot vlak voor de Duitse inval kwamen op de vakbondsbesturen hoofdzakelijk routinekwesties aan bod. Het enige wat door de vakbondsleidingen in 1939 was voorbereid, was de vlucht naar het buitenland. Sommige vakbondsleiders zagen in de oorlog vooral een kans om de afzetgebieden van de ‘eigen’ industrie uit te breiden. De afwezigheid van mobilisering vóór de oorlog rond de thema’s van vrede en onafhankelijkheid heeft de collaboratie van sommige leiders gemakkelijker gemaakt en het tot stand komen van het verzet in de vakbonden bemoeilijkt. Daarom moet de actieve inzet van vele basisdélégués in de vredesbeweging toegejuicht worden. Net als de houding van sommige vakbondsleiders, zoals Georges Debunne, die indertijd regelmatig stelde. “Wat baat het over cao’s te gaan discussiëren als wij ons blindelings naar een oorlog zouden laten toedrijven.”6 In elke grote toespraak kwam hij terug op de thema’s van vrede, militarisering en oorlogsdreiging.

Ook de strijd voor democratie werd binnen de vakbonden in de jaren 30 totaal onderschat Zo kon een deel van de vakbondsleiding op sleeptouw worden genomen door de ideeën van Henri De Man voor een autoritaire Staat of door de pauselijke encycliek Quadragesimo Anno die onverbloemd het fascistische corporatisme ondersteunde. De onderschatting van de problemen van democratie en democratische rechten door de vakbondsleiding, is gebaseerd op hun blind geloof in de burgerlijke parlementaire democratie (‘de politieke democratie is verworven’). Sommigen zijn wel gemobiliseerd tegen de dreiging van fascistische groepen, maar zijn veel minder waakzaam voor de gevaren die de burgerlijke democratie van binnenuit bedreigen. Zo wordt veel te weinig aandacht besteed aan het rijkswachtoptreden bij conflicten, aan de opkomst van het racisme, aan de repressiearsenaal dat wordt opgebouwd onder het voorwendsel van ‘strijd tegen het terrorisme’ en aan de volmachten.

Het strijdsyndicalisme streeft naar een zo breed mogelijk front rond deze pijlers. Deze frontvorming heeft tot doel een zo groot mogelijke massa in beweging te brengen tegen de hoofdvijanden en zo de revolutionaire bewustwording te versnellen. Het front bouwt zich op in concentrische cirkels. De binnenste cirkel is het verenigde front van de arbeidersklasse. Daarrond ligt het front met de andere werkende lagen: bedienden, ambtenaren, sociale werkers, leraars, enz. In de loop van de klassenstrijd moet dit front zich uitbreiden tot andere kleinburgerlijke lagen en tot de onderste lagen van de burgerij om de aanvallen te concentreren op de monopolieburgerij. De enige permanente basis van het front is de vakbeweging. p. 223Daar zijn de werkende massa’s georganiseerd: de arbeiders, de bedienden, de ambtenaren, de intellectuele werkers, de sociale werkers. De vakbonden zijn de enige massaorganisaties van de werkende klasse. De vakbonden zijn de enige fundamentele basis van het front omdat zij de werkende massa omkaderen.

614.
Vertrouwen in de massa

In wie moeten we vertrouwen stellen? Dit is een van de meest fundamentele vragen die een scheidingslijn trekt tussen reformisme en revolutionair marxisme. Het historisch materialisme toont aan dat de geschiedenis wordt gemaakt door de uitgebuite massa’s en niet door helden, door koningen, keizers of andere heersers. “De massa’s zijn de ware helden,” zei Mao Zedong. Om nauw verbonden te zijn met de massa’s moet men doordrongen zijn van deze waarheid. Het heeft te maken met hoe men de wereld bekijkt, welk politiek programma men wil realiseren, welke bondgenoten men zoekt en op wie men steunt om dit programma te realiseren.

Het reformisme buigt zich over de ‘tekorten’, de ‘zwaktes’ van het Belgisch kapitalisme. Het brouwt ‘betere’ recepten om het Belgische kapitaal overeind te houden in de concurrentieslag. Het wil een dynamischer kapitalisme, om de opgelopen technologische achterstand in te lopen. Dit leidt tot rechtstreekse steun aan imperialistische overheersing van de derdewereldlanden en tot medewerking aan ‘saneringsoperaties’ ten koste van de arbeiders en werkers.

Het reformisme wil de arbeidersklasse voor eeuwig onderwerpen aan de kapitalistenklasse. Het gaat ervan uit dat de tegenstelling arbeid-kapitaal te verzoenen is, dat de arbeidersklasse het meeste baat heeft bij een welvarend kapitalisme. Het gemeenschappelijke belang kan door een ‘redelijk’ overleg gewaarborgd worden. Dit alles leidt tot ontzag voor de burgerij, vertrouwen in haar studiediensten, ontzag voor haar instellingen, schrik om de goede betrekkingen te verliezen. Dit is de diepe grondslag van het overlegsyndicalisme, het realistische syndicalisme, het capitulatiesyndicalisme. Het heeft schrik van de massa’s, hun ‘ongenuanceerde’ eisen, hun strijdbaarheid. Meestal worden de eisenprogramma’s opgemaakt met een compromis in het achterhoofd en niet met de echte wil om principiële veroveringen af te dwingen. Sommige vakbondsleiders zijn het best geschoold in het manipuleren, het om de tuin leiden van de massa met schijnbaar strijdbare maar inhoudsloze taal. Zij hebben de grootste minachting voor de ‘achterlijke’ massa’s, voelen zich er hoog boven verheven en schuiven alle verantwoordelijkheid voor hun eigen capitulatie af naar beneden.

Het revolutionaire strijdsyndicalisme vertrekt van een totaal tegenovergesteld standpunt. Het kapitalisme is een historisch veroordeeld systeem dat zo snel mogelijk moet verdwijnen. De tegenstelling tussen kapitaal en arbeid is onverzoenlijk. Het geloof in de kracht van de massa is het sterkste wapen. De massa is in staat om het kapitalisme te vernietigen en een superieur sociaal en economisch systeem te ontwikkelen. Het p. 224strijdsyndicalisme zal alles doen om die strijdbaarheid te beschermen en te ontwikkelen, om ze in correcte banen te leiden, dit wil zeggen: de hoofdvijand te viseren. Strijdsyndicalisten storten zich niet roekeloos in elke provocatie, maar bouwen krachtsverhoudingen op rond de belangrijkste eisen en ordewoorden. Die strijdbeweging voeren ze tot het einde, tot de energie van de massa’s volledig is ontplooid. Pas dan komen eventuele compromissen aan de dagorde, nadat alle strijdmiddelen zijn opgebruikt.

Een dergelijke visie is gebaseerd op nauwe banden met de massa. Délégués en secretarissen moeten werkelijk willen en durven luisteren naar de verwachtingen van de massa en ze in bescherming nemen. Ze mogen zich niet verheven achten boven de massa, ze moeten respect opbrengen voor alle meningen en er het positieve uithalen dat de strijd vooruit brengt. Dit noemde Mao ‘de massalijn toepassen’. De massalijn toepassen is niet alleen luisteren naar de massa, het is ook oordelen, analyseren en de massa opvoeden met de meest gevorderde ideeën. Het is steunen op de voorhoede om de grote middengroep te winnen en de achterhoede te neutraliseren. Het is de proletarische ideeën propageren en de burgerlijke ideeën, die onvermijdelijk binnendringen, bekampen.

Tot wat bewuste, revolutionair gezinde syndicalisten in staat zijn, hoe ze binnen de vakbond en onder de massa onweerstaanbare krachten in beweging kunnen brengen, tonen onder meer de drie Limburgse mijnstakingen tussen 1986 en 1988 aan. Het boek De Slag om de Mijnen, waarin zij hun ervaringen systematiseren, is een scholingsboek voor elke strijdsyndicalist. Bij de déléguésverkiezingen van 9 april 1987, naar het einde van de tweede grote staking toe, halen de Strijdsyndicalisten en stakingsleiders een overweldigende overwinning. Jan Grauwels haalt 1 270 voorkeurstemmen, 50,8 % van de mijn van Waterschei, het beste persoonlijke resultaat van het hele land. Luc Gieters, haalt in Beringen een stem op drie (805 voorkeursstemmen). Luc Gieters: “Het is de bevestiging dat de stroming voor strijdsyndicalisme en voor een antikapitalistisch programma in de mijnen een massastroming is geworden. Deze uitslag betekent dat de mijnwerkers onze opvatting over het syndicalisme ondersteunen. Wij zijn vastberaden, omdat wij een gevormd inzicht hebben in de ontwikkeling van het kapitalistische systeem. Wij verduidelijken dat aan de mensen. Bijvoorbeeld dat Petrofina kolenvelden in Amerika opkoopt en de mijnen in België wil sluiten om geld te verdienen aan de kolenimport. Wij leggen uit dat Gheyselinck de belangen van Shell verdedigt. Informatie geven is een plicht van een vakbond. Wij doen dat als délégué. Door onze praktische inzet hebben wij het vertrouwen van de mensen gewonnen, zodat we ze ook over moeilijker zaken kunnen aanspreken. We hebben veel geleerd uit de individuele pogingen van vroegere délégués in de mijnen en uit de ervaringen van het syndicalisme op de Boelwerf. Leren naar de massa te gaan, erop vertrouwen en ervoor vechten zodat ze niet verkocht wordt. Alleen voor dat syndicalisme zijn de arbeiders vandaag nog enthousiast te maken. Op andere plaatsen, waar dat alternatief niet bestaat, is er volgens mij een groeiende onverschilligheid tegenover de vakbond. Dat is een erg gevaarlijke ontwikkeling.”7

p. 225

Dezelfde opvatting van de vakbondswerking wordt in het boek van Jan Cap, In naam van mijn klasse, heel praktisch geïllustreerd. Vanuit een uitzonderlijke band met de massa en een spontane klasseopstelling, groeide bij Jan Cap het inzicht van de noodzaak van een communistische partij. Hij had tientallen jaren ervaring als ACV-strijdsyndicalist achter de rug toen hij aansloot bij de PVDA. De stellingen die hij in het boek ontwikkelt zijn als volgt samen te vatten:

(1) Vertrekken vanuit een klassenanalyse.

(2) Er principes uit afleiden waar men nooit van afwijkt. Voldoende tijd nemen om die te doen aannemen door een brede groep arbeiders.

(3) De meningen onder de massa aan een analyse onderwerpen. Het juiste van het verkeerde scheiden.

(4) Een onwankelbaar vertrouwen hebben in de massa. De ‘schuldtheorie naar onder toe’ verwerpen.

(5) Ten volle de democratie ontwikkelen Vrije en democratische verkiezingen, regelmatige algemene vergaderingen op het bedrijf.

(6) Nooit schrik hebben van de massa, ook niet van hun kritieken. Durven op de massa te steunen.

(7) Geduld hebben, nooit de moed verliezen.

(8) Aanknopingspunten zoeken die de massa beroeren.

(9) Uit de tegenslag altijd het positieve halen.

(10) Durven risico’s te nemen. Als leider durven verantwoordelijkheid op te nemen voor de daden van de massa.

(11) Aandacht besteden aan het meekrijgen van de secretarissen.

(12) Ervan doordrongen zijn dat de arbeiders het meest leren in de actie.

(13) De politiek is levensnoodzakelijk voor de arbeidersklasse. De enige vraag is: welke politiek?

(14) Een arbeiderspolitiek wordt niet spontaan verworven. Men moet zich daarvoor scholen in het marxisme-leninisme.

(15) Dit kan alleen in een revolutionaire partij.

(16) De strijd is nooit afgelopen. De toekomst is aan de arbeidersklasse en de volkeren van de derde wereld.

62.
Syndicale democratie

Een democratische werking is onontbeerlijk om het enthousiasme van de massa te beschermen en te ontwikkelen. De democratie in de vakbond is essentieel om door discussie, eenheid rond een antikapitalistisch programma te bereiken.

Soms wordt de ‘democratie’ afgesneden van haar inhoud, maar ook het omgekeerde is waar. In naam van ‘het programma is het belangrijkste’ wordt de strijd voor meer democratische vakbondswerking vaak onderschat en achteruitgesteld.

p. 226

621.
De band programma-democratie

Hoe kan een correcte verhouding worden gelegd tussen het programma en de democratische objectieven die in de vakbond worden verdedigd?

1o Het belangrijkste doel is, het winnen van de massa en de vakbond voor het strijdsyndicalisme. Democratische ordewoorden staan in functie van het beter doen doordringen van een antikapitalistisch programma, zoals het ondemocratische optreden van sommige vakbondsleiders ook altijd in dienst staat van een prokapitalistisch programma. Democratische maatregelen zijn daarom geen doel op zich en garanderen ook niet automatisch een strijdbaarder optreden. Meer democratie kan op een demagogische wijze worden aangewend om algemene verwarring, gebrek aan visie en objectieven te installeren. Meer democratie moet samengaan met meer opvoeding van de massa om klassenstandpunten te verwerven. In bepaalde gevallen kan een ‘democratische raadpleging’ gebruikt worden om rechtsere standpunten te laten overwinnen (bijv. tegen de vreemdelingen, voor verdediging van het imperialisme tegen de derde wereld, bepaalde vormen van flexibiliteit …) In dit geval moet bij het toepassen van de massalijn de nadruk vooral liggen op de opvoeding. Maar dit mag geenszins afbreuk doen aan de strijd voor meer democratie in de vakbond. Problemen worden opgelost door politieke strijd en niet door de verkiezingen af te schaffen.

2o Strijdsyndicalisten hebben als belangrijkste wapen de steun van de massa. Sommige vakbondsleiders hebben een heilige schrik om de democratie te ontplooien omdat daardoor hun prokapitalistische opstelling in het gedrang zou komen. Rechtse vakbondsleiders beknotten de syndicale democratie — of maken er een schijnvertoning van — omdat zij hun lijn zonder discussie willen opleggen, omdat zij de proletarische klassestandpunten vrezen die aan de basis leven. Zij bekampen de democratische verkiezingen omdat ze willen verhinderen dat de meest strijdbare krachten verantwoordelijkheid krijgen in de vakbond, omdat ze hun eigen volgelingen willen beschermen. De strijd voor meer democratie verwaarlozen, speelt in hun kaart. De democratie, het onwankelbare vertrouwen in de massa, is een wapen in handen van revolutionairen en strijdsyndicalisten.

3o Het politieke opvoedende werk in de vakbond loopt al te vaak te pletter op de gevestigde structuren. Strijdbare ideeën zouden sneller doordringen, strijdbare krachten zouden vlugger verantwoordelijkheid krijgen indien de meest elementaire regels van democratische werking gerespecteerd zouden worden. Zeker in een situatie waarin de vakbondsstructuren globaal naar rechts evolueren, is het gevecht voor de syndicale democratie een vitale noodzaak.

4o Er is op dit ogenblik in de vakbonden een breder eenheidsfront mogelijk rond democratische ordewoorden dan rond radicale antikapitalistische p. 227ordewoorden.

Het strijdsyndicalisme komt op voor de volgende democratische hervormingen in de vakbondswerking:

622.
Volwaardige vertegenwoordiging van alle groepen in de vakbondswerking

De vertegenwoordiging in de vakbondsbesturen moet in overeenstemming zijn met de nieuwe samenstelling van de werkende bevolking.

Een van de meest opvallende inbreuken op dit principe is de marginale plaats van de werklozen en de werkers met een nepstatuut, binnen de vakbondsstructuur. Hun aantal blijft rond de 850 000 schommelen, terwijl het aantal volledig werklozen (officiële cijfer) nog altijd ongeveer 15 % van het aantal loontrekkenden bedraagt. De werklozen worden als reserveleger gebruikt door het kapitaal; waarom worden ze dan niet als volwaardige troepen ingezet voor de syndicale strijd? Anders riskeren ze aan de rand van de maatschappij te verzeilen, waar ze een rekruteringsbasis vormen voor extreemrechts.

De aanvaarding van artikel 143 door de vakbondsleidingen, erger nog, de medewerking van sommige vakbondsleiders aan de jacht op ‘oneigenlijke werkloosheid’ toont hoe ook in syndicale kring, werklozen als schuldigen worden bekeken. Anderzijds zijn er reeds vele experimenten geweest met werklozenwerking, maar een van de centrale problemen is de continuïteit. Dit probleem kan niet opgelost worden zonder een stabiele vertegenwoordiging in de leidende instanties van de werklozen. De huidige versnippering van de werklozen over de centrales maakt het onmogelijk om een ernstige werking voor werklozen te ontplooien. Het argument dat daardoor de eenheid met de actieve werkers wordt onderhouden, is vaak een voorwendsel om werklozen onmondig te houden. Een eigen centrale voor werklozen is de enige manier om de belangen van de werklozen in de hele vakbondswerking volwaardig te integreren.

Ten tweede moeten alle specifieke werkersgroepen een eigen vertegenwoordiging krijgen in de leidende organen en een eigen werking kunnen ontplooien om hun eisen kracht bij te zetten. Dit is het geval voor de vreemdelingen, de vrouwen, de jongeren en de gepensioneerden.

623.
Democratische verkiezing van alle vakbondsverantwoordelijken op alle niveaus

Dit is een maatregel om de banden met de massa te verstevigen, om regelmatige beoordeling te kunnen maken van het geleverde werk en om de mobilisatiekracht van de vakbond te vergroten. Hoe meer vertrouwen de massa heeft in haar afgevaardigden, hoe sterker de vakbond zich als geheel kan opstellen. Vrije en democratische verkiezingen zijn een gepast tegenoffensief tegen het patronale offensief van klassensamenwerking dat langs het ‘participatief management’ en de ‘kwaliteitskringen’ wordt p. 228gevoerd. (Zie 227.) De strijdbare krachten hebben geen schrik van zo’n directe beoordeling, de rechtse krachten meestal wel. Ook dit is in wezen een kwestie van vertrouwen in de strijdwil en het beoordelingsvermogen van de massa.

Als eerste en belangrijkste eis moet hierbij de jaarlijkse, vrije en democratische verkiezing van de syndicale délégués worden gesteld. Vrije verkiezing betekent dat iedereen zich kandidaat kan stellen die gesyndiceerd is bij de betreffende vakbond. Democratische verkiezing betekent dat alle arbeiders en werkers deelnemen aan de verkiezing van de délégués, aangezien de syndicale delegatie alle werkers vertegenwoordigt. Het betekent dat de uitslag gerespecteerd wordt bij het aanduiden van de hoofddélégué en de permanente délégués. Een jaarlijkse in plaats van een vierjaarlijkse verkiezing zou een regelmatiger bespreking mogelijk maken van de gevolgde en de te volgen koers, waardoor de massa intenser in het debat wordt betrokken en veel nauwer kan toezien. De vakbondsleiding is meestal gekant (zeker in Vlaanderen) tegen dergelijke directe en democratische verkiezing van de syndicale delegatie, omdat zijzelf controle wil over wie ‘de vakbond’ vertegenwoordigt. De arbeiders draaien de zaak om en willen dat de vakbond ‘hen’ vertegenwoordigt.

Uiteraard moeten ook de delegaties voor Ondernemingsraad en Comité Veiligheid op een vrije en democratische manier verkozen worden. Dit betekent: vrije opstelling van de lijsten, poll onder de leden voor het bepalen van de volgorde op de lijst, verkiezing door alle werkers, met recht op panacheren (verdelen over de verschillende lijsten). Niet alleen de basisfuncties maar ook de hogere niveaus van de vakbond moeten democratisch worden samengesteld. De hoofdverantwoordelijken van centrales, regionales en het hele nationale dagelijks bestuur moet bij rechtstreekse verkiezing door de leden worden aangesteld. Dit betekent dat er vrije kandidaatstelling is en dat de leden hen regelmatig kunnen afzetten. De andere verantwoordelijken worden met getrapte democratie, op congressen verkozen. Ook hier moet de kandidaatsstelling vrij zijn en de congresvertegenwoordiging moet democratisch worden vastgelegd onder de leden.

In de Openbare Diensten moet de syndicale democratie op dezelfde wijze als in de privésector worden ontwikkeld. Dit betekent een regelmatige verkiezing voor alle syndicale functies, zoals hierboven aangegeven.

Deze democratische verkiezingen op alle niveaus zijn een goede garantie voor een sterk syndicalisme tegenover het patronaat. Zij scheppen een sterke vertrouwensband tussen de massa en de vakbond en zijn de beste waarborg tegen bureaucratisering, tegen allerlei vormen van routine en verstarring. Dit wordt bevestigd door voorbeelden van meer democratische werking in het buitenland. In Groot-Brittannië worden de ‘shop stewards’ jaarlijks verkozen, over het algemeen bij handopsteken. Elk vakbondslid is kiezer en verkiesbaar. De shop stewards zijn in de eerste plaats vertegenwoordigers van de massa, in de tweede plaats van de vakbond. Daarom beschikken ze over meer autonomie en rechten dan in p. 229België. In de NUM (de mijnwerkersvakbond) worden de voorzitter en de algemene secretaris rechtstreeks verkozen door de basis. Ook in Noorwegen worden de délégués elk jaar verkozen door de massa.

624.
Democratische militantenwerking en algemene vergaderingen

De militantenkernen groeperen de actieve leden van de vakbond. Zij houden permanent toezicht en helpen de syndicale afvaardiging bij hun taak. Zij brengen de hartslag van de massa’s over naar de vakbond en vertalen de syndicale ordewoorden en standpunten naar de massa toe. Zij komen maandelijks bijeen en vergaderen om de twee maanden in gemeenschappelijk front; dit om de eenheid in de actie te smeden. Zij coördineren de syndicale actie en het werk in de ondernemingsraad. Om de twee maand wordt een algemene vergadering op het bedrijf gehouden, tijdens de werkuren.

63.
Democratische en antiracistische strijd

631.
De ‘politieke democratie’ bestaat niet

Beide grote vakbonden gaan er in hun fundamentele opstelling van uit dat de politieke democratie verworven is sinds de toepassing van het algemeen stemrecht. Het burgerlijke parlementaire regime wordt als modeldemocratie beschouwd. Deze democratie is een vervalste en formele democratie voor de werkers. Achter de democratische façade verbergt zich de dictatuur van de monopolies. De hoogste vorm van democratie is met andere woorden de vrijheid van keuze over welke partijen de uitbuiting zullen organiseren in dienst van het grootkapitaal. Echt belangrijke beslissingen (zoals de installatie van kruisraketten, alles wat de Europese eenmaking betreft, het voeren van een oorlog tegen een derdewereldland …) worden in de coulissen genomen. Hoe kan het anders, wanneer heel het systeem steunt op de verdediging van de vrijemarkteconomie, de winst, de belangen van de rijken. Langs verkiezingsfondsen, media en persoonlijke relaties tussen kapitaal en ministers, tussen bedrijven en partijen wordt de ‘democratie’ in juiste banen gehouden. Wat er gebeurt als het dan toch ontspoort, kan men het best in de derde wereld zien waar onze ‘democratieën’ dood en vernieling aanrichten. Met steun aan dictatoriale regimes, steun aan de contrarevolutie, met doodseskader en terreur van ‘loyale regimes’ vechten ze voor het behoud van de bodemrijkdommen, de goedkope arbeidskrachten en de afzetmarkten. In mineur kan men het meemaken in elk nationaal conflict van enige omvang (de mijnstakingen, de opvoeders en leraars, de staalbetogingen …).

p. 230

632.
Strijd voor democratische rechten

Monopolievorming gaat niet samen met democratie, stelde Lenin. Concentratie van economische macht gaat samen met concentratie van politieke macht en afbraak van de democratische schijn. Dit is duidelijk merkbaar in het Europese eenwordingsproces. De internationale burgerij wil haar repressieapparaat coördineren. Daarvoor werd de TREVI-groep opgericht die de politieapparaten wil laten samenwerken. Het Schengenakkoord coördineert de afscherming van de grenzen, de nieuwe technologie laat toe om de gegevensbanken op elkaar af te stemmen zodat de controle op de Europese burgers wordt geperfectioneerd. Om zich beter te verdedigen tegen de arbeidersstrijd worden technieken uitgetest in Noord-Ierland, in grote sociale conflicten en in de zogenaamde strijd tegen het terrorisme en die worden op Europees vlak veralgemeend.

De democratische rechten worden uitgehold. Het kapitalisme kan zich niet permitteren om de democratie volledig te ontwikkelen. De strijd voor democratie en democratische rechten neemt in die context een duidelijk antikapitalistisch en anti-imperialistisch karakter aan. Voor het revolutionaire syndicalisme is de strijd voor een echte democratie onverbrekelijk verbonden met de strijd tegen de dictatuur van de monopolies en hun Staat en met de strijd voor het socialisme. De democratische rechten, die door strijd verworven werden, zijn stuk voor stuk hefbomen die de werkers en hun organisaties gebruiken om beter het kapitalisme te bekampen.

633.
Vrijheid voor het strijdend syndicalisme

In heel Europa is er een offensief tegen de syndicale rechten aan de gang. De grote krachtlijnen van dit offensief zijn: een drastische beperking van het stakingsrecht en een uitschakeling van de délégués, die het model van klassensamenwerking verwerpen.

1o Aanvallen tegen het stakingsrecht.

Onder Thatcher is Groot-Brittannië in Europa hét model geworden voor de afbraak van het stakingsrecht. De Employment Acts van 1980 en 1982, de Trade Union Act van 1984 en de Public Order Bill van 1986 hebben volgend arsenaal aan wetten opgeleverd.

Algemene en politieke stakingen, solidariteitsstakingen zijn wettelijk verboden. Alleen stakingen voor de directe beroepsbelangen tegen de eigen werkgever zijn geoorloofd onder voorwaarde van een voorafgaandelijke wettelijk verplichte geheime stemming.

Het is verboden piket te staan aan een ander bedrijf. De piketten mogen uit maximaal zes personen bestaan; zij moeten de arbeidsvrijheid respecteren en de verzekering van essentiële diensten toelaten.

Vakbonden kunnen verplicht worden om ‘ongeoorloofde’ stakingen te stoppen en staan bloot aan volgende sancties: volledige schadeloosstelling, zeer hoge boeten, sekwestratie (onder staatscontrole brengen) van de p. 231vakbondskassen. De politie kreeg meer macht om voorwaarden op te leggen aan betogingen en om de plaats, de duur en de omvang van meetings te reglementeren.

Na een staking in de metaalsector besliste de Duitse Bondsregering dat de vakbonden (en niet langer de staat) moeten instaan voor de uitkering van werknemers, die technisch werkloos worden ten gevolge van stakingsacties. In Frankrijk en Italië werden wetten gestemd, die de werknemers in Openbare Diensten onder de dreiging van opeising verplichten minimumdiensten te verzekeren.

De antistakingsnota’s uit 1984 en 1988 van de Belgische patroonsorganisatie VBO zijn in ruime mate door deze voorbeelden geïnspireerd. Het VBO wil:

— een wettelijke omschrijving en sanctionering van ‘ongeoorloofde’ staking (elke staking, die geen verband houdt met beroepsbelangen van de betrokken werknemers en/of waarbij de conventionele afspraken niet zijn nageleefd);

— strafrechtelijke bescherming van het recht op arbeid, strafrechtelijke maatregelen tegen bezetting en tegen stakingspiketten van derde bedrijven;

— rechtspersoonlijkheid van vakbonden, afdwingbaarheid van individuele genormaliseerde vredesplichtclausules (dwangsommen);

— brede bepaling van de behoeften in vredestijd in de openbare diensten, afdwingbaarheid van tewerkstelling voor vitale diensten in de privésector, mogelijkheid tot opvordering van werknemers ter verzekering van vitale diensten.

2o Aanvallen tegen de rechten van de délégué.

Strijdbare syndicalisten, die ingaan tegen het ‘samenwerkingsmodel’ komen overal onder vuur te staan.

In Frankrijk werden er volgens de vakbond CGT tijdens de periode 1985-1989 meer dan 40 000 syndicaal verkozenen afgedankt omwille van hun opstelling ten voordele van de werknemers. In diezelfde periode is het aantal klachten voor de rechtbank tegen syndicalisten verdrievoudigd en in 80 % van de gevallen werden de afdankingen goedgekeurd door het gerecht en de arbeidsinspectie.

In Duitsland zijn honderden syndicalisten uit de Openbare Sector het slachtoffer van het ‘Beroepsverbod’ dat afdankingen toelaat van alle staatswerkers, waarvan de activiteiten strijdig worden geacht met de West-Duitse Grondwet.

De laatste tien jaar werden er in België, volgens de ramingen van prof. Maxime Stroobant, 400 tot 600 syndicale délégués afgedankt. De patroons misbruiken de ‘dringende reden’ en de ‘economische herstructureringen’ om zich te ontdoen van strijdbare syndicalisten. De nieuwe wet ter bescherming van délégués (1990) lost het hoofdprobleem niet op: patroons hebben uiteindelijk nog altijd het recht om délégués af te danken, zij het na een ‘afkoelingsperiode’ van vijf dagen en met een financiële tussenkomst gedurende de juridische procedure. Het VBO wil de délégués p. 232persoonlijk verantwoordelijk stellen voor het respecteren van de sociale vrede en de hernieuwing van hun mandaat verbieden bij niet-naleving van de vredesplichtclausule.

3o Het strijdsyndicalisme komt op voor meer democratische en syndicale rechten.

De syndicale rechten in de bedrijven moeten wettelijk uitgebreid en beter beschermd worden.

* Volledige vrijheid voor politieke en syndicale actie in de bedrijven.

* Verbod op politieke en syndicale aanwervingscriteria. Strafrechtelijke vervolging en sancties tegen patroons die dossiers of databanken aanleggen over het politieke, syndicale en privéleven van de werkers.

* Verbod op afdanking om syndicale of politieke motieven.

* Onbeperkt stakingsrecht, zowel in de privé als in de openbare sector.

De beste bescherming van de délégués is de steun van de massa. Het beste antwoord op patronale aanvallen tegen de délégués is de klassenstrijd. Toch kan een goede wettelijke bescherming positief bijdragen tot de syndicale macht.

* Totaal verbod op afdanking van délégués. Bestraffing van patroons die hierop inbreuk plegen (boetes en gevangenisstraf).

* Afschaffing van alle wettelijke en conventionele beperkingen op de actiemogelijkheden van de délégués.

* Afschaffing van de clausules van sociale vrede en de verzoeningsprocedures.

* Opheffing van de zwijgplicht voor délégués van de Ondernemingsraad.

* Onbeperkt recht voor délégués van de Veiligheid om de productie stil te leggen bij onveilig werk.

* Geen beperkingen, noch in tijd, noch in ruimte, op de uitoefening van de syndicale taak in de onderneming.

634.
Onverzoenlijke strijd tegen elke vorm van racisme, tegen elke politieke en economische discriminatie van immigranten

Het racisme wordt sinds de crisis in toenemende mate als wapen gebruikt om de arbeidersklasse te verdelen en de imperialistische onderdrukking te verantwoorden. Met gemakkelijke haatcampagnes wordt de aandacht afgewend van de echte verantwoordelijken voor de crisis. De houding tegenover het racisme is een van de meest doorslaggevende criteria voor de beoordeling van het klassestandpunt.

1o Het racisme is onverbrekelijk verbonden met het kapitalisme en het imperialisme. De imperialistische ideologie gaat ervan uit dat er superieure en minderwaardige rassen zijn, dat de imperialistische staten het recht en de plicht hebben om hun suprematie te installeren en de wereld economisch te onderwerpen. Het racisme was ingebakken in de veroveringstochten, in de slavenhandel en zit ingebakken in de economische p. 233plundering van de derde wereld. Ook de vakbondsleidingen hebben vroeger het kolonialisme gesteund vanuit de zogenaamde ‘beschavingsopdracht’.

Als gevolg van de economische en sociale catastrofes die het imperialisme heeft voortgebracht, zijn er in de wereld ongeveer 14 miljoen vluchtelingen. Honderdduizenden zijn naar het Westen komen werken, omdat hen in de vernietigde economische structuren alleen miserie en hongersnood te wachten stond. Vaak werden ze hiertoe aangespoord door de patroons die op zoek waren naar goedkope werkkrachten. Ook de immigratie is dus een product van het kapitalisme dat ongelijkmatige ontwikkeling en onderontwikkeling meebrengt. Immigranten komen hier terecht in een structurele discriminatie, worden op alle vlakken als tweederangsburgers beschouwd. Zij worden aangevoerd en geduld zolang zij nodig zijn voor de arbeidsmarkt, zolang zij als ‘reserves’ een economische taak kunnen vervullen. In crisistijd worden zij geviseerd als ‘profiteurs’ en verantwoordelijken voor de werkloosheid. Openlijk en gecamoufleerd racisme spelen hierbij een wezenlijke rol. Het racisme gaat steeds uit van een vermeende Westerse superioriteit, van een ideologie van overheersing en minachting voor andere volkeren en culturen. De kapitalisten propageren dit racisme en chauvinisme omdat ze daarmee de plundering van de derde wereld kunnen doen aanvaarden door de werkers en omdat ze er politiek en economisch voordeel uit slaan. Politiek is het een factor van verdeling van de uitgebuiten. Economisch laat het hen toe een categorie rechteloze werkers te creëren die nog weerlozer is tegen sociale ongelijkheid, en als drukkingsgroep op de hele werkende bevolking uitgespeeld kan worden.

2o Er is een fundamentele verwantschap tussen alle vormen van burgerlijk nationalisme, van chauvinisme (nationale vooringenomenheid), van eurocentrisme (Europa als centrum van de wereld) en van racisme. Zij worden allen door de burgerij gepropageerd om de vereenzelviging met ‘onze’ cultuur’, ‘onze’ beschaving, ‘onze’ waarden in te pompen. De arbeidersklasse heeft maar één nationaliteit, namelijk die van het internationale front van werkers en uitgebuiten. Het klassesyndicalisme duldt geen enkele discriminatie op grond van nationaliteit of herkomst, is voor de eenheid en solidariteit van alle uitgebuite werkers en volkeren tegen het imperialisme en kapitalisme. Het verwerpt elke eenheid op basis van ‘Westerse waarden’ met haar eigen burgerij, omdat die waarden de belangen van de uitbuiters vertegenwoordigen. De enige proletarische waarde is die van de klassesolidariteit.

De vakbond is door haar taak als eenheidsorganisatie van de werkers tegen het kapitaal, het best geplaatst om de verdeeldheid te bekampen. Dit vereist dat elke ideologische verzoening met racisme, eurocentrisme en chauvinisme wordt bestreden. De meest elementaire taak van de vakbond, de eenmaking van de arbeidersklasse, kan maar opgenomen worden indien consequent elke verdeling wordt bekampt. De geest van proletarisch internationalisme is tegengesteld aan alle vormen van imperialisme p. 234en chauvinisme, van racisme en protectionisme, van burgerlijk nationalisme en corporatisme binnen de vakbeweging.

3o Zowel de werkers van de kapitalistische landen als de volkeren van de derde wereld hebben belang bij de vernietiging van het imperialisme. Vanuit dit oogpunt speelt de immigratie een positieve, progressieve rol. Het laat de arbeiders van hier nader kennis nemen met de realiteit waarin miljoenen werkers van de derde wereld leven, ten gevolge van de misdaden van het imperialisme. Het laat hen de strijd kennen van de volkeren van de derde wereld. Op voorwaarde dat de vakbond hen de geest van proletarisch internationalisme bijbrengt en opkomt voor de solidariteit met de derde wereld. Zo niet worden de werkers bestookt met de burgerlijke propaganda en kunnen ze meegesleept worden in racistische campagnes.

Een bijzondere testcase is de controle op de immigratie. Binnen het Europese kader is er overleg (het akkoord van Schengen) om door coördinatie van politiediensten, de buitengrenzen beter af te schermen tegen inwijking uit de derde wereld. Het kapitaal van oliesjeiks, van drugbaronnen, van rechtse dictators mag ongehinderd toevloeien in Europese banken maar politieke en economische vluchtelingen uit de arme landen mogen Europa niet binnen. Het imperialisme eist vrije toegang van zijn kapitalen, bedrijven en producten in de derde wereld (Uruguay-ronde) maar wil zijn grenzen dicht voor ongewenste vreemdelingen. Goedkope gekwalificeerde arbeidskrachten uit het Oostblok worden met open armen ontvangen, maar voor ongekwalificeerde werkkrachten uit de derde wereld is er geen plaats meer. De enige consequente houding is de vrije circulatie en vrije inwijking uit de derde wereld.

De vakbonden zijn door hun samenstelling bijzonder goed geplaatst om de strijd tegen het racisme te voeren. Belgen en vreemdelingen zitten in eenzelfde organisatie. Vreemdelingen hebben er syndicale rechten, kunnen er verkozen worden en kunnen kiezen bij de sociale verkiezingen, wat de burgerij hen weigert op vlak van de maatschappij.

4o De ontwikkeling van het racisme werd in de hand gewerkt door de laksheid, de passiviteit en zelfs de medeplichtigheid van de traditionele partijen, inbegrepen de sociaaldemocratie. Omdat ze zelf zijn doordrongen van de Westerse superioriteit, van de imperialistische ‘waarden’ schuiven zij op naar rechts naargelang de extreemrechtse stellingen agressiever worden. Immigratiestop, tolerantiedrempel, gettovorming en repatriëring zijn de harde vormen; integratie is de zachte vorm om de vreemdelingen te onderwerpen aan de Westerse ‘waarden’. De Golfoorlog toont op uitstekende wijze welke ‘integratie’ geëist wordt van de immigranten: een solidariteit met het westers imperialisme, een desolidarisering met de anti-imperialistische strijd. ‘Integratie’ betekent dat de jonge immigranten zich moeten scharen achter de Westerse belangen, zich de Westerse wereldorde moeten laten welgevallen en de imperialistische cultuur moeten absorberen. ‘Integratie’ betekent alles behalve het toekennen van p. 235gelijke politieke rechten. De leiders van de traditionele partijen proberen ook de vakbeweging die weg op te sturen.

De vakbonden zijn verdeeld over de te volgen weg. Sommige vakbondsleiders blijven vasthouden aan de enige juiste weg tot ‘integratie’, namelijk het toekennen van totale en onvoorwaardelijke gelijke rechten aan vreemdelingen. De motivaties lopen uiteen, van humanisme, tot overwegingen van democratie of eenheid van de werkers. Maar er komen ook meer en meer scheuren in het antiracistische vakbondsfront. In de officiële standpunten wordt sinds enkele jaren alleen nog het stemrecht bij gemeenteraadsverkiezingen geëist, wat op zich al een ontoelaatbare stap achteruit is tegenover de eis van ‘volledige politieke rechten’.

In de strijd tegen de pest van deze tijd, het racisme, worden de vakbonden geconfronteerd met een onvermijdelijke keuze. Ofwel zich laten meedrijven met de golf van racistische druk die in alle burgerlijke partijen opgang vindt, ofwel neemt men beginselvast stelling tegen elk racisme en fascisme en voor integrale politieke rechten voor vreemdelingen.

De situatie is ernstig. Elke passiviteit speelt in de kaart van fascisten, die zelfs al een latente invloed binnen de vakbonden verworven hebben.

5o De strijd tegen het racisme moet door de vakbond op twee fronten worden gevoerd. Ten eerste, is het beste wapen tegen racisme het opkomen voor een antikapitalistisch programma dat alle werkers, Belgen en vreemdelingen kan verenigen tegen het grootkapitaal. Het blijkt steeds meer dat het racisme voet aan wal krijgt wanneer de arbeiders het vertrouwen in de vakbond en de klassenstrijd verliezen. In grote bedrijven in het Antwerpse is een groeiende invloed van racistische propaganda direct verbonden met de verbittering onder de massa over het optreden van de vakbondsleiding in de strijd om de arbeidersbelangen. Ten tweede, moet elke discriminatie met radicaal democratische en antiracistische ordewoorden worden bekampt. De vakbonden moeten op de eerste rij staan in de strijd tegen de discriminatie van vreemdelingen. Elke discriminatie maakt de deelname van vreemde werkers aan de klassenstrijd moeilijker.

* Tegen elke syndicale discriminatie.

Vreemdelingen moeten niet alleen het recht hebben om verkozen te worden, maar moeten ook in de feiten toegang krijgen tot syndicale functies.

* Tegen elke politieke discriminatie.

Volledig politieke rechten, inbegrepen het volledig stemrecht en het recht om verkozen te worden voor iedereen die minstens vijf jaar in een Europees land woont. Automatische toekenning van de dubbele nationaliteit na vijf jaar.

* Tegen elke sociale discriminatie.

Vreemdelingen moeten vrije toegang krijgen tot alle werkplaatsen, tot de openbare diensten, en tot alle bedrijven. Ze moeten gelijke rechten hebben voor de sociale zekerheid en vrijheid om zich te vestigen waar ze verkiezen. Er mag geen discriminatie zijn wat betreft huisvesting.

* Open grenzen en vrijheid van verblijf voor personen, zoals voor kapitalen p. 236en goederen. Asielrecht en afschaffing van de visumplicht voor burgers uit de derde wereld. Geen ratificatie van het Verdrag van Schengen.

* Neen aan discriminerende rijkswachtcontroles en intimidaties tegen vreemdelingen. De selectieve repressie heeft een dubbel doel. De vreemdelingen ontmoedigen en ze passief maken in de strijd en de repressiemethodes testen die later gebruikt kunnen worden tegen alle werkers.

635.
Strijd tegen het fascisme

Sinds het begin van de crisis heeft de burgerij zware afbreuk moeten doen aan de democratische mantel van haar regime, om haar plannen te kunnen doorvoeren: volmachten, uitschakeling van het parlement, versterking van het repressieapparaat, koninklijke ingrepen …. De Duitse en de op til zijnde groot-Europese eenwording geeft nieuwe vaart aan de oude nazi-ideeën van een groot-Europees imperium. De Europese eenmaking is een pletwals van de monopolies waar weinig plaats is voor democratische oppositie of besluitvorming. De Europese monopolies dromen van eengemaakte militaire apparaten en gecentraliseerde politiediensten (de TREVI-groep). Dit algemene klimaat is gunstig voor de vooruitgang van de fascistische ideologie, die opkomt voor een openlijke dictatuur tegen de werkers en alles wat progressief is. Er is een duidelijke heropleving van fascistische groeperingen in heel Europa en het fascistisch ideeëngoed dringt ook door in de burgerlijke partijen. Het programma is samen te vatten in drie woorden: anticommunisme, antidemocratie, antisyndicalisme.

De fascistische krachten opereren via verschillende wegen. Langs de openlijke, parlementaire weg (Vlaams Blok, Forces Nouvelles, Front National …) creëren ze een massabasis waarbij het racisme als breekijzer dient. Daarnaast zijn binnen het staatsapparaat en het repressieapparaat extreemrechtse krachten aan het werk, die al of niet direct samenwerken met de fascistische groeperingen. De onthullingen over het Gladio-netwerk hebben het bestaan aangetoond van geheime anticommunistische bondgenootschappen in heel Europa, bestuurd vanuit de CIA, krachten in het repressieapparaat en uit fascistische groepen. In ons land werd die ‘groep-G’ geleid door de kolonel-op-rust Victor Dessogne. Documenten die bij hem werden gevonden tonen aan dat het netwerk uitgerust was om de strategie van de spanning toe te passen: door terreur en bomaanslagen het land te destabiliseren en repressie uit te lokken tegen communisten, progressieve organisaties en linkse syndicalisten. Vanaf 1983 bracht de Bende van Nijvel deze strategie effectief in praktijk. De betrokkenheid van (ex)-rijkswachters is ondertussen voldoende aangetoond, maar de volledige klaarheid over de banden met extreemrechts en rijkswachtmilieus laat nog altijd op zich wachten. Dat is niet het geval voor de versterking van de politiediensten en de repressiemaatregelen die eruit zijn voortgevloeid. Het budget en het aantal manschappen van de rijkswacht werd uitgebreid, er werden POSA-eenheden opgericht (Pelotons Observatie, Steun en Arrestatie), databanken werden gekoppeld, enz. De p. 237Bendecommissie heeft uiteindelijk geleid tot een hervorming van de politiediensten, met sterkere ‘coördinatie en integratie’, uiteraard onder leiding van de rijkswacht. Ook de wetsontwerpen van minister Wathelet op de bescherming van de privacy en op de telefoongesprekken zijn eerder vrijbrieven voor politiediensten dan maatregelen voor een strikte democratische controle.

De vakbonden moeten vooraan staan in de strijd tegen fascisering, vanwaar die ook komt, en voor radicale democratische maatregelen.

* Verbod op fascistische en racistische organisaties en effectieve toepassing van de wet tegen racisme en xenofobie.

* Buiten de wet stelling van fascistische en neonazi organisaties.

* Geen fascisten in de vakbond. Geen syndicale mandaten voor leden van racistische of extreemrechtse militanten. Dit betekent dat de vakbonden initiatieven moeten nemen om hun leden hiervoor te mobiliseren, zoals dit in de TUC in Groot-Brittannië gebeurt. Ze moeten zich ook lokaal engageren, in de antiracistische en antifascistische wijkcomités.

De werkers en hun organisaties zijn de eerste slachtoffers van de verscherpte repressie. De vakbonden moeten er zich veel actiever tegen verzetten en hun leden mobiliseren voor de verdediging van de essentiële democratische rechten.

* Verbod op politieke fichering en op afluisterpraktijken. Ontmanteling van de rijkswachtfichier.

* De rijkswacht, als elitekorps voor het beschermen van de kapitalistische wanorde, als antidemocratisch korps bij uitstek, moet ontbonden worden. Haar secundaire taken, de verkeersregeling en de bestrijding van de criminaliteit moeten door niet-gemilitariseerde diensten opgenomen worden.

* Geen volmachten.

64.
Strijd voor vrede en anti-imperialisme gaan hand in hand

Het imperialisme is nog nooit teruggeschrokken voor barbaarse agressies en volkerenmoord om zijn belangen in de wereld te verdedigen. Door rechtstreekse interventies en door steun aan contrarevolutionaire regimes is het Westen verantwoordelijk voor miljoenen doden sinds de Tweede Wereldoorlog. Een van de grootste massamoorden van de twintigste eeuw (de woorden zijn van de CIA) werd in Indonesië gepleegd, in de periode 1965-1969. Ongeveer 1 miljoen Indonesiërs lieten het leven. Men moest tot 21 mei 1990 wachten om officieel bevestigd te zien wat iedereen al lang wist: de massamoord was opgezet door de CIA.8 Dit is een van de uitschieters van een permanente oorlog, zoals die voortwoedt in El Salvador, Columbia en Peru, in Mozambique en Zaïre, op de Filipijnen en in Turkije (een ‘speciale oorlog’ noemen de imperialistische strategen dat). De plaatselijke aan het buitenland verkochte regimes verdedigen er de p. 238belangen van de multinationals via doodseskaders en terreur. Als dat niet volstaat, is er de geregelde oorlog, zoals in Korea en Vietnam, of interventies en staatsgrepen zoals in Chili, Nicaragua en Panama.

In de meeste van die conflicten was er tot hier toe een Oost-West dimensie aanwezig. Het Amerikaans imperialisme bekampte nationalistische en communistische krachten die in min of meerdere mate konden rekenen op de steun van de socialistische landen. Vandaag is de situatie veranderd door de overloop van de Oostbloklanden naar het Westerse imperialistische kamp. Vandaag kan het imperialisme triomfantelijk zijn belangen verdedigen onder de vlag van het ‘internationaal recht’, omdat zowat het hele noordelijk halfrond achter de ‘nieuwe wereldorde’ staat. De nieuwe wereldorde is die van de confrontatie tussen Noord en Zuid. De militaire strategieën worden herzien: de wapenwedloop met de Sovjet-Unie wordt vervangen door een interventiestrategie, waarbij mobiele interventie-eenheden en plaatselijke tussenkomsten in de derde wereld borg moeten staan voor het behoud van de strategische machtsposities, tegen de bevrijdingsbeweging en elke nationalistische ‘ontsporing’.

In deze nieuwe wereldsituatie staat de vakbeweging voor een duidelijke keuze: aan de kant van het Noorden of aan de kant van het Zuiden. Vandaag worden alle intentieverklaringen van ‘rechtvaardige wereldorde’ en ‘solidariteit met de derde wereld’ op hun echte waarde getest.

641.
De Golfoorlog: gewild door de VS

Is de Golfoorlog echt ‘begonnen op 2 augustus met de invasie van Koeweit’ zoals het communiqué van het ABVV-secretariaat9 in navolging van alle pro-Amerikaanse bronnen stelt? Volgens de auteurs van het boek La guerre du Golfe10 en volgens elke onbevooroordeelde waarnemer, hebben de Amerikanen doelbewust op een conflict met Irak aangestuurd. Ten eerste door Koeweit in een economische oorlog tegen Irak te jagen en ten tweede door elke Arabische oplossing van het conflict te saboteren. De Verenigde Staten verkozen een militaire confrontatie en dit om verschillende redenen. Vooreerst zijn er de evidente petroleumbelangen. “Olie is geen thee of wortelkruid,” stelt de ambassadeur van Koeweit bij de Verenigde Naties, “Het is een niet-hernieuwbare grondstof van ontzettende strategische waarde — een grondstof waarvan de industriële wereld afhankelijk is. Kortom, olie is macht. Om het even wie de controle heeft over het leeuwenaandeel ervan heeft veel te zeggen over de richting die de ontwikkelde wereld uitgaat, over de gezondheid van ‘s werelds economie:, de stabiliteit van zijn markten. Ik denk niet dat dit een privilege is dat we willen afstaan aan Saddam Hoessein.”11 Het Koeweitse fantochen-regime weet met andere woorden zeer goed dat het zijn bestaan alleen te danken heeft aan en dat zijn lot volledig verbonden is met dat van de imperialistische belangen.

Sinds 1947 veegt het Westen zijn voeten aan de UNO-resoluties over de Palestijnse staat, kan Israël ongestraft Palestina, delen van Jordanië, p. 239Egypte en Syrië bezetten. Irak is de enige natie die de Israëlische agressie en expansie, als bruggenhoofd van de Amerikaanse belangen, het hoofd kan bieden. Daarom streeft de VS niet alleen de ontruiming van Koeweit maar de vernietiging van het Iraakse regime na. De VS en zijn bondgenoten willen verhinderen dat de Arabische landen zich verenigen en wil een permanente aanwezigheid in de Golf om op elk ogenblik militaire chantage te kunnen plegen.

Om al die redenen ging het hier om de eerste test, om een eerste confrontatie uit het Noord-Zuid-tijdperk. Dit werd zo begrepen door alle anti-imperialistische krachten over de hele wereld, zelfs indien er onder hen onenigheid was over de inlijving van Koeweit en over de historische aanspraken van Irak. Zij eisten de onmiddellijke stopzetting van de militaire agressie van de VS en zijn bondgenoten en een Arabische regeling van het Golfconflict.

642.
De ABVV-leiding weigert mee op te stappen in de vredesbetogingen

Mia De Vits stelt dat “het ABVV, nu de oorlog een feit geworden is, niet zomaar achter het ordewoord ‘stop de oorlog’ kan staan.”12 En voorzitter Francois Janssens licht deze dubieuze uitspraak toe: “De verdediging van de vrede is een ideaal, de verdediging van de democratie een prioriteit.”13 Met andere woorden, de ABVV-leiding steunt de perfide versie van de ‘bondgenoten’, volgens dewelke een militaire agressie noodzakelijk was om de ‘nieuwe Hitler’ Saddam Hoessein te stoppen en het ‘internationale recht’ te herstellen. Een cynische grap in de mond van de grootste overtreders van het internationaal recht, die beschikken over de machtigste oorlogsmachine die ooit bestaan heeft. Zij hebben Allende helpen vermoorden en Pinochet aan de macht gebracht. Zij hebben de contra’s bewapend om het Sandinistische